RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 10429793 \ CV EXPL 23-1437 Vonnis van 25 april 2024 in de zaak van [eiser] , H.O.D.N. [bedrijfsnaam eiser] in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [rechthebbende] , zaakdoende en woonplaats hebbende te [plaats] , eisende partij in conventie,verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: de bewindvoerder en [rechthebbende] , gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt, toevoegingsnummer: [toevoegingsnummer] . tegen 1 [gedaagde 1] ,
(2022)niet aan [rechthebbende] kunnen worden doorbelast. Administratiekosten 4.17.12. De bewindvoerder heeft betwist dat [rechthebbende] administratiekosten (5% over de totale servicekosten) verschuldigd is. Zij heeft erop gewezen dat uit de huurovereenkomst niet blijkt dat partijen het verschuldigd zijn van administratiekosten zijn overeengekomen. [gedaagden] heeft dit standpunt van de bewindvoerder verder niet weersproken. De kantonrechter oordeelt dan ook dat een rechtsgrond voor het in rekening brengen van administratiekosten ontbreekt. Tussenconclusie: afrekening servicekosten 2020, 2021 en 2022 4.18. Uit de tabel die hieronder is opgenomen blijkt wat hetgeen hiervoor is overwogen betekent voor de afrekeningen van 2020, 2021 en 2022. 4.19. Uit de tabel volgt dat [gedaagden] servicekosten over de periode 2020 tot en met 2022 in rekening mag brengen bij [rechthebbende] van in totaal € 36,00. [gedaagden] heeft daarnaast een schadevergoedingsvordering op [rechthebbende] van in totaal € 2.684,26 op grond van ongerechtvaardigde verrijking, wegens betaling door [gedaagden] van het gebruikersdeel van de gemeentelijke en waterschapsbelasting van [rechthebbende] en de kosten voor zijn signaallevering. In totaal heeft [gedaagden] € 2.720,26 van [rechthebbende] te vorderen. Aangezien [rechthebbende] in 2022 in totaal € 3.000,- aan voorschot servicekosten heeft betaald, heeft hij recht op terugbetaling door [gedaagden] van € 279,74. Dit bedrag zal in conventie worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (24 maart 2023). De vordering in reconventie die ziet op betaling van de openstaande servicekosten tot 2023 zal worden afgewezen. Voorschot servicekosten 2023 4.20. Uit het door de bewindvoerder gevoerde verweer blijkt dat zij er kennelijk vanuit gaat dat [gedaagden] betaling van de afrekening van servicekosten over 2023 vordert. Dat is niet het geval. [gedaagden] heeft weliswaar als productie 20 een geactualiseerd overzicht overgelegd waaruit de tot dan toe gemaakte kosten in 2023 zouden moeten blijken, maar de vordering in reconventie ziet slechts op betaling van het voorschot over de periode januari tot en met juni 2023. Een afrekening heeft nog niet plaatsgevonden. Omdat vast staat dat [rechthebbende] op grond van de huurovereenkomst gehouden is om maandelijks een bedrag van € 300,- aan voorschot servicekosten te voldoen (zie ook r.o. 4.14.), en ook vast staat dat [rechthebbende] over deze periode niets aan voorschot heeft betaald, is de vordering in reconventie onder II. toewijsbaar. De bewindvoerder zal in reconventie worden veroordeeld om (uit het vermogen van [rechthebbende] ) een bedrag van € 1.800,- aan voorschot servicekosten te voldoen. B. Huurprijsverhoging en huurachterstand 4.21. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de huurprijs vanaf mei 2022 en het bestaan van een huurachterstand. [gedaagden] stelt dat in april 2022 met [rechthebbende] is besproken dat de huur met ingang van mei 2022 zou worden verhoogd van € 700,- naar € 750,-. De bewindvoerder heeft dit betwist. Zij heeft daarnaast aangevoerd dat een huurverhoging van 7,1% onrechtmatig is en de huurverhoging ook niet twee maanden voor de ingangsdatum aan [rechthebbende] is medegedeeld. De kantonrechter overweegt als volgt. 4.21.1. Vooropgesteld wordt dat de aanvangshuurprijs van € 700,-, zoals volgt uit de huurovereenkomst van 2019, lager ligt dan de grens voor geliberaliseerde huur (geldend in 2019) als bedoeld in artikel 7:247 BW. Er is dus sprake van niet-geliberaliseerde huur. In artikel 4 van de huurovereenkomst is een indexclausule opgenomen, op grond waarvan de huur jaarlijks kan worden verhoogd ‘op de verjaardag van de huurovereenkomst’ en ‘op basis van de gezondheidsindex’. Omdat sprake is van niet-geliberaliseerde huur, mag een huurverhogingsbeding de maximaal toegelaten verhoging van de huurprijs als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, niet overschrijden. Uit Bijlage V bij de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte blijkt dat het maximale huurverhogingspercentage in 2022 2,3% bedroeg. Aangezien de huurverhoging van € 700,- naar € 750,- dit percentage ruimschoots overschrijdt, is de huurprijsverhoging niet rechtsgeldig, voor zover dit tot een hogere dan de toegelaten verhoging leidt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan [gedaagden] echter ook geen aanspraak maken op een huurverhoging van 2,3%, oftewel een bedrag van € 716,10 per maand per 1 juli 2022. De bewindvoerder heeft immers betwist dat er een huurverhoging met [rechthebbende] is besproken en [gedaagden] heeft zijn stelling op dit punt niet nader onderbouwd. De gemachtigde van [gedaagden] heeft ter zitting ook erkend dat de huurverhoging niet twee maanden voor de ingangsdatum (die overigens op basis van de huurovereenkomst 2 november 2022 had moeten zijn) aan [rechthebbende] schriftelijk is medegedeeld, terwijl dat op grond van artikel 7:252 lid 2 BW wel is vereist. Omdat aan dit vereiste niet is voldaan, is [rechthebbende] vanaf 1 juli 2022 niet meer dan de voordien geldende huurprijs van € 700,- verschuldigd. 4.21.2. Voor de vorderingen van partijen betekent het voorgaande het volgende. Vast staat dat [rechthebbende] in de periode 2019 tot en met mei 2023 € 700,- per maand aan huur heeft betaald, met uitzondering van twee periodes (productie 7 van [gedaagden] ): over de maanden juli tot en met november 2022 is maandelijks een bedrag van € 750,- aan huur betaald; over de maanden december 2022 en januari 2023 is maandelijks een bedrag van € 345,- voldaan. 4.22. Over de maanden juli tot en met november 2022 heeft [rechthebbende] dus een bedrag van (5 x € 50,-=) € 250,- te veel betaald. Over de maanden december 2022 en januari 2023 heeft hij juist (2 x € 700,- – 2 x € 345,-) =) € 710,- te weinig betaald. Per saldo betekent dit dat [rechthebbende] een achterstand van € 460,- heeft laten ontstaan. In reconventie zal de bewindvoerder dan ook worden veroordeeld om deze achterstand te voldoen uit het vermogen van [rechthebbende] . C. Energiekosten 4.23. De bewindvoerder heeft in conventie betaling van een bedrag van in totaal € 13.690,71 gevorderd. Dit betreft een schadevergoeding die volgens de bewindvoerder is ontstaan doordat [gedaagden] jarenlang ongerechtvaardigd is verrijkt. [rechthebbende] heeft volgens de bewindvoerder de energiekosten voor zowel zijn gehuurde woning, als de woning aan de [adres 2] voldaan. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [gedaagden] niet de partij is, die door de betaling van de energiekosten is verrijkt. Zij heeft haar oorspronkelijke standpunt laten varen. Daarmee staat vast dat er geen rechtsgrond voor het gevorderde bedrag van € 13.690,71 bestaat. De vordering in conventie zal op dit punt dan ook worden afgewezen. D. Ontbinding huurovereenkomst 4.24. [gedaagden] heeft in reconventie gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en de bewindvoerder c.q. [rechthebbende] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. [gedaagden] stelt dat [rechthebbende] herhaaldelijk tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder door
- i)de huurverhoging en servicekosten niet te voldoen,
- ii)overlast en gevaarlijke situaties te veroorzaken en iii) het weigeren van toestemming voor het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud aan het gehuurde. De kantonrechter zal hierna eerst beoordelen of deze tekortkomingen vast staan en vervolgens of deze tekortkomingen afzonderlijk, of in onderlinge samenhang bezien, ontbinding van de huurovereenkomst zouden rechtvaardigen. 4.24.1. In r.o. 4.21.1. is overwogen dat de huurprijsverhoging naar € 750,- niet aan de wettelijke vereisten voldoet. [rechthebbende] heeft de maandelijkse huur van € 700,- voldaan, behalve voor december 2022 en januari 2023. Hierdoor is een achterstand ontstaan van € 460,-, zoals hiervoor onder r.o. 4.22. toegelicht. Dit levert weliswaar een tekortkoming op, maar deze rechtvaardigt geen ontbinding van de huurovereenkomst. Dat geldt ook als deze tekortkoming in samenhang wordt bezien met die ten aanzien van de betalingsverplichting van [rechthebbende] voor de servicekosten. [rechthebbende] (of de bewindvoerder) heeft nagelaten om maandelijks € 300,- aan voorschot servicekosten te voldoen. De bewindvoerder heeft echter onweersproken gesteld dat zij [gedaagden] herhaaldelijk heeft verzocht om de schriftelijke huurovereenkomst en specificatie van de huurprijs aan te leveren en ook is onweersproken gesteld dat [gedaagden] deze stukken pas voor het eerst bij conclusie van antwoord heeft overgelegd. In zoverre is het dan ook aan [gedaagden] zelf te wijten dat het voorschot servicekosten van € 300,- per maand niet door de bewindvoerder is voldaan. 4.24.2. [gedaagden] heeft gesteld dat [rechthebbende] dementerend is en snel achteruit gaat. Hij bedreigt, scheldt en is agressief jegens [gedaagden] en de moeder van [gedaagden] , die in de naastgelegen woning met haar echtgenoot woont, zo heeft [gedaagden] aangevoerd. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [rechthebbende] door medicijngebruik (verbaal) agressief kan zijn, maar zij weerspreekt de ernst ervan zoals door [gedaagden] wordt geschetst. De bewindvoerder heeft er ook op gewezen dat [rechthebbende] ook zelf overlast ondervindt door [gedaagden] en [A] , onder meer doordat zij naar hem schreeuwen en zijn zorg belemmeren. 4.25. Voor wat betreft de stelling van [gedaagden] dat [rechthebbende] overlast en gevaarlijke situaties veroorzaakt, overweegt de kantonrechter als volgt. De relatie tussen [gedaagden] en [rechthebbende] is geen standaard huurrelatie. Partijen zijn familie van elkaar. Tot 2022 heeft [A] , de moeder van [gedaagden] en zus van [rechthebbende] , gedurende lange tijd mantelzorg aan [rechthebbende] verleend. Daarnaast verleent zij sinds 2017 mantelzorg aan haar echtgenoot, die vanwege een herseninfarct arbeidsongeschikt is geraakt. Op 23 maart 2022 heeft Veilig Thuis een melding ontvangen van een zorgverlener van BrabantZorg die aanvaringen tussen [rechthebbende] en zijn zus heeft waargenomen. Daarop is Veilig Thuis een onderzoek gestart. Bij brief van 7 juli 2022 heeft zij de uitkomst van het onderzoek met [A] gedeeld. Daarin staat het volgende vermeld: “Op basis van gesprekken met u, uw broer bovengenoemde informanten concludeert Veilig Thuis dat de gemelde zorgen zijn bevestigd. Zowel uw broer als u hebben aangegeven dat er regelmatig sprake is van verbale escalaties tussen u beide. U geeft duidelijk aan dat u de zorg voor uw broer niet meer aankan en daardoor een korter lontje heeft naar uw broer toe. Deze overbelasting heeft er toe geleid dat er op regelmatige basis sprake is van verbaal geweld tussen uw broer en u. (…) Veilig Thuis heeft signalen van onveiligheid geïnventariseerd en veiligheidsvoorwaarden opgesteld. Dit betreffen voorwaarden die Veilig Thuis noodzakelijk acht om de veiligheid te herstellen. - Meneer krijgt begrip. Ook als hij dingen niet begrijpt of snapt - Meneer voelt zich niet geïsoleerd of alleen gelaten - Meneer is geen slachtoffer van verbaal geweld in de vorm van schreeuwen, schelden en dreigen met of het bang maken is gestopt (" ik ga weg, je maakt misbruik van ons, je huis wordt verkocht, ik doe niks meer voor jou")”. 4.26. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt hieruit dat de verbale escalaties niet alleen op het conto van [rechthebbende] kunnen worden geschreven. Aangezien [A] evengoed een aandeel heeft in de aanvaringen die hebben plaatsgevonden, is de kantonrechter van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat [rechthebbende] overlast en gevaarlijke situaties uitsluitend of in overwegende mate veroorzaakt. Het door [gedaagden] overgelegde proces-verbaal van aangifte van 5 april 2023 leidt niet tot een ander oordeel. Een aangifte betreft slechts een weergave van wat [gedaagden] aan de verbalisant heeft verklaard. Dat deze verklaring in een proces-verbaal van aangifte is opgetekend, zegt niks over het waarheidsgehalte daarvan. Dat die aangifte aanleiding heeft gegeven tot vervolging of veroordeling van [rechthebbende] is niet gesteld of gebleken. Op basis van die enkele aangifte kan dus niet worden geconcludeerd dat [rechthebbende] eenzijdig ernstige overlast veroorzaakt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de gestelde tekortkoming niet in rechte vast staat, althans dat de (gestelde) tekortkoming geen ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, aangezien de overlast het gevolg is van een verstoorde verhouding tussen [rechthebbende] en zijn zus, waar beide partijen debet aan zijn. De kantonrechter begrijpt de gevoelens en belangen van [gedaagden] als het gaat om hun zorgen over de impact van de verstoorde familieverhoudingen op hun moeder. Hoe begrijpelijk de wens van [gedaagden] voor verbetering van de ontstane situatie ook is, deze maakt nog niet dat de huurovereenkomst tussen [rechthebbende] en [gedaagden] moet worden ontbonden. Zoals hiervoor overwogen, is daarvoor een tekortkoming van [rechthebbende] onder de huurovereenkomst vereist die de ontbinding rechtvaardigt en die is niet vast komen te staan. 4.26.1. Ten slotte heeft [gedaagden] gesteld dat [rechthebbende] tekort schiet door toestemming voor noodzakelijk onderhoud aan het gehuurde te weigeren. De bewindvoerder heeft dat weersproken. Gelet op die betwisting, had het op de weg van [gedaagden] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [rechthebbende] tekort schiet door onderhoud aan het gehuurde te weigeren. 4.26.2. De kantonrechter komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de tekortkomingen, voor zover die vast zijn komen te staan, niet afzonderlijk en ook niet in onderlinge samenhang bezien, gezien hun bijzondere aard en/of geringe betekenis, een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De stelling van [gedaagden] dat [rechthebbende] geen belang bij voortzetting van de huurovereenkomst heeft, omdat hij opgenomen zou moeten worden in een verzorgingstehuis werpt geen ander licht op de zaak. Dat [rechthebbende] is aangewezen op een verzorgingstehuis is door zijn bewindvoerder gemotiveerd weersproken. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat de betrokken zorgverleners [rechthebbende] in staat achten om (met de zorg die hij nu ontvangt) verantwoord thuis te blijven wonen. In aanvulling daarop is door de bewindvoerder ter zitting toegelicht dat er sinds 1 maart 2024 een nieuwe zorgmentor is aangesteld die in opdracht van de kantonrechter onder meer onderzoekt of [rechthebbende] zelfstandig kan blijven wonen. Aangezien de uitkomst van dat onderzoek nog niet bekend is, moet er op basis van de visie van de betrokken zorgverleners vooralsnog vanuit worden gegaan dat dit mogelijk is. De slotsom is dus dat de gevorderde ontbinding en ontruiming zullen worden afgewezen. E. Buitengerechtelijke incassokosten 4.27. De in conventie gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat aan [gedaagden] een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW is verstuurd. Proceskosten 4.28. Vanwege de familiaire verhouding tussen partijen en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hoofdelijke veroordeling 4.29. De veroordeling van [gedaagden] wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5De beslissing De kantonrechter: In conventie 5.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan de bewindvoerder van een bedrag van € 279,74 ter zake de afrekening van de servicekosten 2020, 2021 en 2022, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2023 tot het moment van voldoening, 5.2. wijst het meer of anders gevorderde in conventie af, In reconventie 5.3. veroordeelt de bewindvoerder (dan wel de opvolgend bewindvoerder) om uit het vermogen van [rechthebbende] aan [gedaagden] een bedrag van € 1.800,- aan voorschot servicekosten 2023 te betalen, 5.4. veroordeelt de bewindvoerder (dan wel de opvolgend bewindvoerder) om uit het vermogen van [rechthebbende] aan [gedaagden] een bedrag van € 460,- aan achterstallige huur te betalen, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde in reconventie af, In conventie en reconventie 5.6. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.7. verklaart dit vonnis, waar het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024.