RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: SHE 24/2200 en SHE 24/2259 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2024 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen SHE 24/2200 [verzoeker] , verzoekster, [verzoeker] , verzoeker, en hun minderjarig kind [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2023, verblijvende te [woonplaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. P.A. Blaas), en SHE 24/2259 [verzoeker] , verzoekster, [verzoeker] , verzoeker, en hun minderjarig kind [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2023, verblijvende te [woonplaats] , verzoekers, (gemachtigde mr. P.A. Blaas), tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, het college, (gemachtigde mr. S. Cavdarci). SHE 24/2200 en SHE 24/2259 Inleiding en samenvatting
- Verzoekers hebben gevraagd om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft dit afgewezen. 1.
- Het college heeft deze aanvragen met de besluiten van 8 maart 2024 (verzonden op 12 maart 2024) afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. 1.
- De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 28 mei 2024 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker] en [verzoeker] , de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en S. Egei, tolk Engels met nummer
- 1.
- Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan in beide zaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers weliswaar niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet zelfredzaam zijn, maar dat het college de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen door te overwegen dat de kinderen in een pleeggezin kunnen worden geplaatst. 1.
- De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe in die zin dat het college aan verzoekers maatschappelijke opvang moet blijven bieden tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist. 1.
- Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Wat aan het verzoek om een voorlopige voorziening vooraf ging
- [verzoeker] ( [naam] ) is geboren op [geboortedatum] 1995 en [verzoeker] ( [naam] ) is geboren op [geboortedatum]
- Hierna worden zij ook wel genoemd: verzoeksters. Zij zijn zussen van elkaar en zijn met hun ouders in 1996 naar Nederland gekomen en in 2003 weer teruggekeerd naar Irak. De ouders zijn medio 2022 weer naar Nederland gekomen met twee minderjarige kinderen, en zijn in de woning getrokken die hun zoon huurde in Vught. Deze zoon was inmiddels ingetrokken bij zijn vriendin en heeft op enig moment de huur opgezegd. De ouders hebben bij hoge uitzondering een huurcontract gekregen voor de woning omdat hun gezin ook bestond uit twee minderjarige kinderen. 2.
- Omdat verzoeksters hoogzwanger waren, naar Nederland wilden komen en bij de ouders wilden gaan wonen hebben de ouders toestemming gekregen van de woningcorporatie dat zij zouden komen inwonen. Vervolgens zijn [naam] - in augustus 2023 - en [naam] - half september 2023 - naar Nederland gekomen en ingetrokken bij de ouders in Vught. 2.
- Het kind van [naam] is geboren op [geboortedatum] 2023 en het kind van [naam] op [geboortedatum] 2023 in ’s-Hertogenbosch. Zowel [naam] en [naam] als deze kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.
- In februari 2024 zijn de echtgenoten van verzoeksters ook naar Nederland gekomen en ingetrokken bij de ouders van verzoeksters. Zij hebben een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ingediend waardoor zij op dit moment tijdelijk verblijfsrecht hebben. 2.
- Dit betekent dat er nu drie gezinnen woonden op dat adres. De vader van verzoekster heeft de gezinnen van verzoeksters in maart 2024 uit de woning gezet. 2.
- Beide gezinnen hebben zich op 4 maart 2024 gemeld bij de gemeente Vught voor maatschappelijke opvang. Zij zijn tijdelijk voor de duur van 3 maanden in het kader van de aanvraag toegelaten tot de maatschappelijke opvang in het Verdihuis in Veghel. Die opvang wordt automatisch beëindigd op 4 juni
- 2.
- Het college heeft de aanvragen van verzoekers in het besluit van 8 maart 2024 afgewezen op grond van de verordening omdat de situatie waarin verzoekers zich bevinden voorzienbaar en vermijdbaar was. Verzoekers hadden de noodzaak tot opvang redelijkerwijs kunnen vermijden door huisvesting te regelen voordat zij naar Nederland emigreerden. De standpunten van partijen
- Verzoekers zeggen dat dat de situatie niet voorzienbaar en niet vermijdbaar was omdat niet voorzienbaar was dat hun vader hen op straat zou zetten. Het was ook niet vermijdbaar omdat niet verwacht kan worden dat zij met hun Nederlandse nationaliteit in Irak zouden blijven. Vanuit Irak is het feitelijk onmogelijk om woonruimte te vinden in Nederland. Nu hebben zij een bijstandsuitkering. Zij solliciteren volop en zijn druk met het zoeken van woonruimte. Urgentie voor een woning is geweigerd. In de particuliere sector wordt vaak een inkomen van driemaal de huur verlangd. Daarvoor hebben ze zolang ze geen baan hebben onvoldoende financiële middelen. Onder normale omstandigheden zijn verzoekers zelfredzaam. Zij zijn Europees staatsburger en hun pasgeboren kinderen kunnen zonder hun ouders hun grondrechten als in artikel 20 van het VWEU niet uitoefenen. Zonder woonruimte dreigen deze kinderen in een pleeggezin geplaatst te worden. Dit is in strijd met artikel 9 van het IVRK. Verzoekers hebben gevraagd de opvang te verlengen na 1 juni
- Omdat verzoekers al in de maatschappelijke opvang zijn toegelaten moeten de besluiten van 8 maart 2024 als een beëindiging van de opvang worden aangemerkt in plaats van als een afwijzing van de aanvraag. 3.
- Het college zegt in het verweerschrift dat verzoekers zelfredzaam zijn en de maatschappelijke opvang alleen bedoeld is voor mensen die dat niet zijn. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan omdat de Wmo voorziet in de opvang voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren. De toegang daartoe is echter beperkt tot kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen. Dat verzoekers geen toegang hebben tot de maatschappelijke opvang maakt niet dat zij de EU moeten verlaten. De maatschappelijke opvang is ook geen stabiele leefomgeving voor de kinderen. Daarom is er een pleeggezin aangeboden waar zij wel een stabiele leefomgeving heeft. Het oordeel van de rechtbank Zijn de echtgenoten ook betrokken in de besluiten?
- De besluiten van 8 maart 2024 vermelden alleen de namen van verzoeksters en hun kinderen, terwijl de verzoeken om een voorlopige voorziening ook zijn ingediend namens de echtgenoten. Het college heeft op zitting aangegeven dat de besluiten van 8 maart 2024 per abuis niet ook de echtgenoten van verzoeksters als aanvragers noemen. In deze procedures zijn dus ook de echtgenoten partij. Spoedeisend belang?
- De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan omdat vast staat dat de tijdelijke opvang op 4 juni 2024 eindigt. Gaat het om een beëindiging?
- De stelling dat de besluiten een beëindiging van de maatschappelijke opvang zijn in plaats van een afwijzing volgt de voorzieningenrechter niet. Op zitting is duidelijk geworden dat verzoekers zich hebben gemeld bij de gemeente Vught en dat de gemeente verzoekers daarop tijdelijk in de noodopvang heeft toegelaten. Daar ligt geen besluit aan ten grondslag. De toelating was in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar het recht op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Zelfredzaam?
- Om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo is vereist dat betrokkene niet zelfredzaam is. 7.
- Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. 7.
- Het gaat in deze zaak dus om de vraag of verzoekers in staat moeten worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijk hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. 7.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat nergens uit blijkt dat verzoekers niet zelfredzaam zijn. Er is geen sprake van medische of psychische problematiek, verzoekers zijn op eigen kracht uit Irak naar Nederland gekomen, zij hebben een bijstandsuitkering en de echtgenoten werken, zo is ter zitting meegedeeld. Zij hebben dus een inkomen om in hun levensonderhoud te voorzien. 7.
- Verzoekers voldoen dan ook niet aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang. Dat het door wachtlijsten niet lukt woonruimte te vinden wijst er evenmin op dat verzoekers door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet zelf in onderdak hebben kunnen voorzien. Dit wijst veeleer op schaarste op de woningmarkt. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. Het is immers voor veel mensen in Nederland moeilijk om een (betaalbare) woonruimte te vinden. De maatschappelijke opvang is echter niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden (zie bijvoorbeeld CRvB 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446 en ECLI:NL:CRVB:2019:3447). Verzoekers beschikten in Irak bovendien over een verblijfplaats en niet is gesteld of gebleken dat zij daar niet over een sociaal netwerk beschikten. IVRK: De rechten van het kind
- Verzoekers stellen dat het college door de weigering om maatschappelijke opvang te verstrekken artikel 9 van het IVRK schendt omdat de kinderen dan in een pleeggezin worden geplaatst.
- Uit de rechtspraak van de CRvB blijkt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, volgens de rechtspraak van de CRvB geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter, aldus nog steeds de CRvB, in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft volgens vaste rechtspraak van de CRvB een terughoudend karakter.
- Artikel 9, eerste lid van het IVRK luidt als volgt: De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
- Uit de gedingstukken en wat het college op zitting heeft gezegd blijkt dat het college vindt dat ze met de belangen van het kind rekening hebben gehouden. En wel in die zin dat de kinderen met medewerking van het Netwerk Opvang en Wonen in een pleeggezin worden geplaatst als de ouders de crisisopvang moeten verlaten en de kinderen dan geen onderdak zouden hebben. Artikel 9 van het IVRK zegt echter dat de staat moet waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders. Plaatsing in een pleeggezin betekent duidelijk dat de kinderen worden gescheiden van de ouders. Dat is echter verboden op grond van artikel 9 van het IVRK. Ook het college heeft wel toegegeven dat nu zo onder ogen te zien.
- Omdat de belangen van de kinderen verder niet zijn meegewogen dan plaatsing in een pleeggezin, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.
- De besluiten van 8 maart 2024 waarin de maatschappelijke opvang is afgewezen zullen zoals het er nu naar uit ziet met de motivering die daarin nu is gegeven, naar verwachting in bezwaar niet in stand kunnen blijven.
- De voorzieningenrechter kan nog niet zeggen wat de uitkomst van het op de juiste wijze meewegen van de belangen van het kind door het college zal zijn. Of dat moet leiden tot toewijzing of het in stand laten van de afwijzing. Maar gelet op de belangen van verzoekers ziet de voorzieningenrechter reden om in afwachting van een beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
- De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dan ook toe, en bepaalt dat het college aan verzoekers maatschappelijke opvang moet blijven bieden tot twee weken na de beslissing op bezwaar.
- Verder zal de voorzieningenrechter het college veroordelen in de kosten die verzoekers hebben moeten maken voor de behandeling van het verzoek. De voorzieningenrechter stelt deze kosten vast op in totaal € 2.625,- (tweemaal een punt voor het indienen van een verzoekschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Ook moet het college het griffierecht in beide zaken van € 51,- aan verzoekers vergoeden.
- Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing SHE 24/2200 en SHE 24/2259 De voorzieningenrechter: - wijst de verzoeken toe in die zin dat het college aan verzoekers maatschappelijke opvang moet blijven bieden tot twee weken nadat op de bezwaren tegen de besluiten van 8 maart 2024 is beslist; veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers voor beide zaken samen van totaal van € 2.625,-; bepaalt dat het college het griffierecht in elke zaak van € 51,- aan verzoekers vergoedt. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2024 door mr. J.L.M. Dohmen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Verdrag inzake de rechten van het kind artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 mei 2021; CRVB ECLI:NL:CRVB:2021:1339