← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2024:4318

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23/3551 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2024 in de zaak tussen [eiser] uit [woonplaats] (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport (hierna: de minister) (gemachtigden: mr. A.S. Sanchit-Premchand, [naam] en [naam] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen het, na een nacontrole, op nihil vaststellen van de eerder aan hem verleende subsidie op grond van de SOIT en het terugvorderen van het hele al aan hem betaalde subsidiebedrag.
  2. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister eisers subsidie op grond van de SOIT op nihil vastgesteld en het hele al aan hem betaalde subsidiebedrag teruggevorderd.
  3. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaar heeft op 7 september 2023 een hoorzitting plaatsgevonden.
  4. Op 11 september 2023 heeft eiser nog aanvullende informatie aan de minister verstrekt en op 11 oktober 2023 een schikkingsvoorstel aan de minister gedaan.
  5. Met het bestreden besluit van 11 december 2023 op eisers bezwaar is de minister bij het besluit van 3 mei 2023 gebleven.
  6. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
  7. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  8. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de minister. Wat ging er vooraf aan het bestreden besluit?
  9. Eiser is radioloog en heeft gebruik gemaakt van de SOIT. Om aan de SOIT te voldoen, is eiser op 1 juni 2016 uitgetreden uit de specialistenmaatschap van radiologen in [plaats] en is hij per 30 juni 2016 in loondienst getreden bij zorginstelling [naam] te [plaats] (hierna: [naam] ). 9.
  10. Op basis van dit loondienstverband heeft de minister met het besluit van 31 augustus 2016 de door [naam] voor eiser ingediende subsidieaanvraag ingewilligd en eiser een subsidie verleend van maximaal € 100.000,–. Daarbij is bepaald dat in 2016 een voorschot van € 80.000,– aan [naam] zal worden betaald en bij vaststelling in 2020 het restant van € 20.000,–, als aan alle voorwaarden blijkt te zijn voldaan. 9.
  11. Op 28 februari 2019 is eisers dienstverband met [naam] beëindigd en op 1 maart 2019 is eiser, op basis van een arbeidsovereenkomst met [naam] , in het [naam] in [plaats] gaan werken. 9.
  12. Met het besluit van 21 oktober 2020 heeft de minister op grond van de door eiser verstrekte informatie de subsidie vastgesteld op € 100.000,–. Daarbij is eiser erop gewezen dat een nacontrole op een later tijdstip tot de mogelijkheden behoort. 9.
  13. Met een brief van 1 december 2022 heeft de minister eiser laten weten dat zijn aanvraag tot subsidievaststelling is geselecteerd voor een nacontrole. Hierna heeft eiser de door de minister gevraagde stukken ingestuurd. 9.
  14. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister eisers subsidie op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, van de SOIT op nihil vastgesteld en het al aan eiser betaalde subsidiebedrag teruggevorderd, omdat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 9 van de SOIT. Beoordeling door de rechtbank
  15. De rechtbank beoordeelt of het intrekken van de eerder vastgestelde subsidie, het vaststellen van de subsidie op nihil en het terugvorderen van het al aan eiser betaalde subsidiebedrag van € 100.000,– rechtmatig is. Zij doet dat aan de hand van eisers beroepsgronden.
  16. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn beroepschrift deels dezelfde gronden heeft vermeld als in bezwaar. In het bestreden besluit is op de bezwaargronden ingegaan. Het is aan eiser om in beroep gronden aan te voeren waarin hij uiteenzet waarom de motivering in het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Bezwaargronden van voor het bestreden besluit kunnen logischerwijs niet zien op de motivering van dat besluit. De rechtbank zal daarom in deze beroepszaak alleen de beroepsgronden die zien op de motivering van het bestreden besluit beoordelen.
  17. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  18. De minister vindt dat zij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen. Eiser heeft volgens de minister niet voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. Hij is namelijk niet voor minimaal vier jaar uitsluitend op basis van een of meer arbeidsovereenkomsten met een of meer zorgaanbieders (in de zin van de SOIT) als medisch specialist werkzaam geweest. In 2019 is eiser in loondienst getreden bij [naam] , wat geen zorgaanbieder is in de zin van de SOIT. Daarom heeft eiser in de relevante periode als specialist niet uitsluitend op basis van arbeidsovereenkomsten met zorgaanbieders gewerkt. Dat een specialistenmaatschap geen zorgaanbieder is, was volgens de minister voldoende kenbaar. Het had eiser duidelijk moeten zijn dat hij moest blijven voldoen aan de subsidievoorwaarden en als hij dat niet meer kon, had hij dat bij de minister moeten melden. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij geen werkelijke keuzevrijheid had om van baan te wisselen. Een belangenafweging is in het algemeen vervat in artikel 5 van de SOIT waarmee de discretionaire bevoegdheid van de minister is ingevuld. De door eiser in bezwaar vermelde individuele omstandigheden leiden volgens de minister niet tot de conclusie dat de verleende subsidie niet mocht worden ingetrokken en op nihil mocht worden vastgesteld. Voor matiging van het terug te vorderen subsidiebedrag ziet de minister geen aanleiding. De minister wijst ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 10 maart
  19. De rechtbank wijst er allereerst op dat de SOIT een ministeriële regeling die is gebaseerd op de Kaderwet VWS-subsidies. Het wettelijk kader in deze zaak bestaat naast de SOIT uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de Kaderwet Zorginstellingen. De voor de beoordeling van het beroep belangrijkste wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
  20. Als uitgangspunt geldt dat de minister bij het opstellen van een subsidieregeling als de SOIT veel beslissingsruimte heeft. De SOIT is het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om voor een bepaalde activiteit subsidie te verlenen. Die activiteit betreft de overstap van vrijgevestigde medisch specialisten naar loondienst, waarbij duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en de medisch specialisten ontstaan.
  21. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, en artikel 4 van de SOIT wordt subsidie verstrekt aan medisch specialisten die hun hoedanigheid als vrijgevestigd specialist beëindigen en die daarna uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders als medisch specialist werkzaam zijn. In artikel 9 van de SOIT wordt aan deze arbeidsverhouding een periode van vier jaar verbonden. Een arbeidsverhouding van een kortere duur wordt in het kader van de SOIT niet gezien als een gehele overstap en wordt daarom geacht niet te voldoen aan het doel van de SOIT, te weten het realiseren van duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en medisch specialisten.
  22. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser binnen de op hem betrekking hebbende periode van vier jaar – te weten op 1 maart 2019 – in loondienst is getreden bij [naam] wat geen zorgaanbieder is in de zin van de SOIT.
  23. Hierna zal de rechtbank het beroepschrift per beroepsgrond bespreken. Moet artikel 5 (en 9) van de SOIT onverbindend worden verklaard?
  24. Eiser vindt dat artikel 5 van de SOIT onverbindend moet worden verklaard omdat dat in strijd is met artikel 4:46 en/of artikel 4:49 van de Awb. In artikel 5 is dwingend bepaald dat de subsidie nihil is als de subsidiabele activiteiten niet (geheel) hebben plaatsgevonden of als niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 9 van de SOIT. Dat strookt volgens eiser niet met de discretionaire bevoegdheid in de genoemde artikelen uit de Awb.
  25. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb neergelegde discretionaire bevoegdheid kan worden begrensd door een bijzondere subsidieregeling op gronden die verband houden met de aard en het doel van de daarin voorziene subsidies. In zo’n regeling kan de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb geëiste belangenafweging voor bepaalde in dat artikellid vermelde gevallen in algemene zin worden verricht en op grond daarvan kan worden bepaald dat het bestuur in die gevallen verplicht is tot lagere vaststelling.
  26. In artikel 5, tweede lid, van de SOIT is bepaald dat het bedrag van de subsidie in afwijking van het eerste lid nihil is indien, voor zover in dit geval aan de orde, (b) de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bedoeld in artikel
  27. Uit de SOIT en de daarbij behorende toelichting blijkt dat deze tot doel heeft het realiseren van duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en medisch specialisten. De regel dat de subsidie op nihil wordt vastgesteld als de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen als bedoeld in artikel 9, strekt ertoe naleving van die verplichtingen zeker te stellen.
  28. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister het bestreden besluit terecht op artikel 5, tweede lid, van de SOIT heeft gebaseerd. Eiser is vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tot en met 31 mei 2020 als medisch specialist niet uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam geweest. Daarom heeft hij niet voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. De minister heeft in dit geval geen discretionaire bevoegdheid de subsidievaststelling op nihil achterwege te laten en er bestaat voor de door eiser gewenste belangenafweging in dit geval dan ook geen ruimte. De minister was bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen. De beroepsgrond slaagt niet. Is de SOIT onevenredig?
  29. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat het vereiste zoals dat in de definities van de SOIT wordt neergelegd verder gaat dat het doel van de SOIT. Daarom hoort vanwege de evenredigheid de precieze duiding van de definities onverbindend te worden verklaard. In de beroepsgronden heeft eiser gezegd dat de minister hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan en dat daarom in elk geval sprake is van een motiveringsgebrek.
  30. De minister is het hier niet mee eens. Volgens haar is hier in het bestreden besluit wel degelijk op ingegaan. Van een onvoldoende gemotiveerd besluit is dan ook geen sprake volgens de minister.
  31. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onvoldoende motivering op dit punt in het bestreden besluit. De door eiser genoemde bezwaargronden worden in het bestreden besluit op pagina 2 onder het kopje “Voldaan aan doelstelling van de SOIT” vermeld. Vervolgens motiveert de minister op pagina 4 onder het kopje “Niet voldaan aan doelstelling van de SOIT” waarom volgens haar de bezwaargrond van eiser niet slaagt. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredigheid terugvordering: Is de regel onvoldoende kenbaar?
  32. Eiser vindt het onterecht dat van hem als radioloog wordt verlangd dat hij geheel up-to-date is als het gaat om juridische voetangels en klemmen en geheel vlekkeloos complexe juridische regelgeving begrijpt en daarnaar leeft.
  33. De rechtbank vindt in dit verband allereerst van belang dat eiser met de ondertekening van het subsidieaanvraagformulier heeft verklaard bekend te zijn met de voorwaarden die worden gesteld aan de subsidieverlening. In een situatie als deze waarin eiser van plan was een arbeidsovereenkomst aan te gaan met een andere entiteit dan een ziekenhuis, had het op zijn weg gelegen om bij de minister te informeren of dat gevolgen heeft voor de verleende subsidie, juist als (voor eiser) het antwoord niet meteen uit de definitiebepalingen van de SOIT valt af te leiden. De minister heeft in zijn besluit tot subsidieverlening eiser uitdrukkelijk gewezen op zijn meldplicht om een nieuwe arbeidsovereenkomst met een zorgaanbieder te melden. Ook daarin ligt de verantwoordelijkheid van eiser besloten om de minister voor te leggen of een medisch specialistisch bedrijf wel of niet als zorgaanbieder wordt beschouwd. En ook is in het besluit tot subsidieverlening vermeld dat eiser bij vragen contact kan opnemen met de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). Niet in geschil is dat eiser dat niet heeft gedaan. Dat hij zich wel heeft gewend tot een HR-manager en een jurist van de landelijke dienst artsen maakt dat niet anders. Het is dus niet zo dat eiser zelf per se van alle ins- en outs van de regelgeving op de hoogte moet zijn, maar het is wel aan hem om zo nodig de daarvoor geëigende beschikbare informatiepunten te raadplegen of hulp in te schakelen. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredigheid terugvordering: Is het onmogelijk om de regel na te komen?
  34. Eiser vindt dat in het bestreden besluit te gemakkelijk wordt gezegd dat niet is aangetoond dat hij nergens anders terecht kon. Met de brief van 11 september 2023 is volgens eiser wel aannemelijk gemaakt dat recht op vrije arbeid door SOIT wordt beperkt. Dat eiser in dienst kon komen bij [naam] was een uitzondering.
  35. De minister zegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, dat het recht op vrije arbeid niet door de voorwaarden uit de SOIT wordt beperkt omdat het een vrije keuze is om subsidie aan te vragen en er wel een mogelijkheid is om een andere arbeidsovereenkomst met een zorgaanbieder aan te gaan. Het was eisers eigen keuze om zonder contact op te nemen met de minister een ander baan te nemen. Niet aangetoond is dat er geen baan als bedoeld in de SOIT beschikbaar was. Wat eiser heeft overgelegd, is onvoldoende. Dat hij wegens persoonlijke omstandigheden niet elders in het land wilde werken, maakt niet dat het recht op vrije arbeid werd beperkt. Het was een vrije keuze van eiser om subsidie aan te vragen en zich te binden aan de verplichtingen, aldus de minister.
  36. Op dit punt kan de rechtbank de minister volgen. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de subsidie aan te vragen. Dan moet hij zich ook aan de daarvoor geldende eisen houden. Van de door hem gestelde verziekte werksfeer in [naam] is geen enkele motivering geven en evenmin heeft eiser voldoende onderbouwd dat er geen ander werk dan bij [naam] beschikbaar was. Daarvan mag de minister een onderbouwing verwachten. Overigens lijkt eiser ook zelf niet uit te sluiten dat er wel geschikte vacatures in Nederland waren. Hij heeft daar niet naar gekeken, omdat die gelet op zijn persoonlijk leven te ver weg waren. Die keuze mocht eiser maken, maar dan had hij zich ook moeten realiseren dat hij dan mogelijk niet meer in aanmerking zou komen voor subsidie. Eiser had er ook voor kunnen kiezen om in elk geval het restant van de periode van vier jaar ondanks de gestelde verziekte werksfeer de voorgeschreven periode van vier jaar vol te maken of tijdelijk wat verder te reizen naar zijn werk als hij de subsidie wilde behouden. Nu hij daarvoor niet heeft gekozen, had hij dit in elk geval aan de minister moeten laten weten. Dan had hij ook geweten of hij in dat geval wel of geen recht meer had op de subsidie. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredigheid terugvordering: Is volledige terugvordering onevenredig?
  37. Eiser vindt dat de minister ten onrechte zegt dat in het geheel niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, van de SOIT.
  38. De rechtbank wijst erop dat een van de legitieme voorwaarden uit de SOIT is dat iemand die de subsidie krijgt vier jaar als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam moet zijn geweest. Deze periode heeft de Afdeling als redelijk gezien om de arbeidsovereenkomst als duurzaam te zien. Omdat eiser niet voldoet aan de vier jaartermijn is ook geen sprake van een duurzame arbeidsovereenkomst en voldoet eiser dus niet aan de voorwaarden, zelfs niet een beetje. Het is volgens de SOIT niet de bedoeling dat als iemand bijvoorbeeld maar twee jaar zo’n arbeidsovereenkomst heeft gehad hij dan recht heeft op 50% van het totale bedrag. Volgens de SOIT is een arbeidsovereenkomst pas na vier jaar duurzaam. Een beetje duurzaam bestaat in dit geval niet. Overigens heeft eiser zelf gezegd dat hij door de gehele terugvordering niet in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. De rechtbank begrijpt daaruit dat eiser de terugbetalingsverplichting vervelend vindt, maar dat leidt op zich niet tot een onevenredigheid. De beroepsgrond slaagt niet. Gelden de artikelen 9 en 10 van de SOIT voor wijziging van de subsidie?
  39. Eiser stelt in bezwaar dat de dwingende formulering in artikel 9 en 10 ziet op de vaststelling van de subsidie en niet op een wijziging daarvan. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. In beroep zegt eiser dat de minister hierop niet is ingegaan.
  40. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op pagina 6 (van 10) van de beslissing op bezwaar geeft de minister aan dat hij de subsidie lager kan vaststellen. Eiser gaat uit van een wijziging, maar in feite betreft het hier een vaststelling op een lager bedrag. Dat maakt dat de artikelen 9 en 10 van de SOIT gewoon van toepassing zijn. Hoewel het wellicht wat impliciet is, kan wat de minister schrijft gezien worden als een reactie op de bezwaargrond. Bovendien heeft de minister in de beslissing op bezwaar en in het verweerschrift de omstandigheden van het geval in ogenschouw genomen en kenbaar meegewogen. Dat is ook nog eens op de zitting benadrukt door de gemachtigden van de minister. De beroepsgrond slaagt niet. Is nacontrole rechtmatig in het licht van de rechtszekerheid?
  41. Eiser vraagt zich af of een nacontrole nadat met het verkrijgen van formele rechtskracht van het vaststellingsbesluit rechtmatig is in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel.
  42. De minister wijst daartoe op artikel 4:49, derde lid, van de Awb waaruit blijkt dat de subsidie niet meer kan worden ingetrokken of in nadeel van eiser kan worden gewijzigd na vijf jaar. In dit geval waren er nog geen vijf jaar voorbij. Eiser is ook op de mogelijkheid van nacontrole gewezen. Daarom is in dit geval volgens de minister geen strijd met vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel.
  43. De rechtbank kan de minister op dit punt volgen. Een termijn van vijf jaar, die ook duidelijk is vermeld in artikel 4:49, derde lid, van de Awb geeft eiser voldoende rechtszekerheid. Als die vijf jaren nog niet zijn verstreken, moet eiser er rekening mee houden dat de subsidie, na een nacontrole, nog kan worden gewijzigd.De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  44. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat hij het aan hem door de minister al betaalde subsidiebedrag van € 100.000 in zijn geheel moet terugbetalen.
  45. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september
  46. griffier rechter De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4
  47. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 4:46
  48. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. 2 De subsidie kan lager worden vastgesteld indien: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten. 3Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen. Artikel 4:49
  49. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen: a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld; b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. 3 De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan. Artikel 4:57
  50. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. 2 Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. 3 Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak. 4 Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken. Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg 2016 Artikel 1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: arbeidsovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; arts: persoon ingeschreven als arts in een register als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg; inspecteur: inspecteur als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; instelling: organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, met uitzondering van een organisatorisch verband waarbinnen in het kader van de binnen een instelling verleende zorg, een deel van die zorg wordt verleend. medisch specialist: arts als bedoeld in artikel 2, eerste lid; minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 3; vrijgevestigd medisch specialist: arts die uitsluitend anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst met een of meer zorgaanbieders en anders dan op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam is als medisch specialist; zorgaanbieder: 1°. natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een instelling in stand houdt; 2°. natuurlijke personen of rechtspersonen, die gezamenlijk een instelling vormen. Artikel 3 Voorwaarden aanspraak op subsidie
  51. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een natuurlijk persoon die: a. het gehele jaar 2015 een vrijgevestigde medisch specialist was die op grond van de voor hem voor dat jaar geldende één of meer overeenkomsten ten minste twintig uren per week aanwezig was in een instelling ter uitoefening van zijn beroep; b. met ingang van een na 31 december 2015 doch voor 1 juli 2016 gelegen tijdstip zijn hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist heeft beëindigd; c. zonder dat sprake is of zal zijn van een andere vergoeding daarvoor dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten 1° zijn activiteiten als vrijgevestigd medisch specialist heeft gestaakt; 2° de activiteiten als vrijgevestigd medisch specialist in een rechtspersoon heeft beëindigd, en d. met ingang van het tijdstip, bedoeld in onderdeel b, als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam is en zal zijn. 2 De minister verstrekt per medisch specialist slechts één subsidie op grond van deze regeling. Artikel 4 Subsidiabele activiteiten De minister verstrekt de subsidie met het oog op de beëindiging na 31 december 2015 en voor 1 juli 2016 van de hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist en het met ingang van het tijdstip van die beëindiging, als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam zijn. Artikel 5 Subsidiebedrag
  52. Het bedrag van de subsidie is € 100
  53. 2 Het bedrag van de subsidie is in afwijking van het eerste lid, nihil indien: a. de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4 niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, of b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bedoeld in artikel
  54. 3 De minister kan in afwijking van het eerste lid, de subsidie op een lager bedrag vaststellen indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan: a. de in deze regeling aan de subsidie verbonden verplichtingen anders dan bedoeld in artikel 9, of b. de verplichtingen die de minister krachtens artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de subsidie-ontvanger heeft opgelegd. Artikel 9 Aanvullende doelverplichtingen
  55. De subsidie-ontvanger is vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tot en met 31 mei 2020 als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam. 2 Er wordt voor de beëindiging van de hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist, geen vergoeding door een derde verleend anders dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. 3 De subsidie-ontvanger die in de periode, bedoeld in het eerste lid, niet langer voldoet aan het eerste of tweede lid, meldt dat feit onverwijld aan de minister. Artikel 10 Aanvraag subsidievaststelling
  56. De zorgaanbieder respectievelijk een zorgaanbieder waarmee de medisch specialist een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, dient namens de medisch specialist, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2020 in. 2 Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt. 3 De medisch specialist machtigt de instelling, bedoeld in het eerste lid, voor het indienen van de aanvraag en het in ontvangst nemen van de betaling door de minister van het subsidiebedrag. 4 In afwijking van het eerste lid, dient de subsidie-ontvanger de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, indien hij niet langer als medisch specialist werkzaam is. 5 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie worden gevoegd: a. een kopie van de aangiften voor de inkomstenbelasting over het jaar 2016 en de daaropvolgende jaren, die de medisch specialist heeft gedaan; b. indien de activiteiten als vrijgevestigd medisch specialist in een rechtspersoon waren ondergebracht een kopie van de aangiften voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2016 en de daaropvolgende jaren die voor die rechtspersoon zijn gedaan; c. een kopie van de door de inspecteur vastgestelde aanslagen, bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen inzake de door de medisch specialist over het jaar 2016 en daaropvolgende jaren verschuldigde inkomstenbelasting en van de toelichting op de correcties op de aangiften; d. een kopie van de door de inspecteur vastgestelde aanslagen, bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen inzake de door in onderdeel b bedoelde rechtspersoon over het jaar 2016 en daaropvolgende jaren verschuldigde vennootschapsbelasting en van de toelichting op de correcties op de aangiften; e. de machtiging, bedoeld in het derde lid, en f. het tussen de medisch specialist en de zorgaanbieder, bedoeld in het eerste lid, overeengekomen schema van de betalingen van de door de minister vastgestelde subsidie. 6 De kopieën, bedoeld in het vijfde lid, kunnen in afwijking van dat lid, uiterlijk op 1 juli 2020 ook afzonderlijk, door de medisch specialist aan de minister worden verstrekt. Kwaliteitswet zorginstellingen Artikel 1 (…)
  57. Niet als instelling wordt beschouwd het organisatorisch verband waarbinnen in het kader van de binnen een ander organisatorisch verband verleende zorg, een deel van die zorg wordt verleend. (…) Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg
  58. Artikel 5, tweede lid, onder b, en artikel 9, eerste lid, van de SOIT. ECLI:NL:RVS:2021:
  59. Zie rechtsoverweging 9.2 van genoemde uitspraak van de Afdeling van 10 maart
  60. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:155 en eerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  61. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG4100 ECLI:NL:RVS:2021:507, r.o 9.2

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.