vonnis in kort geding RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 10968657 Rolnummer: 24-1566 Vonnis van 12 april 2024 in de zaak van: Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL, gevestigd te Eindhoven, eisende partij, hierna te noemen: Woonbedrijf, gemachtigde: mr. B. Poort, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.C.J. Houben. 1Het verloop van het geding 1.1. Dit blijkt uit het volgende: a. de dagvaarding van 13 maart 2024 met producties 1 tot en met 46; b. de brief van de zijde van Woonbedrijf, waarbij producties 47 tot en met 52 (waaronder een USB-stick met audio-opnames) worden overgelegd; c. de brief van de zijde van [gedaagde] , waarbij producties 1 en 2 worden overgelegd; d. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die op 22 maart 2024 heeft plaatsgevonden, met daaraan gehecht de spreekaantekeningen die door beide gemachtigden zijn overgelegd en voorgedragen. Bij de mondelinge behandeling waren [A] (woonconsulent bij Woonbedrijf), mr. S.W.B.M.A. Thielens (ter vervanging van mr. Poort), [B] (moeder van [gedaagde] ) en mr. Houben aanwezig. 1.2. Tot slot is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Vanaf 17 februari 2021 verhuurt Woonbedrijf aan [gedaagde] een woning, staande en gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De eerste huurovereenkomst die tussen Woonbedrijf en [gedaagde] is gesloten, was een tijdelijke huurovereenkomst. Vanaf 1 maart 2023 huurt [gedaagde] op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De huidige huurprijs bedraagt € 572,17 per maand en dient voor of op de eerste dag van iedere maand te worden voldaan. 2.2. Het gehuurde maakt onderdeel uit van een appartementencomplex. In dat appartementencomplex worden meerdere appartementen door Woonbedrijf verhuurd. 2.3. In artikel 8.1. van de huurovereenkomst staat dat de Algemene Huurvoorwaarden van Woonbedrijf d.d. 1 november 2004 (hierna: de Algemene Huurvoorwaarden) van toepassing zijn. In de Algemene Huurvoorwaarden staat – voor zover van belang – het volgende bepaald: "(…)Bescherming woonklimaat Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast, hinder of schade wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde en/of de directe woonomgeving of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.(…)" 2.4. Bij e-mailbericht van 23 november 2023 is [gedaagde] op de hoogte gesteld van de door Woonbedrijf ontvangen overlastklachten en is door Woonbedrijf aangekondigd dat zij op 29 november 2023 op huisbezoek zal komen. Op 29 november 2023 heeft [gedaagde] aangegeven Woonbedrijf niet toe te laten tot het gehuurde. Op 5 december 2023 is opnieuw een huisbezoek gepland, waarna deze afspraak door [gedaagde] is afgezegd. 2.5. Woonbedrijf heeft in de brief van 6 december 2023 [gedaagde] gesommeerd om geen overlast te veroorzaken. Ook is hij in deze brief uitgenodigd voor een gesprek met Woonbedrijf op 12 december 2023. Dit gesprek heeft plaatsgevonden. Door Woonbedrijf is aan [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] dient te stoppen met het veroorzaken van overlast. 2.6. Nadat het gesprek op 12 december 2023 had plaatsgevonden, ontvangt Woonbedrijf opnieuw meldingen van overlast die door [gedaagde] zou zijn veroorzaakt. 2.7. Op 3 januari 2024 is [gedaagde] door Woonbedrijf weer gesommeerd te stoppen met het veroorzaken van overlast. 2.8. Op 9 januari 2024 heeft Woonbedrijf een afspraak met [gedaagde] gepland. [gedaagde] is niet verschenen op de afspraak. Op 16 januari 2024 heeft Woonbedrijf opnieuw een brief verstuurd, waarin Woonbedrijf heeft aangekondigd dat zij op 24 januari 2024 op huisbezoek zal komen. 2.9. Op 24 januari 2024 heeft een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij twee medewerkers van Woonbedrijf en twee medewerkers van de GGD in gesprek zijn gegaan met [gedaagde] . 2.10. Op 2 februari 2024 hebben Woonbedrijf en [gedaagde] een betalingsregeling getroffen, waarbij [gedaagde] – naast de lopende huur – iedere maand voor of op de eerste dag van de daaropvolgende maand een bedrag van € 71,52 respectievelijk € 71,54 aan Woonbedrijf dient te betalen om een ontstane huurachterstand in te lopen. 2.11. In een brief van 15 februari 2024 is door Woonbedrijf aan [gedaagde] gemeld dat er opnieuw overlastklachten zijn ontvangen en is [gedaagde] de gelegenheid gegeven om de huurovereenkomst op te zeggen met een opzegtermijn van een maand. [gedaagde] heeft de huur niet opgezegd. 2.12. Bij brief van 20 maart 2024 is door de Geneesheer-Directeur van de Geestelijke Gezondheidzorg voor mensen in [woonplaats] en omgeving (hierna: GGzE) aan [gedaagde] meegedeeld dat de officier van justitie een verzoekschrift voor een zorgmachtiging aan het voorbereiden is. 3Het geschil 3.1. Woonbedrijf vordert dat – uitvoerbaar bij voorraad – bij vonnis: Primair: I. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis, althans veertien dagen, althans een termijn door de kantonrechter gezien alle feiten en omstandigheden in redelijkheid te bepalen, de zelfstandige woonruimte inclusief de bijbehorende berging staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] en alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Woonbedrijf, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Woonbedrijf te stellen; Subsidiair: II. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis, althans veertien dagen, althans binnen een termijn door de kantonrechter gezien alle feiten en omstandigheden in redelijkheid te bepalen, de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , met alle daarin aanwezige personen en goederen voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Woonbedrijf, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonbedrijf te stellen, indien en zodra aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. [gedaagde] veroorzaakt gedurende een periode gerekend tussen één week tot twee jaar na dagtekening van het in deze procedure te wijzen vonnis overlast jegens omwonenden. Onder overlast wordt onder meer doch niet uitsluitend verstaan: geluidsoverlast, verbaal en/of fysiek geweld en op enige wijze verstoren van de openbare orde en veiligheid in en nabij het gehuurde; en/of b. [gedaagde] vertoont gedurende een periode gerekend tussen één week tot twee jaar na dagtekening van het in deze procedure te wijzen vonnis ongewenst gedrag jegens medewerkers in dienst of in opdracht van Woonbedrijf, zoals onder meer schelden, beledigen, intimideren of geweldpleging; en/of c. [gedaagde] binnen uiterlijk één week na dagtekening van het in deze procedure te wijzen vonnis niet alle hulpverlening die [gedaagde] kan worden aangeboden ter ondersteuning bij zijn problematiek accepteert, de stappen zet om de hulpverlening te verkrijgen en blijft accepteren totdat volgens de hulpverlenende instanties, in overleg met Woonbedrijf, de hulpverlening niet meer nodig is. Onder hulpverlening wordt onder meer doch niet uitsluitend verstaan: contact met de huisarts voor het voorschrijven van medicatie en/of een doorverwijzing naar hulpverlenende instanties, waaronder GGzE, het ontvangen van zorg en woonbegeleiding door hulpverlenende instantie(s), waaronder GGzE en WIJeindhoven, waarbij de zorg ook kan bestaan uit een opname of behandeling en het innemen van voorgeschreven medicatie; In alle gevallen III. [gedaagde] wordt veroordeeld om aan Woonbedrijf te voldoen een bedrag van € 786,72 zijnde de huurachterstand tot en met maart 2024, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening; IV. [gedaagde] wordt veroordeeld om aan Woonbedrijf te voldoen de per maand verschuldigde huurpenningen, gerekend vanaf april 2024 tot aan het tijdstip van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening; V. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande de vijftiende dag na het vonnis. 3.2. Woonbedrijf legt aan de door haar ingestelde vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst (artikel 4), de Algemene Huurvoorwaarden (artikel 6.7.1) en de wet (artikel 7:213 BW). [gedaagde] veroorzaakt structurele en ernstige overlast aan omwonenden (waaronder geluidsoverlast). Omwonenden geven aan zich hierdoor onveilig te voelen. De overlastmeldingen ontvangt Woonbedrijf vanaf het najaar van 2023. Ondanks dat [gedaagde] herhaaldelijk op zijn gedrag is aangesproken, stopt de overlast niet. Ook weigert hij professionele hulpverlening te aanvaarden, waardoor de situatie niet verbetert. Verder worden de huurtermijnen niet of niet tijdig voldaan. Per maart 2024 bedraagt de huurachterstand € 786,72. Dit betekent dat [gedaagde] ook tekort is geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting. Weliswaar zijn Woonbedrijf en [gedaagde] een betalingsregeling overeengekomen, maar deze is – doordat [gedaagde] de regeling niet is nagekomen – komen te vervallen. Omdat de tekortkoming van [gedaagde] ernstig is, moet – vooruitlopend op een nog aanhangig te maken bodemprocedure – de gevorderde ontruiming worden toegewezen. Er is geen geslaagd beroep mogelijk op de tenzij-bepaling. Gelet op dit alles moet met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een (nog aanhangig te maken) bodemprocedure zal worden toegewezen. De gedragingen van [gedaagde] zijn dusdanig ernstig dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit betekent dat de door Woonbedrijf ingestelde vorderingen voldoende spoedeisend zijn. 4De beoordeling Spoedeisendheid 4.1. Het spoedeisend belang van Woonbedrijf is door [gedaagde] niet bestreden. De kantonrechter vindt ook dat Woonbedrijf voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde ontruiming. Gelet op de aard en ernst van de gestelde tekortkoming kan van Woonbedrijf niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Aard van de procedure 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat een ontruiming vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen heeft en in een kort gedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten. Een vordering tot ontruiming van het gehuurde wegens (gestelde) tekortkomingen kan in kort geding daarom slechts worden toegewezen indien in voldoende mate komt vast te staan dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming op die grond zal toewijzen. Ontruiming 4.3. Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De hoofdregel en de tenzij-bepaling brengen samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Ten aanzien van de ontbinding van een overeenkomst van huur en verhuur van woonruimte gelden geen bijzondere regels. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. 4.4. Woonbedrijf heeft twee tekortkomingen aan haar ontruimingsvordering ten grondslag gelegd, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.