vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01.019777.21 Datum uitspraak: 18 juli 2024. Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1971] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te: P.I. Nieuwegein. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 januari 2023, 25 april 2023, 11 juli 2023, 3 oktober 2023, 11 en 12 oktober 2023, 15 november 2023, 7 februari 2024, 21 februari 2024, 10 april 2024, 21, 22, 23, 27, 28, 30 mei 2024, 3, 4, 6, 10, 11 juni 2024 en 11 juli 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. 1De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 december 2022. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 oktober 2023 en 11 juni 2024 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: T.a.v. feit 1: Zaaksdossier 2.3 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 maart 2020 tot en met 24 december 2020 te Someren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en metamfetamine , (elk) een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 ahf/ond B Opiumwet, art. 2 ahf/ond C Opiumwet) T.a.v. feit 2: Zaaksdossier 2.9 hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2020 tot en met 24 december 2020 op / in een perceel gelegen aan de [adres 2] in de gemeente Someren, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, zich heeft/hebben ontdaan van (vloeibare) chemische afvalstoffen (die zijn gebruikt ten behoeve van de productie van synthetische drugs) door deze - al dan niet in verpakking- buiten een inrichting te storten, anderszins op en/of in de bodem te brengen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)deze chemische afvalstoffen via een afvoerleiding geloosd in drie in de bodem ingegraven IBC-vaten waarvan de bodem was geperforeerd; T.a.v. feit 3: Zaaksdossier 2.3 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 25 februari 2021 te Neerkant, gemeente Deurne, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende amfetamine en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en metamfetamine (elk) een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 ahf/ond B Opiumwet, art. 2 ahf/ond C Opiumwet) T.a.v. feit 4: Zaaksdossier 2.14 hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juli 2020 tot en met 25 februari 2021 op / in een perceel gelegen aan de [adres 3] te Neerkant, gemeente Deurne, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, zich heeft/hebben ontdaan van (vloeibare) chemische afvalstoffen (die resteerden na de productie van synthetische drugs) door deze - al dan niet in verpakking- buiten een inrichting te storten, anderszins op en/of in de bodem te brengen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)deze chemische afvalstoffen via een afvoerleiding geloosd in twee in de bodem ingegraven IBC-vaten waarvan de bodem was geperforeerd; T.a.v. feit 5: Zaaksdossier 2.12 ( Burkel , Peer) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2022 tot en met 22 juni 2022 te Peer (België), in een pand gelegen aan de [adres 4] , meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 ahf/ond B Opiumwet, art. 2 ahf/ond C Opiumwet) T.a.v. feit 6: Zaaksdossier 2.12 ( Burkel , Peer) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2022 tot en met 22 juni 2022 te Peer (België) en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, in een pand gelegen aan de [adres 4] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDMA en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een of meer ander(
- en)gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft/hebben getracht te verschaffen en/of - voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(
- s)- een loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 4] te Peer (België) gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of - aanpassingen/verbouwingen aan de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 4] te Peer (België) aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of de inrichting van de productieruimte(
- n)en/of - in het kader van voornoemde activiteit(
- en)met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of afspraken gemaakt en/of - in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 4] te Peer (België), (een) productieopstellingen ten behoeve van de productie van MDMA en/of amfetamine voorhanden gehad en/of - in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 4] te Peer (België), (een) hoeveelhe(i)d(
- en)(laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: een of meerdere waterstofgasflessen en/of bidons (jerrycans) en/of emmers en/of een IBC en/of kookpotten en/of een drukreactieketel en/of diepvrieskisten en/of temperatuur meettoestellen en/of - in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 4] te Peer (België) (een) grote hoeveelhe(i)d(
- en)chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: zoutzuur en/of aceton en/of PMK olie en/of caustic soda en/of PMK-olie en/of PMK-ethyglycidaat en/of PMK-methyglycidaat; T.a.v. feit 7: Zaaksdossier 2.12 (onderzoek Tiffany, lab te Lottum) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juni 2022 tot een met 16 juni 2022 te Lottum, gemeente Horst aan de Maas, in een pand gelegen aan [adres 5] , meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)(te weten ongeveer 154,62 kilogram MDMA-olie en/of 17,22 kilogram MDMA-pasta) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art. 2 ahf/ond B Opiumwet, art. 2 ahf/ond C Opiumwet) T.a.v. feit 8: Zaaksdossier 2.12 (onderzoek Tiffany, lab te Lottum) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 mei 2022 tot een met 16 juni 2022 te Lottum, gemeente Horst aan de Maas en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, in een pand gelegen aan [adres 5] te Lottum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDMA en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een of meer ander(
- en)gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft/hebben getracht te verschaffen en/of - voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(
- s)- een loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 5] te Lottum, gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of - aanpassingen/verbouwingen aan de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 5] te Lottum, aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of de inrichting van de productieruimte(
- n)en/of - in het kader van voornoemde activiteit(
- en)met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of (een) afspra(a)k(
- en)gemaakt en/of - grondstoffen en/of chemicaliën en/of (laboratorium)benodigdheden geregeld en/of besteld en/of ter beschikking (laten) gesteld/stellen en/of opgehaald en/of geleverd bij de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 5] te Lottum en/of - in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 5] te Lottum, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)(laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere
(2)rvs drukreactieketels en/of één of meerdere RVS pan(nen) en/of een destillatieopstelling en/of één of meerdere
(10)waterstofgascilinders en/of - in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 5] te Lottum, (een) grote hoeveelhe(i)d(
- en)chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: PMK glycidezuur en/of BMK glycidezuur en/of dichloormethaan en/of natriumboorhydride en/of platinaoxide en/of methylamine in methanol en/of methanol en/of aceton en/of zoutzuur en/of caustic soda; T.a.v. feit 9: hij in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 17 oktober 2022 in Eindhoven en/of in (een) (andere)plaats(
- en)in Nederland, althans in Nederland, en/of in België heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte en/of - [medeverdachte 1] - [medeverdachte 2] - [medeverdachte 3] - [medeverdachte 4] - [medeverdachte 5] - [medeverdachte 6] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 en/of 10a van de Opiumwet zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was; ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 11b lid 1 Opiumwet, art 2 ahf/ond D Opiumwet ) Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 2De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. 3De bewijsvraag. 3.1 Inleiding. Op 24 november 2020 werd naar aanleiding van informatie die werd verkregen van het Team Criminele Inlichtingen een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Baraga. Onderzoek Baraga richtte zich op de productie van en/of handel in (grondstoffen voor) synthetische drugs en deelneming aan een criminele organisatie. Bij de start van het onderzoek kende Baraga een beperkt aantal verdachten, waaronder [verdachte] (geboren [1971] ), diens zoon [medeverdachte 1] (geboren [1996] ) en diens zwager [medeverdachte 7] (geboren [1972] ). Omdat tijdens het onderzoek bleek dat [verdachte] en [medeverdachte 7] grotendeels gescheiden van elkaar opereerden werd tegen de laatste een afzonderlijk onderzoek gestart met de naam Grummor. Hoewel de feiten uit beide onderzoeken gelijktijdig door het openbaar ministerie in één dagvaarding aanhangig zijn gemaakt, heeft de rechtbank ter zitting de behandeling van die onderzoeken gesplitst. Dit vonnis ziet dus enkel op het onderzoek Baraga. Gedurende het onderzoek kreeg het onderzoeksteam de beschikking over onderzoeksgegevens uit andere, al dan niet lopende, opsporingsonderzoeken en over data van meerdere cryptocommunicatiediensten (EncroChat, SkyECC en ANØM). Daarnaast werd gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden zoals telefoontaps, observaties en het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) op meerdere locaties dan wel in voertuigen. Tijdens het onderzoek is hierdoor een groot aantal andere personen in beeld gekomen, die of samen met (een van) de hoofdverdachten, danwel in (diens) opdracht of in wisselende samenstelling(
- en)met een ander of anderen strafbare feiten hebben gepleegd. De diverse verdachten konden worden gekoppeld aan acht drugslaboratoria in Nederland en België waar synthetische drugs konden worden geproduceerd (al dan niet in opbouw, actief of voormalig) en aan opslaglocaties die hier verband mee hielden. Na een looptijd van bijna twee jaar heeft het onderzoek geleid tot actiedagen op 17 en 18 oktober 2022, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal woningen van de verdachten is doorzocht en een hoeveelheid goederen in beslag is genomen. Ook nadien hebben er nog aanhoudingen plaatsgevonden. Onderzoek Baraga heeft uiteindelijk geleid tot verdenkingen tegen de zestien verschillende verdachten. De verdenking Het onderzoek heeft tot de verdenking geleid dat verschillende misdrijven zijn gepleegd. Kort weergegeven zijn de volgende feiten ten laste gelegd: het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (met)amfetamine en/of MDMA als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet; het (mede)plegen van de productie van (met)amfetamine en MDMA op verschillende locaties; deelname aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet, al dan niet als leider; het voorhanden hebben van (een of meerdere) vuurwapen(s). Het verschilt per verdachte welke feiten precies ten laste zijn gelegd. De locaties Aan de verdachten/de criminele drugsorganisatie wordt een aantal locaties gekoppeld, te weten (kortgezegd): een loods aan de [adres 2] te Someren waar op 24 december 2020 een laboratorium is aangetroffen voor de productie van amfetamine; een loods aan de [adres 3] te Neerkant waar op 25 februari 2021 een in werking zijnd laboratorium is aangetroffen voor de productie van amfetamine; een gebouw aan de [adres 6] te Oud-Turnhout (België), waar in oude paardenboxen op 28 juni 2021 een ontmantelde productielocatie voor de productie van (met)amfetamine en MDMA is aangetroffen; een schuur aan de [adres 7] te Merksplas (België), waar op 24 juni 2021 een laboratorium is aangetroffen voor de productie van metamfetamine; een schuur aan de [adres 8] te Peer (België) waar op 25 november 2021 een laboratorium is aangetroffen voor de productie van MDMA; een loods aan de [adres 5] te Lottum, waar op 16 juni 2022 een in werking zijn laboratorium voor de productie van MDMA c.q. metamfetamine is aangetroffen; een loods op een verlaten NATO-terrein aan de [adres 4] te Peer (België) waar op 22 juni 2022 een in werking zijnd laboratorium voor de productie van MDMA is aangetroffen; een loods aan de [adres 9] te Oeffelt waar op 17 oktober 2022 een drugslaboratorium in opbouw is aangetroffen; een bedrijfsruimte aan de [adres 10] te Helmond; een bedrijfsruimte aan de [adres 11] te Eindhoven. Het strafdossier Het einddossier Baraga bevat een algemeen dossier, de persoonsdossiers ten aanzien van de verdachten, de afzonderlijke zaaksdossiers en een aantal aanvullingen hierop in de vorm van losse processen-verbaal. Ook zijn er BOB-stukken, een beslagdossier en duidingsstukken met betrekking tot de cryptocommunicatiediensten. De rechtbank is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de ten laste gelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaaksdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder ten laste gelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Opbouw vonnis De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de verweren aangaande de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van bewijsmateriaal afkomstig uit ontsleutelde cryptocommunicatie, gevolgd door de identificaties en enkele algemene overwegingen. Vervolgens zal de rechtbank de afzonderlijke verdenkingen jegens de verdachten en de hier door de verdediging tegenin gebrachte verweren per zaaksdossier bespreken, gevolgd door de beslissing over (voor zover aan de orde) de vorderingen benadeelde partij en de straftoemeting. Bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting steeds de feiten en omstandigheden vast. In de voetnoten in het vonnis zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen. Omdat het einddossier van onderzoek Baraga geen doorlopende paginanummering kent en er bij de nummering van de zaaksdossiers per abuis hetzelfde nummer is toegekend aan zowel zaaksdossier Peer Burkel als zaaksdossier Lottum, worden in de voetnoten behalve de betreffende paginanummers telkens ook de naam en het nummer van het zaaksdossier vermeld. De rechtbank houdt met betrekking tot de zaaksdossiers de nummering uit de los verstrekte inhoudsopgave aan en de paginanummering zoals rechtsboven op de stukken staat vermeld. Dit geldt niet voor de aanvullingen die onoverzichtelijk zijn genummerd, daar handelt de rechtbank naar bevind van zaken. Verwijzing samengevatte weergave In het dossier worden berichten en gesprekken in voorkomende gevallen in samenvattende vorm weergegeven en geïnterpreteerd. Voor zover de rechtbank in haar overwegingen naar die weergave verwijst, heeft de rechtbank de samenvattende inhoud van de berichten of gesprekken gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken (volledige weergaven) van die berichten gesprekken en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. De rechtbank volstaat in die gevallen dan ook met de samenvattende weergave en interpretatie van de berichten en gesprekken. 3.2 De rechtmatigheidsverweren. Het standpunt van de verdediging. Door mr. Poppelaars is verweer gevoerd tegen de bruikbaarheid van alle in het dossier beschikbare cryptodata, te weten de data van de diensten EncroChat, SkyECC en ANØM. Door verschillende raadslieden is bij dit verweer aangesloten of verweer met dezelfde strekking gevoerd. Door mr. Kuijpers is ook gewezen op een zaak die aanhangig is bij het Hof Arnhem-Leeuwarden waarin werd gesproken over het inzetplan van onderzoek 13Werl. Hij heeft bepleit rekening te houden met de eventuele beslissingen van het hof in die zaak en naar aanleiding daarvan mogelijk het onderzoek te heropenen. Het verweer van mr. Poppelaars komt op het volgende neer. Onderzoekswensen De verdediging wijst op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372) en benadrukt dat uit dit arrest blijkt dat het Unierecht in Nederland onjuist is toegepast. De kaders met betrekking tot het toepassen van Unierecht door nationale rechters worden vervolgens geschetst. Geconcludeerd wordt dat wanneer de beginselen van het Unierecht niet in acht worden genomen, er sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Het Unierecht wordt genegeerd en verkeerd geïnterpreteerd door de nationale rechters. Dit blijkt onder meer uit de voorlopige beslissing van deze rechtbank van 21 mei 2024 tot afwijzing van de onderzoekswensen met betrekking tot dit onderwerp. Dit negeren en verkeerd interpreteren van Unierecht levert een schending van het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) op. Specifiek met betrekking tot de ANØM-data voert de verdediging aan dat de informatieverstrekking over de interceptie en verwerking niet voldoet. Hierdoor is sprake van strijdigheid met het beginsel van equality of arms. Door de gebrekkige informatiepositie ontbreekt daarnaast een effective remedy voor de verdediging. De constructie die internationaal is opgezet met betrekking tot de dienst ANØM leidt bovendien tot omzeiling van recht, nu in ieder geval vastgesteld kan worden dat het derde land geen kennisgeving heeft gestuurd naar de landen waarin de gebruikers communiceerden. Het gebruik van de ANØM-data is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM. De verdediging concludeert op basis van het bovenstaande dat zij thans onvoldoende is geïnformeerd en voert aan dat het, gelet op de verplichtingen in het effectief bestraffen van misdrijven die de rechtbank heeft, is aangewezen dat eerst wordt getracht de informatiepositie volledig te krijgen. In dat kader doet de verdediging de navolgende verzoeken; Onderzoek naar de vraag waarom de VS een derde land hebben aangezocht om de iBot-server te plaatsen en de onderschepping van de ANØM-data daar feitelijk te laten plaatsvinden; Onderzoek naar de vraag welk land het onbekende derde EU-land betreft dat de interceptie van de ANØM-data van gebruikers in Nederland heeft verricht; Verstrekking van rechterlijke machtigingen, alsmede de vorderingen en stukken ter onderbouwing daarvan, afkomstig uit het onbekende land, hetgeen ten grondslag ligt aan de interceptie van de ANØM-data van gebruikers in Nederland; Verstrekking van informatie over de deelname van de Nederlandse autoriteiten aan OTF Greenlight c.q. Trojan Shield, waarbij wordt toegelicht wat de rol, verantwoordelijkheden en opsporingshandelingen exact inhielden; Dat wordt bepaald dat de Fransen voorzien in een kennisgeving als bedoeld in art. 31 richtlijn 2014/41 (hierna: de EOB-richtlijn) zoals zij dit hadden moeten doen voorafgaand aan de interceptie van de EncroChat- en SkyECC-data; Dat wordt bepaald dat het OM al dan niet via Europol of Eurojust het onbekende derde land wijst op haar verplichting een kennisgeving te sturen en verzoekt hieraan alsnog te voldoen. Rechtmatigheid In het kader van de rechtmatigheid van de intercepties wijst de verdediging andermaal op het arrest van het HvJ EU van 30 april 2024 voornoemd. Uit dit arrest blijkt dat de Hoge Raad in de beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) onjuist heeft overwogen dat de EOB-richtlijn beperkt is tot de inzet van bevoegdheden als genoemd in de artikelen 126m en 126t Sv. Ook is onjuist overwogen dat hetgeen is bepaald in artikel 31 van de EOB-richtlijn niet is geschreven ter bescherming van specifieke belangen van de af te tappen of afgetapte persoon, maar verband houdt met de soevereiniteit van de betrokken landen. Dit artikel beoogt wel degelijk de bescherming van de rechten van de betrokken personen. Dit maakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geen rol speelt. De juridische toets in andere landen is irrelevant omdat de rechtsbescherming in Nederland ligt. De verdediging betoogt in dat kader dat zowel de interceptie als de verwerking van de data inbreuken zijn op Europese rechten van de verdachte, zoals bepaald in 8 van het EVRM en de artikel 7, 8 en 52 van het Handvest van grondrechten van de EU (hierna: het Handvest). Dit is uitsluitend geoorloofd in afgebakende situaties indien daar een adequate wettelijke grondslag voor is en er noodzaak toe is. Dit baseert de verdediging mede op jurisprudentie van het HvJ EU en het EHRM. De verdediging constateert vervolgens achtereenvolgens dat: er telkens voor de inbreuken op de rechten van de verdachte geen deugdelijke wettelijke grondslag was; als die er wel was: er door het ontbreken van kennisgevingen geen toetsing is geweest van de belangen van Frankrijk aan Nederlandse wettelijke bepalingen, waardoor de machtigingen niet voldoen; de machtigingen ook niet voldoen omdat er niet voldaan is aan het vereiste van een wettelijke grondslag, er geen beperking is van de reikwijdte van de machtiging en er geen sprake is van misdrijven verband houdende met een terroristische dreiging; en bij ANØM een machtiging van een rechter-commissaris geheel ontbreekt en de doelstelling van bestrijding van zware criminaliteit niet de (live-)interceptie rechtvaardigt. Met betrekking tot de verwerking van de verkregen data baseert de verdediging zich ook op Europees recht. Kort gezegd komt het standpunt erop neer dat de normen zoals geïncorporeerd in de Nederlandse wetgeving zich met betrekking tot deze materie niet verhouden met de kaders in de Europese jurisprudentie. Ten aanzien van de EncroChat en de SkyECC voldoen de machtigingen van de rechter-commissaris niet, nu er bijvoorbeeld geen bewaartermijn is gegeven en gegevens gedeeld kunnen worden met andere instanties. Met betrekking tot ANØM is volstrekt onduidelijk welke verwerking heeft plaatsgevonden, zodat niet kan worden vastgesteld dat normconform is gehandeld. Tot slot leidt onrechtmatigheid van de interceptie van de gegevens automatisch tot onrechtmatigheid van de verwerking ervan. Rechtsgevolgen De verdediging concludeert dat met de interceptie en de verwerking van de data is gehandeld in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM, waardoor de data van het bewijs uitgesloten moet worden. Als geoordeeld wordt dat sprake is van schending van enkel artikel 8 EVRM, dan dient eveneens bewijsuitsluiting plaats te vinden. Subsidiair dient strafvermindering van 50% te volgen. Bewijsuitsluiting van de data moet leiden tot uitsluiten van de bevindingen uit het nadere onderzoek dat is ingezet naar aanleiding van de inhoud van de data, waarbij vooral wordt gewezen op de opnames van vertrouwelijke communicatie (OVC’s). Voorwaardelijk verzoek Indien de rechtbank niet tot bovenstaande conclusies komt doet de verdediging een verzoek tot het stellen van de navolgende prejudiciële vragen aan HvJ EU door de rechtbank: 1. Kunnen de juridische kaders als geschetst in de jurisprudentiële lijn vanaf het Digital Rights arrest worden geëxtrapoleerd naar verwerkingen die niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58 vallen en zo ja, onder welke voorwaarden? 2. Volstaan art. 126m, 126nba, 126t en 126uba Sv als wettelijke grondslag voor de interceptie van zowel de communicatie als verkeers- en locatiegegevens van alle gebruikers van een elektronische communicatiedienst, in het geval die elektronische communicatiedienst wordt verdacht van strafbare feiten omdat de dienstverlening zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten? 3. Kan de interceptie en verwerking van communicatie en locatie- en verkeersgegevens van alle gebruikers van een verdachte elektronische communicatiedienst ten behoeve van de opsporing, vervolging en bestraffing van ernstige strafbare feiten worden gerechtvaardigd in het licht van art. 7 en 8 jo. 52 lid 1 Handvest? Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft onder verwijzing naar voornamelijk nationale jurisprudentie betoogd dat de rechtmatigheidsverweren van de verdediging afgewezen dienen te worden, omdat zij reeds afstuiten op het vertrouwensbeginsel. Tevens dienen volgens het Openbaar Ministerie de onvoorwaardelijk ingediende onderzoekswensen afgewezen te worden, omdat de verdediging deze formuleert teneinde de rechtmatigheid van de operaties te betwisten, terwijl uit al het voorgaande juist volgt dat gelet op het vertrouwensbeginsel uitgegaan dient te worden van de rechtmatigheid van de verkrijging van de betreffende gegevens. Ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek zijn de officieren van justitie van mening dat de beantwoording van deze vragen niet relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Het oordeel van de rechtbank. Hieronder zal de rechtbank de verweren bespreken, waarbij eerst zal worden ingegaan op het arrest van het HvJ EU van 30 april jl. De rechtbank zal daarbij dieper op de materie ingaan dan zij eerder ten tijde van de eerste zittingsdag van de inhoudelijke behandeling – 21 mei 2024 – deed. De rechtbank merkt op dat gelet op de aard van de materie niet geheel kan worden voorkomen dat in dit vonnis tevens gebruik wordt gemaakt van de Engelse taal. Arrest HvJ EU 30 april 2024, ECLI:EU:C:2024:372 In een zaak betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) in een strafprocedure heeft het Hof bovengenoemd arrest gewezen. In die zaak heeft het parket-generaal Frankfurt de Franse autoriteiten in het kader van de UJsprocedure door middel van een eerste Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) verzocht om toestemming voor het onbeperkte gebruik van de gegevens van de EncroChat-dienst in strafprocedures. Er zijn prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van de EOB-richtlijn. Uit dit arrest (antwoord 3) volgt dat de EncroChatdata afkomstig uit het Franse onderzoek vallen onder de werking van de EOB-richtlijn (Artikel 31 van richtlijn 2014/41moet aldus worden uitgelegd dat een op de infiltratie van eindapparatuur betrekking hebbende maatregel voor de vergaring van verkeers-, locatie‑ en communicatiegegevens van een internet-gebaseerde communicatiedienst een „interceptie van telecommunicatie” in de zin van dat artikel is en ter kennis moet worden gebracht van de autoriteit die daartoe is aangewezen door de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt. Indien de intercepterende lidstaat niet in staat is te achterhalen wie de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat is, kan die kennisgeving worden gericht aan elke autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat die de intercepterende lidstaat daartoe geschikt acht.). Omdat de SkyECC-data in dezelfde categorie gegevens vallen en deze gegevens eveneens vanuit Frankrijk zijn gedeeld, geldt deze vaststelling onverkort voor de SkyECC-data. Of en hoe dit arrest betekenis heeft voor de ANØM-data zal hieronder bij het kopje ANØM worden besproken. In haar eerdere voorlopige oordeel op de door de verdediging geuite onderzoekswensen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat Nederland al geruime tijd op de hoogte was van het onderwerp en het doel van de interceptie. Dit gold voor zowel EncroChat als SkyECC. De rechtbank zal hier nu per dienst dieper op in gaan. Daarbij zal zij haar bronnen voor het gemak van de lezer vermelden in voetnoten (hierbij wordt per dienst de PDF-nummering van de duidingstukken gebruikt). EncroChat Uit het proces-verbaal LERDB20001-6 van onderzoek 26Lemont d.d. 13 maart 2020, zoals ‘gezwart’ verstrekt, en de daarbij behorende bijlagen volgt dat er op 10 februari 2020 onder gezag van de zogenoemde Lap-officieren van justitie een opsporingsonderzoek is gestart onder de naam 26Lemont. Dit onderzoek kwam blijkens dat proces-verbaal voort uit een langer lopend onderzoek genaamd 26Bismarck. In dit proces-verbaal staat ook vermeld dat in 26Lemont middels een (nog te sluiten) JIT-overeenkomst samengewerkt wordt met de Franse autoriteiten. Er werd in dit proces-verbaal van de Rotterdamse rechter-commissaris gevorderd dat een machtiging zou word verleend en te bevelen dat de geautomatiseerde werken door de Franse politie wordt binnengedrongen. De ‘gezwarte’ beschreven methode zou worden ingezet door de Franse politie en voor de inzet daarvan zou de Franse politie gebruikmaken van een gelijksoortige bevoegdheid aan de bevoegdheid van artikel 126uba Sv. Op 16 maart 2020 hebben de officieren van justitie een aanvraag 126uba Sv met begeleidend schrijven verzonden aan de rechter-commissaris. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris te Rotterdam een machtiging verstrekt aan de officier van justitie. Op 1 april 2020 is door de Franse politie gestart met de uitvoering van het door de Franse onderzoeksrechter gegeven bevel. Op basis van de stukken in dit dossier staat vast dat er op enig moment een Joint Investigation Team (hierna: JIT)-overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk tot stand is gekomen. Dit werd in voornoemd proces-verbaal van 13 maart 2020 reeds door de Nederlandse politie aangekondigd, de samenwerking viel onder een JIT en de overeenkomst moest nog gesloten worden. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse autoriteiten op 13 maart 2020 dus op de hoogte waren van de ophanden zijnde interceptie en dat samengewerkt werd met de Franse opsporingsautoriteiten. De redenering van de verdediging dat de interceptie niet binnen het JIT heeft plaatsgevonden en dat daarom de EOB-richtlijn van toepassing is op de Nederlandse situatie is in de context van deze voorafgaande aan de interceptie bestaande samenwerking niet begrijpelijk. Op basis van artikel 3 van de EOB-richtlijn omvat een EOB alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam. Nu van dat laatste al in aanloop naar de interceptie sprake was, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat sprake was van een situatie waarin een EOB vereist was. Dat maakt dat de EOB-richtlijn niet van toepassing is op de verkrijging van de EncroChat-data. SkyECC In de brief van 30 april 2021 van het Landelijk Parket in de zaak Argus staat dat de met vervolging belaste autoriteiten in Frankrijk, België en Nederland per 13 december 2019 een JIT hebben opgericht. Het doel van het JIT was vanaf dat moment het gezamenlijk onderzoeken van de verdenkingen tegen SkyECC, haar bestuurders en werknemers, alsmede onderzoek naar de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van SkyECC voor het plegen en/of voorbereiden van hun strafbare feiten. Vanuit het Nederlandse OM is het onderzoek Werl in het JIT ingebracht. Vanuit het Franse onderzoek zijn alle gegevens die zijn verkregen door de inzet van de interceptietool door Frankrijk gedeeld binnen het JIT. Vanaf 15 februari 2021 is binnen het JIT gestart met het actueel meelezen van een gedeelte van het berichtenverkeer tussen gebruikers van SkyECC. De rechtbank constateert dat zowel de verkrijging als de verwerking van deze data onder de JIT overeenkomst van 13 december 2019 vallen. Daaruit volgt dat de EOB-richtlijn, op grond van artikel 3 van die richtlijn, ook hier geen toepassing heeft. ANØM & het derde land Omdat de verdediging stelt dat het onbekende derde EU-land een kennisgeving op basis van de EOB-richtlijn had moeten sturen, zal de rechtbank aandacht besteden aan de omstandigheden aangaande het derde land in relatie tot ANØM. De rechtbank merkt op dat in de verschillende stukken waar naar wordt verwezen ANØM op verschillende manieren wordt geschreven. De rechtbank zal de schrijfwijze blijven hanteren zoals zij deze eerder heeft gehanteerd. Uit de brief van 11 juni 2021 van het Landelijk Parket in de zaak 26Eagles volgt dat de Amerikaanse autoriteiten beschikking hebben over en toegang hebben tot telecommunicatiedata uit een netwerk van zogenaamde crypto-telefoons. Op 23 maart 2021 hebben de Amerikaanse autoriteiten gemeld dat er ongeveer 530 crypto-telefoons in Nederland gelokaliseerd zijn. Zij kunnen data ontvangen en analyseren van deze telefoons. Elk van die telefoons wordt gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten. In het document Operatie Trojan Shield Technische details d.d. 31 augustus 2021 staat vermeld dat in oktober 2019 door de rechtshandhavingsinstanties van een derde land een server is ingesteld voor het verzamelen van de bcc’s van berichten die naar de "bot"-spookgebruiker werden gestuurd, zoals vermeld in appendix A.8 -59. Deze server was eigendom van en werd geëxploiteerd en onderhouden door het derde land tot het einde van de operatie. Een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (MLAT) maakte de overdracht van gegevens uit het derde land mogelijk, elke maandag, woensdag en vrijdag. Er werd door het derde land een proces ontwikkeld en geleverd om alleen nieuwe gegevens te verkrijgen.Op de server van het derde land werden de gegevens bij ontvangst gedecodeerd in tijdelijke opslag (RAM) en de gegevens werden opnieuw gecodeerd met een combinatie van RSA asymmetrische codering en AES symmetrische codering voordat ze naar schijf werden geschreven. Er werd geen platte tekst opgeslagen op de server van het derde land. De privésleutel voor het decoderen (met betrekking tot RSA) werd opgeslagen op de |1-server binnen AWS GovCloud.Het derde land voerde handmatig een programma uit voor de verwerking van de nieuwe gegevens, zoals beschreven.Elke maandag, woensdag en vrijdag werd een programma uitgevoerd door het derde land dat de nieuwe gegevens inpakte en verzond. Het programma stuurde de MD5 hash, gevolgd door het versleutelde pakket nieuwe gegevens naar de geheime overdrachtsserver van Google Compute Engine. Op 20 juni 2022 heeft het Landelijk Parket een brief gericht aan alle professionele procesdeelnemers verzonden met als onderwerptekst: Nederland is niet het derde land. In de brief wordt verder benoemd dat dit is bevestigd door de Amerikaanse opsporingsautoriteiten. Uit de door de verdediging overgelegde brief van het Landelijk Parket d.d. 1 december 2022 volgt dat op 27 mei 2022 een brief is ontvangen van de Amerikaanse autoriteiten. Daarin staat onder meer dat het derde land een land in de Europese Unie betreft en dat dit land conform haar eigen juridische processen een gerechtelijke machtiging heeft verkregen voor het kopiëren van ANØM-berichten op de in dat land staande server. De rechtbank merkt op dat in de betreffende brief van 27 mei 2022 (als bijlage bij de brief van het Landelijk Parket gevoegd) tevens staat dat het derde land de berichten door gaf aan de Federal Bureau of Investigation (hierna: FBI) op grond van een verzoek om rechtshulp. Aangezien het derde land zich hield aan de eigen wetgeving kan de Verenigde Staten gebruik maken van de met betrekking tot communicatie tussen buitenlanders verkregen data. De verdediging heeft eerder ter onderbouwing van onderzoekswensen een ‘application for a warrant by telephone or other reliable electronic means’ d.d. 17 mei 2021 van de FBI overgelegd. Hierin staat beschreven wat de gang van zaken is geweest in aanloop naar en bij de uitvoering van Operation Trojan Shield. Kort gezegd komt het er op neer dat de FBI in 2018 een informant rekruteerde die een ‘next generation’ encrypted communications product aan het ontwikkelen was. Voorheen distribueerde deze persoon Phantom Secure en Sky Global en hij had flink geïnvesteerd in een next generation device, genaamd “Anom”. Dit bood hij aan aan de FBI. Hij zou het vervolgens ook willen distribueren aan zijn oorspronkelijke netwerk. De FBI begon een nieuw onderzoek onder de naam Operation Trojan Shield, draaiende om de exploitatie van ANØM door het te introduceren aan criminele organisaties en samen te werken met internationale partners, waaronder de Australische federale politie (hierna: AFP) om de communicatie te monitoren. Voordat het apparaat gebruikt kon worden hebben de FBI, AFP en de informant een masterkey ingebouwd waardoor opsporingsdiensten de berichten ook kregen en ze gedecodeerd werden. Elke ANØM-gebruiker kreeg een specifieke Jabber Identification (hierna: JID) van de informant of een ANØM-beheerder. Gebruikers konden hun eigen username kiezen. De FBI hield in het kader van Operation Trojan Shield een lijst bij van de JID’s en de corresponderende schermnamen van de gebruikers. De informant is begonnen met de distributie van de toestellen in afstemming met de FBI. In oktober 2018 is met een testfase begonnen bij criminele organisaties in Australië. De AFP monitorde de communicatie en deelde de strekking ervan met de FBI. 100% van de ANØM- gebruikers gebruikte de toestellen voor criminele activiteiten. In de zomer van 2019 begon het netwerk van ANØM-gebruikers in Australië te groeien. Er kwam vraag van binnen en buiten Australië. Het onderzoeksteam benaderde in de zomer van 2019 vertegenwoordigers van een derde land om een iBot server in te richten en daardoor de inhoud van de berichten van ANØM-gebruikers te verkrijgen. Het derde land stemde in met het aanvragen van een rechterlijke machtiging zoals daar vereist was om een iBot server aldaar te kopiëren en de FBI van de kopie te voorzien conform een rechtshulpverzoek. Anders dan in de Australische testfase, keek het derde land niet naar de inhoud van de berichten (letterlijk: Unlike the Australian beta test, the third country would not review the content in the first instance). In oktober 2019 verkreeg het derde land een rechterlijke machtiging. Vanaf 21 oktober 2019 begon de FBI de serverinhoud van het derde land te verkrijgen. Sinds dat moment heeft de FBI de inhoud van de iBotserver in het derde land op basis van het rechtshulpverzoek bekeken. Ze hebben de berichten indien nodig vertaald en meer dan 20 miljoen berichten van 11.800 toestellen van 90 landen wereldwijd gecatalogiseerd. De top vijf van landen waar de toestellen gebruikt worden betreft Duitsland, Nederland, Spanje, Australië en Servië. Het doel van het Trojan Shield onderzoek is het ondermijnen van het vertrouwen van de hele industrie door te laten zien dat de FBI bereid en in staat is deze berichten te onderscheppen. Uit al hetgeen hierboven staat beschreven leidt de rechtbank af dat er sprake is van een EU-land waar een server ten dienste van een FBI-onderzoek heeft gestaan. Er is in het kader van dit onderzoek geen sprake geweest van opsporingsactiviteiten van het derde land zelf, anders dan bijvoorbeeld bij de Australische situatie. Er is slechts sprake geweest van technische bijstand door het derde EU-land. De rechtbank wijst hierbij ook naar hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 13 juni 2023 onder 6.10 heeft overwogen. Daar is sprake van een vergelijkbare duiding van bijstand. Omdat het ook hier enkel ging om technische bijstand is van een situatie als bedoeld in artikel 31 van de EOB-richtlijn geen sprake geweest. Het derde land was niet de intercepterende staat. Dat was Amerika. Ook met betrekking tot deze dienst is de EOB-richtlijn dus niet van toepassing. Kennisgeving in de zin van artikel 31 EOB-richtlijn? Nu bij alle drie genoemde cryptodiensten in Nederland geen sprake is van toepasselijkheid van de EOB-richtlijn, hoefde in alle drie de situaties geen kennisgeving op basis van die richtlijn te worden verzonden. Dit is ten aanzien van de toepasselijkheid van de richtlijn een verdergaand oordeel dan hetgeen de rechtbank op 21 mei 2024 heeft beslist. Nu op dat moment sprake was van een voorlopig oordeel voelt de rechtbank zich niet door haar eerdere oordeel belemmerd. Onderzoekswensen verdediging ziende op ANØM (onder a, b, c, d &
- f)De rechtbank ziet in hetgeen zij hierboven heeft vastgesteld geen belang voor de verdediging bij het verkrijgen van antwoorden op deze verzoeken. Het derde land heeft immers enkel technische bijstand verleend en speelt als zodanig juridisch gezien geen rol van betekenis ten opzichte van Nederland. Evenmin is gebleken van een rol van de Nederlandse opsporingsautoriteiten bij de uitvoering van de interceptie. Dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten op enig moment betrokken raakten is ten gevolge van het feit dat Nederland in de top vijf gebruikende landen bleek te staan niet verbazingwekkend. Dat maakt echter niet dat sprake is van een opsporingsonderzoek onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Nu hierboven reeds is overwogen dat geen kennisgeving was vereist worden al deze onderzoekswensen afgewezen. Onderzoekswens EncroChat en SkyECC data (onder
- e)Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de kennisgeving wordt ook deze onderzoekswens afgewezen. Verkrijging bewijsmateriaal afkomstig van EncroChat en SkyECC-toestellen Het boven overwogene maakt, anders dan de verdediging heeft betoogd, dat hetgeen de Hoge Raad eerder over de rechtmatigheid van de verkrijging van data van EncroChat en SkyECC heeft overwogen nog steeds onverkort van toepassing is. Het vertrouwensbeginsel, dat overigens ook uitdrukkelijk wordt onderkend in het arrest van het HvJ EU, is nog steeds aan de orde. Het bewijsmateriaal afkomstig uit de toestellen is verkregen onder de verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten en van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest. Nu Frankrijk partij is bij het EVRM, volgt hieruit dat het door de Hoge Raad onder 6.5 en 6.6 gegeven kader in dezen van toepassing is. Dit kader houdt het volgende in. Waar het de bestreden rechtmatigheid van de verkrijging betreft, is het niet aan de Nederlandse strafrechter om het onderzoek in het buitenland te toetsen. In het bijzonder is het niet aan de Nederlandse strafrechter om te toetsen aan artikel 8 EVRM, dat het recht op privacy garandeert. Het uitgangspunt van rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal lijdt alleen uitzondering als in de betreffende staat, in dit geval, Frankrijk, onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de geldende rechtsregels is gebeurd. Dat daarvan sprake is, is niet door de verdediging aangevoerd en ook overigens niet gebleken. De rechtbank verwerpt de verweren voor zover zij zien op de (on)rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal afkomstig van de Encrochat en SkyECC-toestellen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat door de verdediging in de diverse zaken de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet is bestreden. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het onderzoek in Frankrijk zo is uitgevoerd dat de resultaten betrouwbaar zijn en ziet, ook ambtshalve, geen aanwijzingen voor het tegendeel die aanleiding geven tot nader onderzoek van de betrouwbaarheid. Verkrijging bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen Nu de verantwoordelijkheid voor de verkrijging van het bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen berust bij de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten is het hiervoor besproken door de Hoge Raad onder 6.5 en 6.6 van zijn beslissing aangereikte kader niet zonder meer van toepassing, nu de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM. De rechtbank ziet evenwel reden om dit kader op dezelfde wijze toe te passen in geval van bewijsmateriaal verkregen door de Amerikaanse autoriteiten. Hoewel de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM, zijn zij wel verdragspartij bij het IVBPR. Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die hier relevant zijn, in het bijzonder ook het recht op privacy en de toegang tot een onafhankelijke rechter. Dat de Verenigde Staten het recht op privacy, zoals is gesteld, anders zouden toepassen op Amerikaanse staatsburgers dan op niet-staatsburgers, vormt geen reden om anders te oordelen, nu het recht op privacy niet absoluut is en zowel het EVRM als het IVBPR inperkingen van dat recht toestaan. Niet is gesteld of gebleken dat een betrokken persoon onvoldoende toegang tot de rechter in de Verenigde Staten heeft om te laten toetsen of sprake is geweest van een onrechtmatige inperking van zijn recht op privacy. Uit het voorgaande volgt dat ook waar het de bestreden rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal van ANØM-toestellen betreft, het niet aan de Nederlandse strafrechter is om het onderzoek in het buitenland te toetsen. In het bijzonder is het niet aan de Nederlandse strafrechter om te toetsen aan artikel 8 EVRM en het daarmee in dit kader gelijk te stellen artikel 17 IVBPR, dat het recht op privacy garandeert. Het uitgangspunt van rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal lijdt alleen uitzondering als in de betreffende staat, in dit geval, de Verenigde Staten, onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de geldende rechtsregels is gebeurd. Dat daarvan sprake is, is niet door de verdediging aangevoerd en ook overigens niet gebleken. De rechtbank verwerpt de verweren voor zover zij zien op de (on)rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat door de verdediging in de diverse zaken de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet is bestreden. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het onderzoek in de Verenigde Staten zo is uitgevoerd dat de resultaten betrouwbaar zijn en ziet, ook ambtshalve, geen aanwijzingen voor het tegendeel die aanleiding geven tot nader onderzoek van de betrouwbaarheid. Gebruik bewijsmateriaal in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat het niet haar taak is om de rechtmatigheid van de opsporing onder verantwoordelijkheid van de Franse en Amerikaanse autoriteiten te toetsen. Het is wel de taak van de rechtbank om te waarborgen dat het gebruik van uit het buitenland afkomstig bewijsmateriaal in een Nederlandse strafzaak niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces, zoals gegarandeerd in artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Door de verdediging is aangevoerd dat het gebruik van dit bewijsmateriaal wel strijd met het recht op een eerlijk proces oplevert, kort gezegd, omdat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om de opsporing in het buitenland te toetsen. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt. Uit het door de Hoge Raad geboden kader volgt dat bij het beoordelen van verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken en het verkrijgen van inzage in stukken, de rechter acht kan slaan op de beoordelingsruimte die de Nederlandse strafrechter heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporing in het buitenland. Nu het niet de taak is van de Nederlandse strafrechter om die rechtmatigheid te toetsen, is de verdediging ook niet in haar belang geschaad wanneer zij minder inzicht heeft gekregen in het verloop van het opsporingstraject in het buitenland dan zij wenste. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de omstandigheid dat door de verdediging niet is onderbouwd waarom de wijze van verkrijging van het bewijsmateriaal van belang zou zijn voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, en het dus (toch) noodzakelijk is om daar nader onderzoek naar te verrichten. De rechtbank verwerpt de verweren voor zover daarmee is aangevoerd dat het gebruik van het EncroChat-, SkyECC- en ANØM-bewijsmateriaal in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Verwerking bewijsmateriaal afkomstig van de toestellen Voor de verwerking van bewijsmateriaal afkomstig van EncroChat en SkyECC-toestellen is door de rechter-commissaris een machtiging afgegeven. In deze machtigingen zijn kaders gesteld voor en zijn voorwaarden verbonden aan de (verdere) verwerking van dit bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing heeft overwogen, de machtigingen van de rechter-commissaris juridisch onverplicht zijn gevorderd en verleend. Het Nederlands strafvorderlijk stelsel biedt die ruimte, aldus de Hoge Raad, en zo’n machtiging kan dienstig zijn om bijvoorbeeld belangen van derden en het verschoningsrecht te waarborgen. Als, ook onverplicht, een machtiging is gevorderd en verleend, zijn de Nederlandse autoriteiten aan de daarin gestelde voorwaarden gebonden. Door de verdediging is niet aangevoerd dat in strijd met de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden is gehandeld en de rechtbank ziet ook geen aanwijzingen voor dat oordeel. Voor de verwerking van bewijsmateriaal afkomstig van ANØM-toestellen is geen machtiging van de rechter-commissaris gevorderd. De rechtbank is in het licht van het door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing uiteengezette kader van oordeel dat daartoe ook in het geval van ANØM-gegevens geen noodzaak bestond. Het Openbaar Ministerie heeft zelf wel kaders gesteld voor en voorwaarden verbonden aan de (verdere) verwerking van dit bewijsmateriaal. Ook hier is door de verdediging niet aangevoerd dat in strijd met de door het Openbaar Ministerie gestelde voorwaarden is gehandeld en de rechtbank ziet ook geen aanwijzingen voor dat oordeel. Voorts zijn de Richtlijnen 2002/58/EG en 2016/680 noch de jurisprudentie van het EHRM die ziet op bulkinterceptie van data en mogelijke strijd daarvan met artikel 8 EVRM op de verwerking van het onderhavige bewijsmateriaal van toepassing, zo vloeit voort uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Evenmin is het kader dat voortvloeit uit het Prokuratuur-arrest van toepassing, nu ook die rechtspraak immers niet ziet op de interceptie van gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders van diensten waarmee berichten versleuteld kunnen worden verzonden, en naar de gebruikers van die diensten, in verband met de in relatie tot het aanbieden en het gebruik gerezen verdenkingen. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bewijsmateriaal afkomstig van de toestellen rechtmatig is verwerkt. De rechtbank verwerpt derhalve de verweren voor zover zij zien op de (on)rechtmatigheid van de verwerking van bewijsmateriaal afkomstig van die toestellen. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat alle verweren van de verdediging die zijn gevoerd in verband met de rechtmatigheid van het gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit ontsleutelde communicatie via cryptotelefoons, falen. Er is derhalve geen aanleiding om die van het bewijs uit te sluiten. Ook is er geen reden om over te gaan tot strafvermindering. De rechtbank verwerpt de verweren in al hun onderdelen. Voorwaardelijke verzoeken Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht en in staat acht om een oordeel te vormen over de gevoerde verweren in dit verband. Zij acht hetgeen voorwaardelijk is verzocht, aan welke voorwaarde is voldaan nu de verweren worden verworpen, daarom niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv en wijst deze voorwaardelijke verzoeken af. 3.3 De identificaties van de crypto-accounts en bijnamen. In onderhavige zaak komt het voor de bewijsvoering in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen cryptoberichten (EncroChat, SkyECC en ANØM). De vraag die, al dan niet in reactie op een verweer, daarom allereerst moet worden beantwoord is of de verdachten te identificeren zijn als de gebruikers van bepaalde cryptoaccounts. Voor de beoordeling van de aan allee verdachten ten laste gelegde feiten is (enkel) de identificatie van de gebruikers van de hieronder genoemde accounts van belang, zodat de overige accounts die in het dossier voorkomen in dit vonnis onbesproken blijven, tenzij dit als relevant bij een zaaksdossier besproken wordt. De rechtbank neemt de voor het geheel van alle tenlasteleggingen relevante identificaties in alle zaken op, hoewel die identificaties strikt genomen niet voor ieders tenlastelegging noodzakelijk zijn. Verder zal worden stilgestaan bij de identificatie van de in het dossier gebruikte bijnamen. Voor zover hierop verweer is gevoerd of het dossier daartoe aanleiding geeft, staat de rechtbank hierna bij de identificaties daarnaast stil bij de vraag of alle berichten steeds aan betreffende geïdentificeerde gebruiker kunnen worden toegeschreven. De rechtbank gaat er in de overige gevallen telkens van uit dat alle berichten van een account toe te schrijven zijn aan de geïdentificeerde gebruiker van het betreffende account. [verdachte] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-96 in onderling verband en samenhang bezien met de processen-verbaal ZBRAA19010-2323 en proces-verbaal ZBRAA19010-2322 vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 verdachte] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-458 in onderling verband en samenhang bezien met het proces-verbaal OBRAA21003-163 vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts ‘ [gebruikersnaam 2 verdachte] ’ en ‘ [gebruikersnaam 3 verdachte] ’. ANØM. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1331 in onderling verband en samenhang bezien met proces-verbaal LERCF21001-1422vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de ANØM-accounts ‘ [gebruikersnaam 4 verdachte] ’ en ‘ [gebruikersnaam 5 verdachte] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [verdachte] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen en de processen-verbaal van bevindingen OB2R020142-468 en OB2R020142-794 tevens vast dat ten aanzien van verdachte [verdachte] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 verdachte] ’, ‘ [alias 2 verdachte ] ’, ‘ [alias 3 verdachte] ’ en ‘ [alias 4 verdachte] ’. [medeverdachte 1] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-37 en in het proces-verbaal van bevindingen ZBRAA19010-2323 vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 1] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1332 in onderling verband en samenhang bezien met het proces-verbaal OBRAA21003-163 vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts ‘ [gebruikersnaam 3 medeverdachte 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 4 medeverdachte 1] ’. ANØM. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen LERCF21001-1422 vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het ANØM-account ‘ [gebruikersnaam 6 medeverdachte 1] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 1] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 1] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 1] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 1] ’ en ‘ [alias 3 medeverdachte 1] ’. [medeverdachte 2] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1705, in onderling verband en samenhang bezien met de processen-verbaal OB2R020142-96 en ZBRAA19010-2321 vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 2] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1847 en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2211 vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 2] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 2] aangehaalde processen-verbaal tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 2] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 2] ’. [medeverdachte 8] SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1857 en proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2104 vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 8] ’en ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 8] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1865 vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 8] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 8] ’ en ‘ [alias 3 medeverdachte 8] ’. Dat een andere SkyECC-gebruiker het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 8] ’ heeft opgeslagen onder de naam ‘ [alias 3 medeverdachte 8] ’ wil niet zeggen dat ‘ [alias 3 medeverdachte 8] ’ daarmee ook gebruik maakte van het account. De overige van dit account bekende bijnamen verwijzen enkel naar [medeverdachte 8] . Uit de inhoud van de berichten blijkt ook niet dat de gebruiker zich bekend maakte als ‘ [alias 2 medeverdachte 8] ’ dan wel ‘ [alias 3 medeverdachte 8] ’ in contact met anderen, hetgeen bij gebruik door meerdere personen van eenzelfde account voor de hand ligt en ook gebeurt – zo blijkt uit het dossier. De rechtbank volgt het verweer van de raadsvrouw dat het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 8] ’ door twee personen werd gebruikt dan ook niet. Door de raadsvrouw van verdachte is aangevoerd dat de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’ onvoldoende onderscheidend is om als redengevend te kunnen worden beschouwd. Ter onderbouwing van haar standpunt wordt door de raadsvrouw onder andere gewezen op een OVC gesprek waarin over een andere ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’ wordt gesproken. Hoewel de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’ als meer algemeen kan worden beschouwd volgt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw niet. Daar waar de identificatie van ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’ als zijnde [medeverdachte 8] onderdeel uitmaakt van de bewijsvoering vindt deze identificatie telkens steun in andere bewijsmiddelen zoals observaties en camerabeelden. Voor de rechtbank staat in die gevallen dan ook vast dat waar gesproken wordt over ‘ [alias 1 medeverdachte 8] ’ verdachte [medeverdachte 8] wordt bedoeld. [medeverdachte 3] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-986 in onderling verband en samenhang bezien met proces-verbaal OB2R020142-810 vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 3] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-987 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2161 in onderling verband en samenhang bezien het hiervoor reeds genoemde proces-verbaal OB2R020142-810 tevens vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 3] ’. ANØM. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-988 vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het ANØM-account ‘ [gebruikersnaam 3 medeverdachte 3] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 3] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 3] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnaam “ [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] ”. [medeverdachte 7] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen ZBRAA19010-2321, proces-verbaal van bevindingen OB2R021042-790 en proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-904 vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 7] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in de hiervoor reeds genoemde processen-verbaal OB2R020142-904, ZBRAA19010-2321 en OB2R021042-790 tevens vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van de SkyECC-accounts ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 7] ’, ‘ [gebruikersnaam 3 medeverdachte 7] ’ en ‘ [gebruikersnaam 4 medeverdachte 7] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 7] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen en het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1363 tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 7] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 7] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 7] ’, ‘ [alias 3 medeverdachte 7] ’, ‘ [alias 4 medeverdachte 7] ’ en ‘ [alias 5 medeverdachte 7] ’. [medeverdachte 6] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal OB2R020142-1883, in onderling verband en samenhang bezien met de processen-verbaal OB2R020142-96 en OB2R020142-1751, vast dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het hiervoor reeds genoemde proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1751 en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1951 tevens vast dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van de SkyECC-account ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] ’. Door de verdediging is namens [medeverdachte 6] betoogd dat hoewel er aanwijzingen zijn dat hij berichten heeft gestuurd vanuit de accounts [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] , niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij de enige gebruiker van deze accounts is geweest. De verdediging ziet hiervoor aanwijzingen in de wachtwoorden, de bijnamen en de berichten zelf. Omdat niet kan worden vastgesteld welke berichten door [medeverdachte 6] zijn verstuurd, kunnen alle berichten niet voor het bewijs gebruikt worden. De rechtbank stelt allereerst vast dat de identificatie van verdachte als gebruiker van deze accounts steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank heeft bij de bestudering van het dossier behalve naar de identificatieprocessen-verbaal ook goed gekeken naar of er een lijn te zien is in de wijze van opstellen van de berichten. Wat zeer opvallend is aan de berichten van [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] en [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] is dat er steeds veel spelfouten worden gemaakt. Specifieke spelfouten komen consequent op dezelfde wijze en bij beide accounts voor. Zo gebruikt de persoon achter deze accounts standaard ‘nuwe’ waar ‘nieuwe’ bedoeld lijkt te worden. In dit zaaksdossier is de gebruiker van deze twee accounts ook de enige die regelmatig ‘oili’ typt waar hij ‘olie’ bedoelt. Ditzelfde geldt voor het gebruik van het woord ‘nixs’ waar op ‘niks’ wordt gedoeld. Omdat deze fouten door niemand anders in deze zaaksdossiers worden gemaakt en wel door zowel [gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] als [gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] , ziet de rechtbank daarin bevestiging voor de conclusie dat deze accounts veelal door een en dezelfde persoon werden gebruikt, waarvan de rechtbank op grond van de identificatieprocessen-verbaal heeft vastgesteld dat het [medeverdachte 6] is. Dat er ook anderen zijn geweest die gebruik hebben gemaakt van deze accounts kan niet uitgesloten worden, maar verdachte heeft dit zelf op geen enkel moment concreet benoemd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om alle door deze twee accounts verstuurde berichten uit te sluiten van het bewijs. Bij de berichten die de rechtbank zal gebruiken voor het bewijs gaat zij er steeds van uit dat [medeverdachte 6] degene is die gebruik maakt van de betreffende accounts. Berichten die grotendeels correct zijn gespeld laat de rechtbank buiten beschouwing. Een voorbeeld hiervan is te vinden op pagina 629 van ZD 2.3 (Someren/Neerkant) onderaan. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 6] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen en het proces-verbaal OB2R020142-2240 tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 6] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 6] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 6] ’ en ‘ [alias 3 medeverdachte 6] ’. Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 6] ’ onvoldoende onderscheidend is om als redengevend te kunnen worden beschouwd. Hoewel de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 6] ’ als meer algemeen kan worden beschouwd volgt de rechtbank het verweer van de raadsman niet. Daar waar de identificatie van ‘ [alias 1 medeverdachte 6] ’ als zijnde [medeverdachte 6] onderdeel uitmaakt van de bewijsvoering vindt deze identificatie telkens steun in andere bewijsmiddelen zoals OVC gesprekken. Voor de rechtbank staat in die gevallen dan ook vast dat waar gesproken wordt over ‘ [alias 1 medeverdachte 6] ’ verdachte [medeverdachte 6] wordt bedoeld. [medeverdachte 5] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal ZBRAA19010-2322 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2331, in onderling verband en samenhang bezien met het proces-verbaal ZBRAA19010-2323, vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van het account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’. SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-1520 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2405 in onderling verband en samenhang bezien met de processen-verbaal OB2R020142-163 en OB2R020142-458 vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 5] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 5] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’ en ‘ [alias 2 medeverdachte 5] ’. [medeverdachte 4] SkyECC. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-935 vast dat [medeverdachte 4] van 26 november 2020 tot en met 14 januari 2021 de gebruiker is geweest van het SkyECC-account ‘ [gebruikersnaam 1 medeverdachte 4] ’. ANØM. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-942 in onderling verband en samenhang bezien met het proces-verbaal LERCF21001-1422 vast dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van het ANØM-account ‘ [gebruikersnaam 2 medeverdachte 4] ’. Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de hiervoor met betrekking tot [medeverdachte 4] aangehaalde processen-verbaal zijn opgenomen tevens vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 4] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 4] ’. [medeverdachte 9] EncroChat. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in het proces-verbaal OB2R020142-2141 vast dat [medeverdachte 9] de gebruiker is geweest van het account ‘Sizablecider’. Bijnamen. Op grond van de feiten en omstandigheden opgenomen in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal OB2R020142-2141 en de processen-verbaal van bevindingen OB2R020142-2044 en OB2R020142-1882 concludeert de politie dat de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 3 medeverdachte 9] ’ en ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’ toebehoren aan [medeverdachte 9] . Door de raadsman is aangevoerd dat de bijnaam ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’ niet met voldoende zekerheid aan verdachte [medeverdachte 9] kan worden verbonden. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal OB2R020142-2141 blijkt dat de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 3 medeverdachte 9] ’ en ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’ allemaal voorkomen als nickname van het aan verdachte toegeschreven EncroChat-account. Uit een opgenomen OVC-gesprek van 6 mei 2022 blijkt verder dat medeverdachte [medeverdachte 2] de bijnaam ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’ gebruikt wanneer hij naar [medeverdachte 9] van de frietkar verwijst (‘Ik ging altijd naar [alias 4 medeverdachte 9] toe, [medeverdachte 9] . van die frietkar’). Van verdachte [medeverdachte 9] is bekend dat hij een frietkraam heeft. Daarnaast blijkt uit proces-verbaal van bevindingen OB2R020142-2451 dat gebruik werd gemaakt van de loods van ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’ en dat [medeverdachte 9] een loods huurt aan de [straatnaam] te Eindhoven. De rechtbank stelt op grond van voornoemde processen-verbaal dan ook vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 9] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 9] ’, ‘ [alias 3 medeverdachte 9] ’ en ‘ [alias 4 medeverdachte 9] ’. [medeverdachte 10] Bijnamen. De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie zijn opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen OB2R020142-1880 en OB2R020142-372 vast dat ten aanzien van verdachte [medeverdachte 10] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [alias 1 medeverdachte 10] ’, ‘ [alias 2 medeverdachte 10] ’, ‘ [alias 3 medeverdachte 10] ’, ‘ [alias 4 medeverdachte 10] ’ en ‘ [alias 5 medeverdachte 10] ’. Het verweer van de raadsman met betrekking tot de bijnamen van [medeverdachte 10] wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en behoeft dan ook geen nadere bespreking. Wijze van aanhalen cryptoaccounts en bijnamen. Bij de bespreking van de zaakdossiers zullen de gebruikers van de verschillende cryptoaccounts, voor zover geïdentificeerd, telkens bij hun naam worden genoemd. Voor zover in de weergave van de originele communicatie bijnamen worden gebruikt, zal de rechtbank deze in voorkomende gevallen vertalen naar de betreffende verdachtennaam dan wel de verdachtennaam er tussen haakjes achter plaatsen. In het navolgende zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis verdachte en de medeverdachten steeds bij hun achternaam noemen en daaraan niet telkens het woord (mede)verdachte toevoegen. Voor zover verdachten dezelfde achternaam hebben, zullen zij ook met hun voornamen worden aangeduid. 3.4 Enkele algemene overwegingen. Overweging met betrekking tot cryptodata als bewijs. De rechtbank merkt op dat de uit de verschillende cryptodiensten ontsleutelde berichten schriftelijke bescheiden zijn, meer in het bijzonder andere geschriften die voor het bewijs kunnen worden gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Een ander bewijsmiddel kan een ander geschrift zijn. Dit betekent dat een bewezenverklaring volledig op chatberichten kan steunen, wanneer het bewijsmiddel van het ene “andere geschrift”, steun vindt in een tweede “andere geschrift”. Bovendien is in onderhavige zaak niet slechts één chatgesprek met één ander account beschikbaar, maar bestaat het dossier uit een grote hoeveelheid gesprekken met een aantal verschillende accounts op meerdere data en er zijn afbeeldingen verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen en te herleiden zijn naar concrete locaties, nog los van de overige bewijsmiddelen uit andere opsporingsmethoden (zoals OVC, telefoontaps, observaties). Bovendien zijn in onderhavige zaak daadwerkelijk meerdere drugslaboratoria aangetroffen. Wat de interpretatie van de chatberichten betreft, overweegt de rechtbank verder als volgt. De rechtbank heeft ter waarborging van de juistheid van de interpretatie en uitleg van de weergegeven chats de nodige behoedzaamheid in acht genomen om het risico te ondervangen dat aan een chat een verkeerde uitleg wordt gegeven. Met name bij een belastende uitleg moet ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing kunnen worden geconcludeerd dat de inhoud van de chat redelijkerwijs niet voor een andere uitleg vatbaar is dan die belastende. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en inhoud van die chat, de betekenis van bepaalde bewoordingen zoals vastgesteld in het proces-verbaal ‘ABC Drugsjargon’, de context waarin het gesprek heeft plaatsgevonden, het verband met eventueel ander bewijsmateriaal, alsmede de vraag of - en, zo ja, eventueel in welk stadium van het geding - de verdachte, in het bijzonder als hij gespreksdeelnemer of afzender is geweest, een plausibele uitleg bij een chat geeft. De rechtbank is - de hiervoor bedoelde behoedzaamheid in acht nemend - van oordeel dat de inhoud van de voor het bewijs gebezigde chats redelijkerwijs uitsluitend voor een voor de beoordeling van deze strafzaak belastende uitleg vatbaar is. De inhoud van deze chats vindt naar het oordeel van de rechtbank over en weer bevestiging in elkaar en wordt op belangrijke onderdelen ook versterkt door de inhoud van andere bewijsmiddelen. Overweging met betrekking tot medeplegen. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, waaruit blijkt van opzet op zowel de samenwerking als het plegen van het strafbare feit. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de zaken van verschillende verdachten is het verweer gevoerd dat de bijdrage van de betreffende verdachte te beperkt van aard was om deze bijdrage aan te merken als medeplegen. Bij de bespreking van de zaaksdossiers zal de rol van de individuele verdachten aan bod komen en zal de rechtbank steeds bezien of de bijdrage van een verdachte een materiële dan wel immateriële bijdrage van voldoende gewicht vormt om van medeplegen te kunnen spreken. Daar waar het verweer betrekking heeft op het medeplegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet overweegt de rechtbank nog het volgende. Onder het bereik van artikel 10a Opiumwet valt onder meer (en is ook steeds ten laste gelegd) het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen. Vergelijkbare gedragingen zijn als deelnemingsvorm in beginsel te kwalificeren als medeplichtigheid in de zin van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht, maar zijn in relatie tot Opiumwetfeiten nu juist zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 10a Opiumwet. Een gedraging van beperkte aard – die in relatie tot andere strafbare feiten wellicht als medeplichtigheid zou worden gekwalificeerd – kan daarmee tot een bewezenverklaring van het (mede)plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen leiden. Overweging met betrekking tot de pleegperiode. De rechtbank overweegt dat aan alle verdachten telkens het medeplegen van de verschillende Opiumwetfeiten in een bepaalde periode ten laste gelegd is. Door de verdediging is in de zaken van verschillende verdachten aangevoerd dat de betreffende verdachte slechts voor een gedeelte van de periode een bijdrage heeft geleverd en dat bij een bewezenverklaring de periode daarom dient te worden beperkt tot de periode van activiteiten van die verdachte. De rechtbank merkt hierover op dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende verdachten leidt tot de conclusie dat het feit gedurende een bepaalde periode is gepleegd. De ten laste gelegde concrete gedragingen worden aan alle medeplegers toegerekend en voor alle medeplegers bewezen verklaard, voor zover er toereikend bewijs is dat die gedragingen door één of meer medeplegers zijn verricht. Dat de individuele verdachte daar niet op ieder moment in die periode een bijdrage aan heeft geleverd, betekent dan ook niet dat er geen bewezenverklaring voor de gehele periode kan volgen. Indien de rechtbank het handelen van de individuele verdachte aanmerkt als medeplegen bij het ten laste gelegde, komt zij tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode en alle bewijsbare, binnen de samenwerking verrichte gedragingen. Daar waar de rechtbank van oordeel is dat de rol van verdachte in een bepaalde periode van onvoldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken of waar de betrokkenheid van een verdachte in een bepaalde periode in zijn geheel niet uit de bewijsmiddelen blijkt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken voor dat deel van de pleegperiode. 3.5 Overwegingen per zaaksdossier. In deze paragraaf bespreekt de rechtbank de ten laste gelegde feiten per zaaksdossier, te beginnen met een sterk verkorte weergave van de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging. Het standpunt van de officieren van justitie. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezenverklaard kunnen worden. Het standpunt van de verdediging. Door de verdediging is (partiële) vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9. Ten aanzien van het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank. 3.5.1 Someren/Neerkant inclusief lozingen (feiten 1 t/m 4) In dit zaaksdossier worden [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] verdacht van - kort gezegd - het medeplegen van de productie van amfetamine en metamfetamine in Someren in de periode van 26 maart 2020 tot en met 24 december 2020. Daarnaast worden zij verdacht van het medeplegen van de productie van amfetamine en metamfetamine in Neerkant in de periode van 1 januari 2020 tot en met 25 februari 2021. [medeverdachte 2] wordt verweten dat hij in Neerkant in dezelfde periode als medepleger voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine en metamfetamine. Inleiding zaaksdossier Someren/Neerkant. Dit zaaksdossier is opgebouwd uit het zaaksdossier zelf en een aantal losse stukken. Daar waar de rechtbank in de voetnoten naar het zaaksdossier zelf verwijst gebruikt zij de notering zoals in de inleiding aangekondigd. Bij de losse stukken handelt de rechtbank naar bevind van zaken. In aanvulling op de identificaties van verdachten die hierboven al staan uitgewerkt gaat de rechtbank er op basis van het dossier van uit dat het EncroChat-account [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] voornamelijk werd gebruikt door [betrokkene 1] . Hij wordt in het dossier door anderen ook steeds [alias 1 betrokkene 1] genoemd, dat is zijn bijnaam. Hij had ook de beschikking over SkyECC-toestellen ( [gebruikersnaam 1 medeverdachte 4] van 23 augustus 2020 tot en met 22 november 2020 en [gebruikersnaam 2 betrokkene 1] , bijnaam onder meer [alias 2 betrokkene 1] 04) en aan ANØM telefoon ( [gebruikersnaam 3 betrokkene 1] ). De rechtbank begrijpt dat waar het over [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] gaat, men [betrokkene 1] bedoelt. [betrokkene 2] is geïdentificeerd als gebruiker van: EncroChat [gebruikersnaam 1 betrokkene 2] - gekoppelde bijnamen o.a. [alias 1 betrokkene 2] , [alias 2 betrokkene 2] SkyECC [gebruikersnaam 2 betrokkene 2] ANØM` [gebruikersnaam 3 betrokkene 2] & [gebruikersnaam 4 betrokkene 2] Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] neven van elkaar zijn. Datum/tijd berichten. Dit dossier bevat EncroChat-berichten van 26 maart 2020. Hoewel de interceptietool pas op 1 april 2020 is ingezet, blijkt uit de duidingstukken dat de vanaf dat moment aangeleverde telefoon-data ook een kopie van de database bevatte die op de telefoon aanwezig was. Die database bevatte onder andere historische data, waardoor het mogelijk is dat er berichten aanwezig zijn van voor 1 april 2020. De rechtbank merkt op dat de tijdsaanduiding van de berichten een paar uur kan afwijken nu in sommige processen-verbaal tijdsverschillen ten opzichte van UTC zijn verdisconteerd en in andere processen-verbaal niet. Daar waar de rechtbank waarde hecht aan exacte tijdstippen zal hieraan aandacht worden besteed. Someren. Op 24 december 2020 is op de locatie [adres 2] te Someren een productielocatie aangetroffen. De persoon die eigenaar is van het perceel, en tevens betrokken is bij het drugslab, betreft: [betrokkene 3] , geboortedatum: [1952] . In de hieronder te bespreken berichten wordt met enige regelmaat de naam [alias 1 betrokkene 3] genoemd. De rechtbank gaat ervan uit dat telkens wanneer die naam voorkomt het gaat over deze [betrokkene 3] . Voor betrokkenheid bij dit lab zijn eerder veroordeeld: - [betrokkene 3] ; - [betrokkene 1] ; - [betrokkene 4] ; - [betrokkene 2] . Op 26 maart 2020 om 21.57 uur stuurt [medeverdachte 6] aan [verdachte] : Maat hun zijn nog zeeker tot morgen vrieg uur of 6 bezig ik kan daar nu niet op wachte zal [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] hun morgen vroeg hier op kunne haale. Uit dit bericht valt op te maken dat er ’s nachts ergens personen bezig zijn en dat [medeverdachte 6] aan [verdachte] vraagt of [medeverdachte 3] ze morgenvroeg op kan halen. Diezelfde avond om 23.48 uur stuurt [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1] : Ben nu thuis slaapil op bel me als ik die ksnt op moet heb me tel bij me ore gelegd maat en me kont brand van op die doek en op die kan zit te denk pure a pff spreek ie dalijl maat Maat reageer effe dan komt [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] julu dalijk halen [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] is op tijd juli op haalen maat 7 daar anders moet ie hem maile [gebruikersnaam 1 medeverdachte 3] . De volgende ochtend, op 27 maart 2020 om 10.57 uur stuurt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 6] : Weer verneukt. (..) Ben er zelf ook kapot van. (..) Ik heb me masker opgehouden niet gesmeerd. Alleen laatste partij. Zag scheel. Had gewoon mee na huis moeten gaan. En [medeverdachte 6] stuurt terug: Das top ik gister op die ksn gezeten denk met a hele kont brande. Wn wazig in me hoofd. De rechtbank stelt op basis van bovenstaande berichten vast dat kennelijk in de nacht van 26 op 27 maart 2020 is doorgewerkt op een plek waar men een masker op moet en waar men zich kon branden door op een kan met pure a te zitten. Van die plaats kan men kennelijk worden opgehaald door [medeverdachte 3] , als dat geregeld kan worden door [verdachte] . De rechtbank ziet in dat laatste feit een bevestiging van de betrokkenheid van [verdachte] bij deze nachtelijke werkzaamheden. [verdachte] heeft op 27 maart 2020 om 12.38 uur dan weer contact met [medeverdachte 6] , hij vraagt: Maat hoe laat kan jij die a effe wegeb en ph meten [medeverdachte 6] reageert: Ben nog op zaak wachte op auto Dan effe vlug ph meter Ol halen bjj sjop [verdachte] : Oke De rechtbank maakt hier uit op dat [medeverdachte 6] in opdracht van [verdachte] a moet wegen en pH meten. Mede op basis van het proces-verbaal ABC drugsjargon gaat de rechtbank ervan uit dat met a amfetamine wordt bedoeld. En het is de rechtbank ambtshalve bekend dat pH meten een essentiële tussenstap is bij de productie van amfetamine. Op 28 maart 2020 vraagt [medeverdachte 6] aan [verdachte] : Die 50 lichte tint die [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] gister op het gehaald zijn due er nog [verdachte] reageert: (…) Heb ik nog staan [medeverdachte 6] : Oke kon er 30 kweit morgen op maandag lag aan zijn klant [verdachte] : Oke verkoop maar maar geen probleem [medeverdachte 6] : Oke dan geef ik hem door dat ik ze voor hem op zei zet maat Een verbalisant merkt hierbij op dat hem ambtshalve bekend is dat lichte een aanduiding is voor heldere amfetamineolie. Gelet op de regelmaat waarin in dit dossier de term ‘lichte’ naar voren komt wanneer ogenschijnlijk gesproken wordt over de kwaliteit van de olie en de overige duiding van het dossier, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze interpretatie. Verder wordt op 28 maart 2020 door [onbekende gebruikersnaam 1] een foto naar [medeverdachte 6] gestuurd waarvan door verbalisanten op basis van vergelijking met de uiteindelijk aangetroffen situatie wordt geconstateerd dat het een foto van de productielocatie in Someren betreft. [medeverdachte 6] reageert: Das zo als het hoort schoon (Rechtbank: met symbool duim en wijsvinger, te interpreteren als piekfijn). En daarna: Echt top [onbekende gebruikersnaam 1] : Wij ook kunnen we gas gaan geven maandag (Rechtbank: met symbool gespierde arm) [medeverdachte 6] : Zeeker maat. En gas staat daar ook npg? Op 1 april 2020 in de ochtend stuurt [medeverdachte 6] een foto naar [onbekende gebruikersnaam 2] . Deze foto is volgens de politie zeer waarschijnlijk in dezelfde productieruimte in Someren genomen als bovengenoemde foto van 28 maart 2020. Die zelfde avond en nacht stuurt [medeverdachte 6] berichten over zijn bezigheden naar [betrokkene 1] : Due 40 van [alias 1 verdachte] due naar wasbenzine stonk naar 6 liter a (rechtbank: met daarbij een ietwat ondefinieerbare foto, lijkend op een emmer met onderin een bruine substantie). En om 01.41 uur ’s nachts: Maat die beletjes kome halverwege en op einde op begin niet klote zooi. Vervolgens geeft [betrokkene 1] veel instructies de rest van de nacht, zoals: Klein laagje water in zetten en dan druk op stoom pin heel zachties, Puur kous met water klein laagje net boven de stoom pin En dan goed door koken [medeverdachte 6] stuurt vervolgens: Zijn nu op nuww op gesrart gaan kijken maat. Hoop het anders word gek pff. Rond half vijf die ochtend is er weer contact: [betrokkene 1] : Lukt het maat [medeverdachte 6] : Jha deze loopt nu. Eerst geel nu spa. En kort daarna: Oke maat ga ma slapen als hier sllea goed gaat msken we alles af dat klaar is man. Op 2 april 2020 in de middag stuurt [medeverdachte 6] een aantal foto’s van jerrycans met vloeistoffen naar [betrokkene 1] en [betrokkene 1] vraagt: Is da a [medeverdachte 6] : 90 Jha 40 geel Rest tint [betrokkene 1] : Okee Dus morgen oplaten halen Geld van ap laat ik ophalen Voor de nieuwe. [medeverdachte 6] stuurt nog wat foto’s van jerrycans en: Spreek je dalikl (15.02 uur) Gaan nu (...) (16.41 uur) Hebben vuil aan gestokn Om 16.37 uur stuurt [medeverdachte 3] aan [verdachte] : Ja moet die olie ophalen. Op 3 april 2020 heeft [medeverdachte 3] contact met [betrokkene 1] . [betrokkene 1] stuurt: Als jij daar dadeljjk bent er moeten 2 kannen met b staan die nog van.toen.zijn met die kok. [medeverdachte 3] stuurt ruim twintig minuten later een aantal foto’s van jerrycans op een vloer, met berichten: Er staan 4 kannen er staat op: gewassen olie.47 olie. moet op looq (…) Er staan ook 2 kannen met: 55 olie, loof qeweest en qewassen Alles moet mee van [betrokkene 1] . Nog weer een tijdje later stuurt [medeverdachte 3] een andere foto met 10 gevulde jerrycans met verschillende kleuren vloeistof. Daarvan hoeven van [betrokkene 1] alleen de twee grote mee. [medeverdachte 3] stuurt uiteindelijk: Maat had gezegd dat het zoveel zou zijn. Station zwaar doorgezakt.(…) Het is 200 meer. [betrokkene 1] stuurt later: Je hebt dus 450 inclusief de a [medeverdachte 3] : Zoiets. Uit bovenstaande serie berichten en de foto’s van de productielocatie maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 6] vanaf 1 april 2020 tot 2 april 2020 in Someren bezig is geweest met de productie van amfetamine. Er wordt immers gesproken over het produceren en over het eindproduct. Uit de berichten valt op te maken dat op de foto’s jerrycans met a te zien zijn, dat er geel en tint in zit. Er was eerst sprake van geel en daarna spa. Met spa wordt afhankelijk van de context kraakheldere amfetamine olie bedoeld. Met a wordt eveneens amfetamine bedoeld. Uit de context van de eerdere berichten en de berichten in onderlinge samenhang bekeken, begrijpt de rechtbank dat [medeverdachte 3] onder meer de door [medeverdachte 6] geproduceerde amfetamine-olie op heeft gehaald en dat [verdachte] daarvan op de hoogte was. Op 6 april 2020 en 7 april 2020 heeft [medeverdachte 3] het over het laden van apaan op drie minuten van het hok, hij meldt uiteindelijk aan [verdachte] dat het in Someren-Heide was en dat dit voortaan beter niet daar moet, tenzij je het niet erg vind dat hun plek weten. Op 6 april 2020 stelt hij zich aan usefulrider voor: Morgen om 14 uur Someren laden. Ben chauf van [gebruikersnaam 1 verdachte] . De rechtbank constateert op basis van het bovenstaande dat vanaf het eerste moment dat er EncroChat-berichten ter beschikking kwamen, dat is hier vanaf 26 maart 2020, sprake is van productie van amfetamine in Someren en dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hier allemaal betrokken bij waren. Uit het dossier komt naar voren dat er in wisselende samenstellingen tot eind juni 2020 actief amfetamine is geproduceerd op de locatie in Someren. Het voert te ver om alle informatie die daarover uit het dossier blijkt in dit vonnis te bespreken. Om die reden zal in vogelvlucht worden besproken welke bewijsmiddelen de rechtbank voor betrokkenheid van de verdachten gedurende deze periode ziet. Op 11 april 2020 stuurt [medeverdachte 6] een foto (met daarbij het bericht: net dit uit de ketel) die door verbalisanten op de locatie in Someren wordt geplaatst naar het niet-geïdentificeerde account [onbekende gebruikersnaam 3] . Op 14 april 2020 hebben [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] het over de hoeveelheden die er uit gekomen zijn en dat er slecht gedraaid is en stuurt [betrokkene 1] een uitgebreid kostenplaatje naar [medeverdachte 6] . Hierin gaat het over twee rondes, en bij de tweede ronde staat 6 april 2020 geschreven. De grondstoffen die op het lijstje staan passen bij de productie van amfetamine. Op 20 april 2020 stuurt [medeverdachte 6] op verzoek een kostenlijstje naar [verdachte] en meldt dat hij de werkers en [medeverdachte 3] nog moet betalen. Op dit lijstje staan ook formide (formamide), fos (fosforzuur) en coustic (caustic soda). Op 22 april 2020 stuurt [medeverdachte 6] aan [verdachte] dat hij nu met [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] (= [medeverdachte 3] ) zit en hem 5 heeft gegeven. Later die avond stuurt [medeverdachte 6] een foto die waarschijnlijk gemaakt is in het lab in Someren aan [betrokkene 1] . Daarna stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 6] : En maat hoe loop die nu. Om 00.07 uur (inmiddels 23 april 2020) straalt de telefoon van [medeverdachte 6] een mast in Someren aan. Op 28 april 2020 stuurt [medeverdachte 6] aan [onbekende gebruikersnaam 4] : Jha echt kloten hele dag zelf bij gebleven begon echt goed te geven op 160 graden 4 liter oili 1 liter water en binne paar uur gaf hij 1.5 a op 5 liter beker en tint te geven zecht andere stoomer uit zetten want dit word nixs meer op nuwe loog dan water wassen en op nuwe stoome. Rond 60 a er uit. De telefoon van [medeverdachte 6] straalt een mast in Someren aan op 1, 2, 3, 5 en 6 mei 2020. [medeverdachte 6] stuurt op 6 mei 2020 om 12.43 uur aan [onbekende gebruikersnaam 4] : Kom nu net thuis vandaar gister avond stoomen gaf hij 1 liter op 5 en naar 3 maat bekers steeds minder heb ik die uit gezet. Ol nuwe loog gekookt van morgen warm door in stoom ketel en net voor ik stoot pin ope zet zwarte b oili uit koeler. Op 25 mei 2020 vraagt [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1] wat er bij [betrokkene 3] gaat gebeuren. [betrokkene 1] legt uit dat ze daar morgen gaan stomen. De telefoon van [betrokkene 1] straalt een mast in Someren aan op 25 en 28 mei 2020 en op 3, 4, 7, 8 en 9 juni 2020. Het lijkt er op dat [betrokkene 1] op 6 juni 2020 is mishandeld, van zijn toestel is een foto van zijn eigen gehavende gezicht naar [medeverdachte 6] gestuurd. Op 7 juni 2020 vraagt [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1] waar die 230 b oili is. Bij [medeverdachte 6] . Op 8, 9 en10 juni 2020 straalt de telefoon van [medeverdachte 6] een mast in Someren aan. Op 11 juni 2020 laat [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1] weten dat hij naar huis is gegaan maar dat degenen die gebleven zijn handschoenen, een telefoon lader en drinken nodig hebben. Op 12 en 17 juni 2020 midden in de nacht straalt [medeverdachte 6] weer een mast in Someren aan. Op 9 juni 2020 vraagt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 3] : Jo maat hoe laat ben je bij [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] reageert: Ik ga me klaar maken en dan die kant op. De rechtbank ziet vervolgens in de periode juli en augustus 2020 weinig tot geen activiteiten in Someren van één van de verdachten. Dit kan passen bij het feit dat er in die periode wel activiteit wordt gezien in Neerkant, hetgeen besproken zal worden na Someren. In de maand september 2020 lijkt er in Someren te worden opgeruimd, hetgeen later bij de bespreking van de aan [verdachte] tenlastgelegde dumping van afval in Someren aan de orde zal komen. Eind september 2020 lijken er aanstalten voor productie in Someren te worden gemaakt. Op zaterdag 26 september 2020 vraagt [betrokkene 1] aan [verdachte] : Hoe laat komt maandag die b olie. Wat later stuurt hij: Aaaa. Wat een schoon keteltje. Top. Dan stuurt hij een foto en zegt: Zo alles staat klaar voor maandag. Mooi ding man. Heb je goed geregeld. Verbalisanten hebben vastgesteld dat de foto genomen is in de productielocatie in Someren en dat een overeenkomende ketel is aangetroffen door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO). Op 27 september 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] : Hoe laat kan jij die ketel op halen. (…) Regel dat en laat mijn weten hoe wat. Op 28 september 2020 stuurt [medeverdachte 3] aan [verdachte] : Ben onderweg. 16:00 uur laden. [verdachte] reageert: Maak wel foto voor jij hem in laadt. Alle spullen die bij horen moet ik foto van hebben.(...) Is ook goed maar als jij het af laad moet spitkomen en in mekaar zetten en wil fotos van hebben dan betaal ik pas. [medeverdachte 3] stuurt foto’s van een ketel aan [verdachte] en een bericht: Ik rij nu aan. [verdachte] stuurt terug: Oke. Top. Mail me als je er bent. [medeverdachte 3] stuurt vervolgens: [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] kan niet komen. En ik kan hem niet meer bereiken. Ik ga de bus wegzetten en morgen lossen. Heb 09:00 uur afgesproken. Later die avond stuurt [betrokkene 1] aan [verdachte] : Ik was er de hele dag. Kreeg niemand te pakken. Stoom ketel staat al klaar aangesloten. Op 29 september 2020 stuurt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 3] : Nee tuinslang mee. En slangenklemmen kleintjes. Koeler past niet. (…) Aan sluiting na ketel past niet. Koeler blijft los staan. De telefoons van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] stralen die dag meermalen masten in Someren aan. [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 1] om pap. Zit al op 2000. [medeverdachte 1] is aankomende tijd niet meer in Nederland, maar zal regelen dat [alias 1 verdachte] dat geeft (…) [medeverdachte 3] verduidelijkt nog: Moet gasflessen halen en kannen en andere spullen. [verdachte] stuurt daarop aan [medeverdachte 3] : Voor wat moet jij twee ruggen hebben. [medeverdachte 3] reageert: Omdat ik dat heb voorgeschoten. En ik moet nog meer kosten maken. Ik zit al op 2700. Op 30 september 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 3] : Heb jij spullen gevracgt. Gebracht. [medeverdachte 3] stuurt terug: Ik heb die olie vanmorgen opgehaald en gelost en die poeder terug gegeven. [verdachte] stuurt: Oke had jij kunnen mailen dat alles goed was. (…) Is [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] daar al. [medeverdachte 3] reageert: Ja is aan het werk gegaan. [verdachte] stuurt nog: Dat was toch afspraak. Dat jij iets laat weten. De telefoons van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] stralen die ochtend masten in Someren aan. [betrokkene 1] stuurt naar [verdachte] dat hij de ketel aan het vullen was en dat de [onbekende alias 1] om hypotheek vraagt 2500, en als ze draaien krijgt hij 5000 per draai. Wat later stuurt hij ook foto’s van een ketel die de verbalisanten plaatsen in de productielocatie in Someren. Ook herkennen ze de ketel die [medeverdachte 3] op 28 september 2020 in zijn bus had. Op 1 oktober 2020 einde middag stuurt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 3] : Maat heb nog paar maat bekers nodig en temp meters (…) Ja morgen vroeg om 7 uur stomen Elke dag 1 fase is beste voor olie kan goed scheiden Maandag beginnen uiterlijk vrijdag klaar Maatbekers temp meter handschoenen aub En tuinslang van 50 meter. Nee niet die dikke anders 2 keer 25 meter. Op 2 oktober 2020 stuurt [verdachte] op een vraag [medeverdachte 1] : Die gaan ze vandaag schoon maken maar [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] is nu aan stomen ik denk morgen klaar. [medeverdachte 3] stuurt aan [medeverdachte 5] dat hij snel pap nodig heeft omdat hij spullen moet halen. De telefoon van [betrokkene 1] straalt die dag een mast in Someren aan. Aan het begin van de avond stuurt [betrokkene 1] aan [verdachte] : Maat geen goed nieuws. Kleine 20 L. Ook op 3 tot en met 5, 8, 12, 14 tot en met 19, 22 tot en met 31 oktober en 1 tot en met 5 november 2020 straalt de telefoon van [betrokkene 1] een mast in Someren aan. In die periode houdt hij [verdachte] op de hoogte van zijn vorderingen. De rechtbank zal enkele berichten over deze periode nader uitlichten. Op 3 oktober 2020 stuurt [betrokkene 1] : 1 kan van 25 klaar. Zet hier weg. Bij [onbekende alias 1] . lk ga nu na huis. lk vind dit egt kut. Maar lijkt op zelfde probleem als vorige keer. 27,7 Plus 25 dat hebben we staan. 52,7 Op 4 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] : Hoeveel a is er. Gelijk betalen. [verdachte] reageert: Net 40 verkocht heb nog 49 over maat is maar 20 blank maar [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] heeft al 52 blanke stoomd. Daarna vraagt [medeverdachte 1] nog een paar keer hoeveel er uit moet komen bij [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] , hij kan ook over 2 dagen verkopen als alles klaar is. Op 5 oktober 2020 hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 3] . [verdachte] vraagt: Heb jij opgehaald of wat vertel. [medeverdachte 3] reageert: Ja ik heb 2x25 liter. En dan stuurt hij aan [medeverdachte 1] : Yo maat. Ik heb 2 kannen van 25 liter staan. Laat je me weten hoe laat morgen. En waar. [medeverdachte 1] vraagt of ze allebei blank zijn. Volgens [medeverdachte 3] is 1 blank en de andere Ice tea. De rechtbank stelt op basis van bovenstaande berichten vast dat [betrokkene 1] vanaf 2 oktober 2020 amfetamine aan het produceren is in Someren. [medeverdachte 3] ondersteunt hem door materialen te regelen en haalt het eindproduct bij hem op. [medeverdachte 1] wil en kan het eindproduct verkopen en bespreekt dit met [verdachte] . Op 11 oktober 2020 stuurt [betrokkene 1] aan [verdachte] : Doe maar 7 zakken koustick (caustic soda) er liggen er nog 2 bij waar ik bezig ben. [betrokkene 3] . Op 12 en 14 oktober 2020 stuurt [betrokkene 1] foto’s vanuit het lab in Someren naar [verdachte] . Op 17 oktober 2020 houdt [betrokkene 1] [verdachte] weer op de hoogte van de vorderingen qua eindproduct. Hij meldt dan dat [medeverdachte 3] er is. Kort daarna stuurt [medeverdachte 3] aan [verdachte] : 75 blank. Ben onderweg naar [betrokkene 14] . [betrokkene 1] stuurt dan naar [verdachte] : Net 75 meegegeven. Daarna stuurt hij nog: Hebben nu 96 L van de 100. Op 19 oktober 2020 meldt [betrokkene 1] weer aan [verdachte] hoe ver hij is en vraagt hij of [medeverdachte 3] de olie op komt halen. Op 20 oktober 2020 stuurt [betrokkene 1] aan [verdachte] : Pap die ik moet hebben [onbekende alias 1] 5000 Tuin 350 Werker 1 1000 Werker 2 3000 heeft al 2000 gehad Ik heb 1000 gehad en campinggeld Telefoon hoef ik niet te betalen want werk voor jou toch? Op 27 oktober 2020 stuurt [betrokkene 1] aan [verdachte] : [onbekende alias 1] vind goed dat we nog een keer draaien. Op 30 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] : [gebruikersnaam 1 betrokkene 1] heeft alles gemaakt dus alles draait weer. Die avond ontdekt [betrokkene 1] een zender onder de auto van de [onbekende alias 1] en stuurt daarover berichten aan [medeverdachte 1] . Vlak daarna stuurt [medeverdachte 3] ook aan [medeverdachte 1] : Er zit een zender onder auto van [onbekende alias 1] !! Op 5 november 2020 laat [betrokkene 1] aan [verdachte] weten: 116 lieter en 250 milliliter. Na 5 november 2020 heeft de telefoon van [betrokkene 1] vanaf 9 november 2020 vooral masten in Neerkant aangestraald. Op basis van de berichten eind oktober dat er nog een keer gedraaid zou mogen worden, en het feit dat de telefoon van [betrokkene 1] geen masten in Someren meer aanstraalde, concludeert de rechtbank dat er na 5 november 2020 niet meer geproduceerd is in Someren. Op 24 december 2020 om 15.13 uur werd op beelden - gemaakt door een camera gericht op de roldeur en loopdeur van de achterzijde van de loods - gezien dat er drie mannen met een sleutel de deur van de loods openden en de loods binnengingen. Zij verlieten na ongeveer 5 minuten de loods. Op dat moment zijn politie-eenheden aangestuurd om die personen aan te houden. Op dezelfde dag is er door het Interventie Team Opsporing van de districtsrecherche regio Oost-Brabant op de [adres 2] te Someren een productielocatie van synthetische drugs aangetroffen en ontmanteld. De persoon die eigenaar is van het perceel, en tevens betrokkene is bij het drugslab, betreft: [betrokkene 3] , geboortedatum: [1952] Tevens werden er op het moment van de ontmanteling diverse personen op de locatie aangetroffen en aangehouden. Dit betreffen de volgende personen: [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . De LFO die op 24 december 2020 ter plaatse is gekomen zag op het perceel naast de genoemde vrijstaande garage een bakwagen staan. Zij zagen, via een zijdeur, dat de laadruimte van de bakwagen volledig was gevuld met stukgesneden jerrycans en RVS ketels. In de laadruimte troffen zij tevens metalen koelbuizen, gasbranders en lege zakken van pre-precursor aan. Door de LFO is geconstateerd dat: In de genoemde ruimtes werden goederen en chemicaliën aangetroffen die wijzen op de vervaardiging en/of bewerking van BMK en amfetamine; In de woning werd circa 85 liter (vermoedelijk) amfetamine-olie aangetroffen; Diverse gemodificeerde industriële reactieketels zijn aangetroffen. Inhoud respectievelijk 125, 400 en 768 liter. Tevens zijn 3 stukgesneden industriële reactieketels met een inhoud van 768 liter aangetroffen evenals 9 Au Bain Mariebakken en 5 koelbuizen. Alle aangetroffen productieapparatuur was gebruikt en een deel had de geur van amfetamine; In de container en de bakwagen een grote hoeveelheid, deels stukgesneden, verpakkingen (jerrycans, vaten, IBC’s en zakken zijn aangetroffen); In diverse ruimtes van de loods de metalen draagbalken, ijzeren onderdelen alsmede een aanwezige boiler zwaar waren aangetast, vermoedelijk als gevolg van de zure dampen; Er vermoedelijk synthetische drugs afval is geloosd via een kunststof pijp; Op basis van de lege dopvaten, goed voor 5.800 liter formamide, tussen de 6.958 en 9.278 kg onversneden amfetamine pasta geproduceerd kan zijn; Dat gelet op het vorenstaande hier sprake is geweest van grootschalige productie van BMK en amfetamine. Het NFI heeft monsters van de LFO onderzocht en geconcludeerd dat in het onderzoeksmateriaal amfetamine is aangetoond. Verder zijn formamide, mierenzuur en N-formylamfetamine aangetroffen, alles te relateren aan de productie van amfetamine via de Leuckartmethode. Betrokkenheid en rol verdachten bij productielocatie Someren. De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat in Someren in de periode van 26 maart 2020 tot 24 december 2020 aan de [adres 2] in een schuur een productielocatie voor de productie voor amfetamine was, die werd aangestuurd en gefinancierd door [verdachte] . Hij onderhield contact met de werkers in en ten behoeve van de locatie. Hij liet het eindproduct verkopen door zijn zoon [medeverdachte 1] . De rechtbank zal na de bespreking van ook de productielocatie Neerkant verder ingaan op de mate van betrokkenheid van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] is vanaf 26 maart 2020 betrokken bij deze productielocatie als chauffeur en logistieke man. Hij reed met personen, spullen en eindproduct over de gehele tenlastegelegde periode. [medeverdachte 6] heeft geproduceerd in Someren. Hij is daar (soms zijdelings) bij betrokken geweest vanaf 26 maart 2020 tot hij arbeidsongeschikt raakte in september 2020 (waarover later meer). Voor de rest van de ten laste gelegde periode zal [medeverdachte 6] worden vrijgesproken. De vier verdachten kenden elkaar en communiceerden met elkaar. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Zij waren op de hoogte van het bestaan en het doel van de locatie en leverden allemaal een onmisbare bijdrage aan de productie van de amfetamine die daar plaatsvond. Er is dan ook sprake van medeplegen voor elk van de verdachten, met dien verstande dat niet voor iedereen eenzelfde periode bewezen zal worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanwijzingen voor de productie van metamfetamine op deze locatie, zodat alle verdachten daarvan zullen worden vrijgesproken. Neerkant. Op 25 februari 2021 is in Neerkant aan de [adres 3] een draaiende productielocatie aangetroffen. De eigenaar van het perceel is [betrokkene 5] , geboren op [1955] . Op basis van zijn verklaringen en de verklaringen van zijn zoon [betrokkene 6] kan worden vastgesteld dat zij een dieselhok hebben verhuurd rond december 2019 en dat zij daarna een witte schuur hebben gebouwd. Voor betrokkenheid bij dit lab zijn eerder veroordeeld: - [betrokkene 5] ; - [betrokkene 1] ; - [betrokkene 8] ; - [betrokkene 7] ; - [betrokkene 4] ; - [betrokkene 2] . Uit de eerste EncroChat-berichten die kunnen worden (mee)gelezen blijkt dat [medeverdachte 2] kennelijk bezig is met de productie van m. De letter M wordt in het jargon in het algemeen gebruikt om MDMA (XTC) mee aan te duiden. [verdachte] is daarvan op de hoogte, zo blijkt uit een bericht van 27 maart 2020: [medeverdachte 2] kan jij zelfde plaats die m afgooien. Op 30 maart 2020 stuurt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 2] : Heb kilo P en [medeverdachte 2] reageert: Oke maat ga die morgen wel testen. In het jargon wordt met P gedoeld op PMK, een precursor van MDMA. Op woensdag 1 april 2020 stuurt de in dit dossier niet-geïdentificeerde EncroChat-gebruiker [gebruikersnaam 3 medeverdachte 2] aan [medeverdachte 2] : Heb je ice? (…) Heb je nog m [medeverdachte 2] reageert: Nee niet meer ga maandag weer maken. Op 9 april 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [verdachte] wanneer hij grondstoffen gaat bestellen. [verdachte] vindt dat [medeverdachte 2] daar eerst alles weg moet doen. Op 13 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] : Heb jij romel weg gedaan, [medeverdachte 2] reageert op 14 april 2020: Heb de tonnen leeg gemaakt [alias 2 van medeverdachte 2] . Uit de mastlocatiegegevens blijkt dat [medeverdachte 2] voordat hij dit bericht verstuurde aanstraalde op masten in de buurt van de [adres 3] te Neerkant. Op 15 april 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] : Is die loods klaar. Bij die m hok. Kan daar ketels voor appaan. Op 18 april 2020 Stuurt [betrokkene 2] naar [medeverdachte 6] : We hebben net die [betrokkene 9] gebeld. Hij wil kontrakt zo snel mkgelijk En gas geven met ons Hij ziet jou als baas zegt die oude daat dit weekend nog met jou daarheen als kan om afspraken.te.makrn Wat later die dag stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] : Maandag 12 uur kaper (…) Ik wil jou vertellen wat jij tegen due [onbekende alias 1] moet zeggen misschien dat hij met ons verder wil gaan [medeverdachte 2] : Oke Op 19 april 2020 stuurt [verdachte] nog aan [medeverdachte 2] : Neem [alias 5 medeverdachte 10] mee hij weet wat er kapot is aan due keteles. Op maandag 20 april 2020 stuurt [betrokkene 2] naar [medeverdachte 6] : Oude wil dadelijk met jou naar [betrokkene 9] Hij kan morgen niet vandaag wel Was hij vergeten [medeverdachte 6] reageert: Hwb nu afspraak cameel maat (…) En brn daar met 3 mensen als ander half uur duurt dan hun afzetten thuis (…) [betrokkene 2] vraagt: Waarom zit je daar dan voor wat? [medeverdachte 6] : Heb wat dingen te bespreken met verliezen en zo. En over daar [betrokkene 9] Op deze dag straalt de telefoon van [verdachte] een mast in Neerkant aan. Dit is de enige keer dat in het dossier zichtbaar is dat hij een mast aanstraalt in de buurt van een productielocatie. Op 5 mei 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] : Kan jib zondag helpen. Met twer man. (…) Met [onbekende alias 1] . (…) Waar ketel ligt. (…) Heb jij mail van due [alias 2 betrokkene 2] . (...) Mail hem en vraag hoe laat jij daar heen moet. [alias 2 betrokkene 2] is een bijnaam van [betrokkene 2] , de rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] hier opdracht geeft aan [medeverdachte 2] om contact op te nemen met [betrokkene 2] . Op woensdag 6 mei 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 6] : Liefst vrijdag ketels op halen pik. [medeverdachte 6] reageert: Jha maar moet ook effe regeln sat daar meteen goed staan bij nuwe locatie. [verdachte] zegt: Dat kan pik met zijl over heen zaterdag gaan ze dicht makne. Op vrijdag 8 mei 2020 stuurt [medeverdachte 2] aan [verdachte] : [alias 2 van medeverdachte 2] ik ga morgen daar werken en zondag ook maar wanneer kan ik dan beginnen met m te maken [verdachte] : Als het klaar is [alias 2 van medeverdachte 2] en p poeder binneb is. Op 9 mei 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] waar hij is. [medeverdachte 2] reageert: Werkwn [alias 2 van medeverdachte 2] bih die [onbekende alias 1] . Op 12 mei 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 6] : Yo maat ik heb spullen voor nieuwe hok maar ik heb test kan dat morgen gedaan worden. Op vrijdag 15 mei 2020 stuurt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 2] : Hallo zijn jullie morgen ook daar. Bij die [onbekende alias 1] . Er is nog zat te doen. [medeverdachte 2] : Hey maat morgen kan ik niet [betrokkene 2] : Hoelang heb jij werk met stroom [medeverdachte 2] : 4 uurtjes max [betrokkene 2] : Moeten even gas gaan geven daar vriend snap je duurt allemAl te lang zo komende week moet klaar zijn Tegelijkertijd instrueert [verdachte] [medeverdachte 2] : Als jij mwt [alias 5 medeverdachte 10] gaat zijn jullie met 4 a 5 man dan svhiet het op. (…) Zeg tegen [alias 2 betrokkene 2] . [medeverdachte 2] : Ik spreek hem nu De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] gelijktijdig met [verdachte] en [betrokkene 2] berichten aan het wisselen is en neemt daarom aan dat ook hier met ‘ [alias 2 betrokkene 2] ’ op [betrokkene 2] werd gedoeld. Op 16 en 19 mei 2020 straalt de telefoon van [medeverdachte 6] een mast in Neerkant aan. Op 20 mei 2020 spreken [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] af elkaar om 07.30 uur te treffen. Uit de berichten van ochtend van 21 mei 2020 blijkt dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 6] inderdaad ging ophalen. In de middag straalt de telefoon van [medeverdachte 6] opnieuw een mast in Neerkant aan. Op 25 mei 2020 stuurt [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1] : Het cameel 2000 klaar logge voor [betrokkene 5] [betrokkene 1] zegt: Heb het tegen hem gezegd. Op vrijdag 29 mei 2020 stuurt [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 2] : Yo maat kan je morgen naar [betrokkene 5] . Yo maat leefde nog. Of bende aan het horre. Ook [verdachte] stuurt [medeverdachte 2] die dag een bericht: [alias 2 van medeverdachte 2] kab jullie morgem. Of [alias 5 medeverdachte 10] . Ik beltaal die dag wel. Op zaterdagochtend reageert [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 6] : Had gisteren beetje gezopen had telefoon niet bij maat. In de middag stuurt hij vervolgens: Oke vloer klaar nu licht en wanden zette.dan nog afzuigers en water klaar. Die zaterdag straalt de telefoon van [betrokkene 2] een mast in Neerkant aan. Op vrijdag 5 juni 2020 stuurt [medeverdachte 1] aan een contact: Eind deze week is nieuwe hok klaar. Dan 5 dagen erna heb ik weer nieuwe toppers. (…) Komt a olie gewoon weer. Op donderdag 11 juni 2002 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 1] : Ik denk einde volge de week Onze hok klaar. Op vrijdag 12 juni 2020 stuurt [verdachte] aan [betrokkene 2] : Hoeveel geld heb jij nodig om die want te zetten [betrokkene 2] : (…) We gaan er morgen vroeg naartoe oude wil echt morgen veel man hebben daar. Neef komt ook zei die [alias 2 betrokkene 2] en [alias 5 medeverdachte 10] en lange als kan Moet klaar [alias 2 van medeverdachte 2] [verdachte] stuurt een minuut later naar [medeverdachte 2] : [alias 2 van medeverdachte 2] kan jij en [alias 5 medeverdachte 10] morgen helpen dan is hok klaar. Op zaterdag 13 juni 2020 wordt bekend dat Encrochat is meegelezen door de politie. Vanaf dat moment lijkt de communicatie verder te gaan met SkyECC-toestellen. Op maandag 15 juni 2020 straalt de SkyECC van [betrokkene 2] een mast in Neerkant aan. Op maandag 22 juni 2020 vraagt [verdachte] aan [betrokkene 2] of hij [betrokkene 1] kan bereiken. Dat hij die hok klaar maakt. Samen met [gebruikersnaam 4 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ). Moet deze week klaar. Op 26 en 30 juni 2020 straalt de telefoon van [betrokkene 1] een mast in Neerkant aan. Op 1 juli 2020 is dat ook het geval. [betrokkene 1] stuurt dan foto’s aan [verdachte] waarop vier ketels in een lab te zien zijn en afzuigsystemen aan het plafond. Deze foto’s vertonen specifieke overeenkomsten met latere foto’s van het lab in Neerkant van de LFO. [betrokkene 1] stuurt vervolgens: Maat morgen nog 1 dagje afwerken dan is klaar Op water na. Kleine dingentjes Wij zijn nu net aangereden Alleen die verdeling van de [onbekende alias 1] ze water na de koelers. Op 3, 4 en 6 juli 2020 straalt de telefoon van [betrokkene 1] een mast in Neerkant aan. Op 6 juli 2020 doet