vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Parketnummer: 82.067790. [verdachte] Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Team Strafrecht Parketnummer: 82.067790.22 Datum uitspraak: 24 mei 2024 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1960] , wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 april 2024,26 april 2024 en 14 mei 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 november 2022. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 april 2024 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. [bedrijf 1] , verder te noemen " [bedrijf 1] ", op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juni 2006 tot en met 20 mei 2011, althans van de maand juni 2006 tot en met de maand mei 2011 in de gemeente Maastricht en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Cyprus, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen (telkens) tien, althans een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 1] , (respectievelijk) voorzien van de/het factuurnummer(
(1e), 2008 en 2009 bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling belastingrecht, van 5 oktober 2023 niet relevant is voor de beoordeling van de juistheid van de gedane aangiften inkomstenbelasting over die jaren. De strafrechtelijke beoordeling vindt plaats op het moment van het doen van de aangiften. Een later verzuim van de Belastingdienst bij het opleggen van de navorderingsaanslagen om het geleden belastingnadeel alsnog te innen, is niet van invloed op die beoordeling. Kort gezegd, het strafrecht beoordeelt de juistheid van de belastingaangiften, niet de juistheid van belastingaanslagen. Dat de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2011 onjuist en in strijd met de waarheid zijn ingevuld, volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Gewoontewitwassen, feit 3 Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de bankrekening van [bedrijf 2] geheel werd gevoed door de betalingen op grond van vals opgemaakte provisiefacturen. Na ontvangst van de betalingen van deze provisiefacturen heeft verdachte die geldbedragen aangewend voor het doen van diverse betalingen aan en - ten faveure van zichzelf. De betalingen aan verdachte zijn onder valse titels gedaan, waarbij gefingeerd is dat het zou gaan om respectievelijk de huur van een boot, de verstrekking van een lening en de koop van een appartement door [bedrijf 2] . Voor wat betreft de overboekingen aan [persoon] ontbreekt een omschrijving. Van onderliggende rechtsverhoudingen die deze betalingen zouden rechtvaardigen, is niet gebleken. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte geldbedragen die uit misdrijf afkomstig waren voorhanden gehad, omgezet en daarvan gebruik gemaakt. De handelingen van verdachte waren bovendien kennelijk gericht op en hebben bijgedragen aan het verhullen en verbergen van de werkelijke aard, van de criminele herkomst en van de vervreemding en verplaatsing van die bedragen. Gelet op de omvang van het ontvangen bedrag van € 6.079.451,-- en de doorbetalingen ten bedrage van in totaal € 1.936.503,21, gedurende een langere periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 mei 2013, kwalificeert de rechtbank het handelen als gewoontewitwassen. Zijn de onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde gedragingen aan [bedrijf 2] toe te rekenen? De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedragingen. Gedragingen die zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon kunnen in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; de rechtspersoon kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. In de oprichtingsakte van [bedrijf 2] staat onder meer vermeld dat de vennootschap ten doel heeft het via schenking, aankoop, ruil, overdracht, aflossing, huur of anderszins verkrijgen van onroerend goed [punt 1] en het uitoefenen van het bedrijf van bedrijfsadviseurs, marktonderzoekadviseurs, bemiddelaars bij bedrijfsoverdrachten en hulp bij verkoopbevordering van welke aard dan ook en het optreden als tussenpersoon bij de introductie van verkopers, kopers, partners en werknemers [punt 13]. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [bedrijf 2] . Deze gedragingen van de bij [bedrijf 2] betrokken verdachte pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 2] , zijn dienstig geweest aan het door [bedrijf 2] uitgeoefende bedrijf en vielen binnen de invloedssfeer van [bedrijf 2] . [bedrijf 2] heeft de gedragingen aanvaard door actief te sturen op het uitvoeren van die gedragingen. Heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de onder 1 primair en onder 3 primair genoemde gedragingen. Nu komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling daarvan dient niet uitsluitend te worden betrokken de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van verdachte bij deze rechtspersoon en het gedrag dat verdachte heeft vertoond of nagelaten, op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. In strafbaar feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Daarvan is onder meer sprake als een persoon de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert of uitvoert dat hij er rekening mee houdt of dient te houden dat de deze werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de onder 1 primair en 3 primair genoemde gedragingen opzettelijk namens [bedrijf 2] heeft gedaan of laten verrichten. Verdachte was immers de stuwende kracht achter [bedrijf 2] . Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de bedenker was van de werkwijze van [bedrijf 2] en dat de wijze waarop de administratie van [bedrijf 2] werd gevoerd in nauw overleg met verdachte plaatsvond. Ook heeft verdachte de medewerkers van het [gezamenlijke bedrijven van verdachte] , die de onder feit 1 genoemde facturen hebben opgemaakt, aangestuurd. Verdachte was volgens getuigen nauw betrokken bij de totstandkoming van diverse onroerend goed transacties en de afwikkeling daarvan. Hij was bij meerdere transacties degene die voorstelde de koopprijs te verhogen met een provisiefactuur van [bedrijf 2] . Bovendien was verdachte gemachtigd over de bankrekening van [bedrijf 2] te beschikken. Het handelen van verdachte bestond uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt. Anders gezegd: verdachte was de verpersoonlijking van [bedrijf 2] . Verdachte heeft het uitvoeren van de onder 1 primair en 3 primair genoemde gedragingen geïnitieerd en daarbij een essentiële rol vervuld. De verboden gedragingen zijn daarnaast het onvermijdelijke gevolg geweest van het algemeen gevoerde beleid door [bedrijf 2] , waarvoor verdachte als enige verantwoordelijk was. Bovendien kwam het resultaat van de bewezenverklaarde gedragingen direct ten goede via [bedrijf 2] aan verdachte persoonlijk. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte voor de onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde gedragingen als feitelijk leidinggever moet worden aangemerkt. de slotconclusie Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven. de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging. Ter terechtzitting van 25 april 2024 heeft de verdediging omstandig het uitvoeren van diverse onderzoekswensen bepleit. Op die zitting heeft de rechtbank deze verzoeken afgewezen. In het pleidooi van 26 april 2024 heeft de verdediging deze verzoeken herhaald. Bij de beraadslaging in raadkamer is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden om op de beslissing, zoals deze ter terechtzitting van 25 april 2024 is gegeven, terug te komen. De rechtbank is van oordeel dat het uitvoeren van een of meer van de door de verdediging verzochte onderzoekswensen niet noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank blijft dan ook bij haar beslissing, gegeven op de terechtzitting van 25 april 2024, dat de door de verdediging gedane verzoeken tot het uitvoeren van onderzoekswensen worden afgewezen. De bewezenverklaring. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
- [bedrijf 1] , verder te noemen " [bedrijf 1] ", op tijdstippen in de periode van 20 juni 2006 tot en met 20 mei 2011in Nederland en/of in Cyprustelkens tezamen en in vereniging met anderen tien facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 1] , voorzien van de factuurnummers DW/2006/011 en DW/2006/012 en DW/2006/013 en DW/2006/014 en DW/2006/016 en DW/2007/019 en DW/2008/001 en DW/2008/002 en DW/2009/001 en DW/2011/001, zijnde die facturen voornoemd telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans valselijk heeft doen opmaken, telkens met het oogmerk om voormelde facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, hebbende [bedrijf 1] en haar mededader toen aldaar, telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die facturen voornoemd bedragen gefactureerd en vermeld of doen en/of laten factureren en/of doen en/of laten vermelden, telkens terzake aan de gefactureerde in rekening gebrachte courtage of provisie in verband met advisering en/of onderzoek en/of bemiddeling betrekking hebbend op de verkoop van het in die facturen vermelde object, zulks terwijl die advisering en/of dat onderzoek en/of die bemiddeling voornoemd in werkelijkheid telkens niet was verricht door [bedrijf 1] en die gefactureerde bedragen aan courtage en/of provisie telkens in werkelijkheid niet waren verschuldigd aan [bedrijf 1] , hebbende hij, verdachte, telkens feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen;
- verdachte op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 juni 2013 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Inkomstenbelasting/ Premie Volksverzekeringen over de jaren 2006 en 2007 en 2008 en 2009 en 2011 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiften Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over genoemde jaren telkens -zakelijk weergegeven- = in die aangifte voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2006 in de rubriek, onder meer bestemd voor het aangeven van salaris en/of loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, een totaalbedrag groot € 104.867,-- en in de rubriek onder meer bestemd voor het aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden niets opgegeven en in de rubriek bestemd voor het berekenen van het verzamelinkomen, een inkomen box 1 groot € 78.270,-- opgegeven = in die aangifte voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2007 in de rubriek, onder meer bestemd voor het aangeven van salaris en/of loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, een totaalbedrag groot € 96.990,-- en in de rubriek onder meer bestemd voor het aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden niets opgegeven en in de rubriek bestemd voor het berekenen van het verzamelinkomen, een inkomen box 1 groot € 69.060,-- opgegeven = in die aangifte voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2008 in de rubriek, onder meer bestemd voor het aangeven van salaris en/of loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, een totaalbedrag groot € 96.592,-- en in de rubriek onder meer bestemd voor het aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden niets opgegeven en in de rubriek bestemd voor het berekenen van het verzamelinkomen, een inkomen box 1 groot € 165.921,-- opgegeven = in die aangifte voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2009 in de rubriek, onder meer bestemd voor het aangeven van salaris en/of loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, een totaalbedrag groot € 96.553,-- en in de rubriek onder meer bestemd voor het aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden niets opgegeven en in de rubriek bestemd voor het berekenen van het verzamelinkomen, een inkomen box 1 groot € 133.863,-- opgegeven = in die aangifte voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2011 in de rubriek, onder meer bestemd voor het aangeven van salaris en/of loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, een totaalbedrag groot € 121.888,-- en in de rubriek onder meer bestemd voor het aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden niets opgegeven en in de rubriek bestemd voor het berekenen van het verzamelinkomen, een inkomen box 1 groot € 225.878,-- opgegeven, terwijl de feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
- [bedrijf 1] , verder te noemen " [bedrijf 1] ", op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 mei 2013 in Nederland en in Cyprus voorwerpen, te weten bedragen aan geld, telkens de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en voorwerpen, te weten bedragen aan geld, telkens heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en van voorwerpen, te weten bedragen aan geld, telkens gebruik heeft gemaakt, hebbende [bedrijf 1] toen aldaar telkens - zakelijk weergegeven - = bedragen aan geld tot een totaalbedrag groot € 6.079.451,-- ontvangen en voorhanden gehouden als gevolg van overboekingen op de bankrekening met [bankrekening van bedrijf 1] ten name van [bedrijf 1] , welke bedragen aan geld telkens betrekking hadden op een ogenschijnlijk legale betaling aan [bedrijf 1] van ten name van [bedrijf 1] verzonden facturen terzake zogenaamde courtage en/of provisie voor voorgewende advisering en/of onderzoek en/of bemiddeling in verband met de verkoop van he) in die facturen vermelde object en = zes bedragen aan geld tot een totaalbedrag groot € 290.364,32 overgeboekt, althans telkens doen of laten overboeken vanaf de bankrekening met nummer [bankrekening van bedrijf 1] ten name van [bedrijf 1] naar de bankrekening [bankrekening van verdachte 1] ten name van hem, verdachte, telkens terzake [naam 1] en/of [naam 2] en = een bedrag aan geld groot € 500.000,-- overgeboekt, althans doen of laten overboeken vanaf de bankrekening met nummer [bankrekening van bedrijf 1] ten name van [bedrijf 1] naar de bankrekening [bankrekening van verdachte 2] ten name van hem, verdachte onder vermelding van 'loan' en = een bedrag aan geld groot € 400.000,-- overgeboekt, althans doen of laten overboeken vanaf de bankrekening met nummer [bankrekening van bedrijf 1] ten name van [bedrijf 1] naar de [bankrekeningnummer van verdachte 3] ten name van hem, verdachte, onder vermelding van ' [naam 3] ' en = twee bedragen aan geld tot een totaalbedrag groot € 746.138,89 overgeboekt, althans doen of laten overboeken vanaf de bankrekening met nummer [bankrekening van bedrijf 1] ten name van [bedrijf 1] naar de bankrekening [bankrekening van persoon] ten name van [persoon] , telkens zonder omschrijving of mededeling, terwijl [bedrijf 1] telkens wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van het plegen van welke vorenomschreven misdrijven [bedrijf 1] een gewoonte heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Op de in de pleitnota genoemde gronden [punt 100] heeft de raadsman aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komen, deze feiten een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht [hierna: Sr.] opleveren. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Onder feit 1 acht de rechtbank het primair tenlastegelegde, feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift [art. 225 jo 47 en 51 Sr.], wettig en overtuigend bewezen. In artikel 225 Sr. staan twee rechtsbelangen centraal, te weten het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen en het voorkomen van [mogelijk] nadeel dat door de valsheid wordt geleden. Onder feit 2 acht de rechtbank belastingfraude wettig en overtuigend bewezen [art. 69 AWR]. Dit dient ter voorkomen van de heffing van te weinig belasting. Onder feit 3 acht de rechtbank het primair tenlastegelegde, feitelijk leiding geven aan gewoontewitwassen [art. 420ter jo 51 Sr.], wettig en overtuigend bewezen. Artikel 420ter Sr. beschermt de integriteit van het financiële en economische verkeer door tegen te gaan dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank beschermen deze feiten elk een ander rechtsbelang en zijn deze feiten daardoor niet gelijksoortig van aard. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank voorts vast dat de onder 1 primair, feit 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten niet het gevolg zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit en dat de periode, waarin die feiten zijn gepleegd van elkaar verschillen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer dat de onder 1 primair, feit 2 en 3 primair bewezenverklaarde feiten als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr. moeten worden gekwalificeerd. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop in de zin van artikel 57 Sr. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat alle onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, waarop een strafrechtelijk beslag rust aan verdachte kunnen worden teruggegeven. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvulling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte, mocht het tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten komen, een aanzienlijk lagere straf moet worden opgelegd dan de richtlijnen van de officier van justitie en de rechtbank voorschrijven. Verdachte is bereid en in staat om een taakstraf te verrichten. Het oordeel van de rechtbank. algemeen Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. de ernst van de bewezenverklaarde feiten Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Daarnaast heeft verdachte zich aan belastingfraude schuldig gemaakt. Gedurende een periode van meerdere jaren tussen 2006 en 2011 hebben bedrijven van het [gezamenlijke bedrijven van verdachte] , waarvan verdachte – grotendeels – eigenaar was, panden opgekocht in Duitsland. Bij de transactie van verschillende van deze panden zijn tien facturen toegevoegd van het Cypriotische bedrijf [bedrijf 2] , in acht gevallen gericht aan de verkopende partijen, zogenaamd voor bemiddeling bij de verkoop. Die facturen zijn in geen enkel geval door de verkopende partijen betaald. In plaats daarvan werd de verkoopprijs van de panden met het bedrag van de factuur opgehoogd en steeds vanuit de bedrijven uit het [gezamenlijke bedrijven van verdachte] overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf 2] op Cyprus. Daar heeft nooit een dienst van [bedrijf 2] tegenover gestaan. De facturen zijn door of in opdracht van [bedrijf 2] vervalst, verdachte was hiervan feitelijk leidinggevende. Door de valse facturen werd een – valse – grondslag gecreëerd om geld vanuit het [gezamenlijke bedrijven van verdachte] over te boeken naar [bedrijf 2] op Cyprus. Voor de Belastingdienst leek het alsof de geldbedragen met gegronde reden werden overgeboekt, waardoor over dat geld geen belasting betaald hoefde te worden. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat door de Belastingdienst in het bijzonder en in het maatschappelijk verkeer in zijn algemeenheid pleegt te worden gesteld in de juistheid van dergelijke documenten. Ook heeft verdachte opzettelijk onvolledig aangifte van inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2011 gedaan. De onjuistheid van deze aangiften bestond uit het niet opgeven van de bedragen die zijn overgeboekt naar [bedrijf 2] , feitelijk inkomsten van verdachte over die jaren. Daardoor heeft verdachte de Nederlandse Staat en daarmee de Nederlandse gemeenschap flink benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu door belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. Die gemeenschapsbelangen heeft verdachte door zijn handelwijze geschonden. Het geld dat is overgeboekt naar [bedrijf 2] , is vervolgens door verdachte vrijelijk besteed, terwijl dit geld door de voorafgaande valsheid in geschrifte en belastingontduiking een criminele herkomst had. Daarmee heeft verdachte zich gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan feitelijk leiding geven aan gewoontewitwassen. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de [criminele] herkomst van gelden worden verhuld. Door de vermenging van illegale met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. strafverzwarende omstandigheden De bewezenverklaarde feiten hebben zich in een periode van zeven jaren afgespeeld. Om die feiten te kunnen plegen heeft verdachte een vernuftige constructie opgezet die zich ook buiten de Nederlandse landsgrenzen heeft gemanifesteerd. In die periode heeft verdachte diverse andere personen bij zijn fraudeleuze handelingen betrokken. Verdachte was de stuwende kracht achter [bedrijf 2] . Door zijn handelwijze heeft verdachte de Nederlandse Belastingdienst voor miljoenen euro’s benadeeld. Ook heeft verdachte op geen enkel moment inzicht in het verwerpelijke karakter van zijn handelen getoond en heeft hij – ook ter zitting nog – ten onrechte volhard in zijn stelling dat zijn handelen binnen de grenzen van de wet heeft plaatsgevonden. strafmatigende omstandigheden Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 13 juli 2016, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. De redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg bedraagt in beginsel niet meer dan twee jaren. Gelet echter op de omvang en de complexiteit van deze strafzaak en het gegeven dat het onderzoek zich voor een deel buiten de Nederlandse landsgrenzen heeft voltrokken, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak de berechting in eerste aanleg binnen drie jaren gerechtvaardigd is. Deze zaak is voor de eerste keer aanhangig gemaakt tegen de zitting van 28 november
- Op die zitting is de behandeling aangehouden, omdat verdachte om gezondheidsredenen de reis vanuit zijn woonplaats in Dubai naar Nederland niet zou kunnen maken. Vervolgens is de zaak aangebracht tegen de zitting van 12 oktober
- Ook op die zitting is de behandeling van deze zaak aangehouden, nu omdat de toenmalige raadsman van verdachte enkele dagen voor die zitting de verdediging had neergelegd als gevolg van een ernstige vertrouwensbreuk met verdachte. De vertraging in de berechting van verdachte die na 28 november 2022 is opgetreden, komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening van verdachte. Een en ander betekent dat de rechtbank -gezien het feit dat tussen 13 juli 2016 en 28 november 2022 zo’n 6,5 jaren is verstreken- van oordeel is, dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in deze zaak met bijna 3,5 jaren is overschreden. De rechtbank zal bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houden met deze overschrijding. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren, zoals hierna zal worden vermeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voorts gebleken dat deze strafzaak en de nasleep daarvan grote persoonlijke gevolgen voor verdachte heeft gehad. Zijn relatie is stukgelopen, zijn omvangrijke vermogen is verdwenen en zijn maatschappelijke status is verloren gegaan. de strafmodaliteit Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf die langdurige vrijheidsbeneming van verdachte met zich meebrengt. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Indien deze strafzaak wel binnen redelijke termijn zou zijn berecht was oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden redelijk en billijk geweest. Gelet op de hiervoor genoemde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze gevangenisstraf matigen tot 24 maanden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. de conclusie Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Motivering van de beslissing op het beslag. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in het dictum nader te noemen op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen voorwerpen, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 47, 51, 57, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. DE UITSPRAAK De rechtbank: Verklaart de onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen, zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. medeplegen van valsheid in geschrift, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde feit. van het plegen van witwassen een gewoonte maken, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden [vierentwintig maanden]. Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Beslissing op de in beslag genomen voorwerpen Gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen voorwerpen, te weten: een blauwe ordner inhoudende een arbeidsovereenkomst DOC-344 1-6, omschrijving B2.01.04.007/6057292_45358, een zwarte ordner inhoudende een Duitse notaris akte/overeenkomst DOC-343 1-1, omschrijving B2.01.06.005/6057292_45374 en een zwarte ordner, omschrijving D.04.02.005/6057292_
- Dit vonnis is gewezen door: mr. A.C. Palmboom, voorzitter, mr. A.E. de Kryger en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden, in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier, en is uitgesproken op 24 mei
- Het aanvangsproces-verbaal AMB-001, Gefisnummer 57.292, opgemaakt en afgesloten op 30 mei 2016, pag. 106 t/m
- De volledige naam van [bedrijf 2] is [bedrijf 2] De oprichtingsakte van [bedrijf 2] [DOC-258a, pag. 2018 e.v.]