RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer / rekestnummer: 11238895 / EJ VERZ 24-453 Beschikking van 8 november 2024 in de zaak van OOSTAPPEN VAKANTIEPARK PRINSENMEER B.V., gevestigd te Asten, verzoekster in het inleidend verzoek, verweerster in het tegenverzoek, hierna te noemen: Oostappen Prinsenmeer, gemachtigde: mr. N. Duine, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het inleidend verzoek, verzoeker in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. D.H. Guldemond. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt geen billijke vergoeding toegekend, omdat niet is komen vast te staan dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Wel heeft werknemer recht op een transitievergoeding, betaling van achterstallig loon en niet-opgenomen vakantiedagen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 19, ingekomen ter griffie op 31 juli 2024; het verweerschrift met tegenverzoeken met bijlagen 1 tot en met 20, ingekomen ter griffie op 25 september 2024; bijlagen 20 tot en met 28 met toelichting van de zijde van Oostappen Prinsenmeer. 1.2. Op 4 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting hebben de gemachtigden van partijen spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Tevens heeft de gemachtigde van [verweerder] enkele screenshots van WhatsApp-gesprekken overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. De datum voor beschikking is bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [verweerder] , geboren [geboortedag] 1966, is op 1 oktober 2015 bij Oostappen Prinsenmeer in dienst getreden in de functie van Meewerkend Horeca Verantwoordelijke met een salaris van € 3.581,70 bruto per maand. 2.2. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Recreatie van toepassing. In de cao (geldend in 2020) is, voor zover voor dit geschil van belang, het volgende bepaald: “ARTIKEL 22 BUITENGEWOON VERLOF (…) (…) ARTIKEL 23 BUITENGEWOON VERLOF (…) 2.3. [verweerder] heeft zich op 24 juli 2022 ziekgemeld bij Oostappen Prinsenmeer. Op 29 augustus 2020 is [verweerder] door de bedrijfsarts gezien. De bedrijfsarts heeft [verweerder] tot de eerste week van september volledig arbeidsongeschikt verklaard en geadviseerd om hem te laten re-integreren met een beperkt takenpakket conform het volgende schema: Week 35: Takenpakket bespreken met de werkgever, waarna re-integratie in passend werk kan worden opgestart voor 2x 2 uur per week. Week 36-37: 2x 2 uur per week Week 38: 3x 2 uur per week Week 39: 4x 2 uur per week 2.4. Op 16 september 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Oostappen Prinsenmeer en [verweerder] . In dit gesprek is afgesproken dat [verweerder] op 20 september 2022 zal starten met de re-integratie volgens het schema van de bedrijfsarts. 2.5. Op 18 september 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [A] , directeur van Oostappen Prinsenmeer. In dit gesprek heeft [A] [verweerder] geconfronteerd met het feit dat hij is gefilmd terwijl hij in de nacht van 17 op 18 september 2022 eten aan het bereiden was in een shoarmazaak. 2.6. Op 20 september 2022 is [verweerder] op het werk verschenen, waar hij kort daarna weer is vertrokken en zich opnieuw ziek heeft gemeld. 2.7. Vanwege het incident in de shoarmazaak heeft de bedrijfsarts partijen mediation geadviseerd. Partijen hebben mediation gevolgd maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. Vervolgens is re-integratie in spoor 2 gestart. 2.8. Op 15 maart 2023 is een arbeidsdeskundigenrapport opgesteld. In dit rapport is vermeld dat de bedrijfsarts geen duurzame kansen ziet om te re-integreren bij de eigen werkgever en dat [verweerder] deze visie van de bedrijfsarts deelt. 2.9. In de eerstejaarsevaluatie, gedateerd 5 juli 2023, is bij de reden waarom de werknemer nog niet werkt vermeld dat ‘het geen optie is om terug te keren bij de eigen werkgever’. 2.10. Op 29 maart 2024 is de probleemanalyse bijgesteld. In de bijstelling probleemanalyse staat het volgende vermeld: “Bijstelling einddoel re-integratie. Mediation conclusie: terugkeer bij eigen werkgeer is geen optie. Spreekuur 13-12-2022: Re-integratie op de eigen werkplek is geen optie. Dat betekent wanneer mogelijkheden ontstaan voor integratie in arbeid een spoor 2 traject ingezet moet worden.” 2.11. Op 3 april 2024 is de eindrapportage van de re-integratie in het tweede spoor opgesteld en op 29 april 2024 de eindevaluatie. 2.12. Op 29 april 2024 is tevens het plan van aanpak WIA bijgesteld. In de bijstelling van het plan, dat [verweerder] niet voor akkoord maar voor gelezen heeft ondertekend, staat het volgende: “Bijstelling einddoel re-integratie. Gezien een arbeidsconflicten mislukte mediation is het doel 'terugkeer in eigen functie of terugkeer bij eigen, werkgever' geen optie meer. De mediation is per december 2022 beëindigd en heeft niet geleid tot een oplossing. Om die reden wordt vanaf dat moment gefocust op spoor 2. Dit is steeds zo gecommuniceerd met werknemer en spoor 2 is ook opgestart (zie rapportages hiervan). Onverhoopt is dit niet tijdig formeel vastgelegd in dit document. Feitelijk zijn er echter geen re-integratiemogelijkheden gemist.” 2.13. Naar aanleiding van de eindevaluatie van de re-integratie is voor [verweerder] een WIA-uitkering aangevraagd. Op 9 juli 2024 heeft het UWV beslist dat [verweerder] vanaf 21 juli 2024 een voorschot op een WIA-uitkering krijgt van € 2.526,27 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. 2.14. [verweerder] heeft zich op 23 juli 2024 per e-mailbericht bij Oostappen Prinsenmeer beter gemeld. 2.15. Oostappen Prinsenmeer heeft op 29 juli 2024 een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV vanwege langdurige werkloosheid. 2.16. Op 15 augustus 2024 heeft het UWV afwijzend op de WIA-aanvraag van [verweerder] beslist op de grond dat dat uit het oordeel van de verzekeringsarts van het UWV blijkt dat [verweerder] niet ziek en dus ook niet arbeidsongeschikt. is. Het UWV heeft ook het re-integratieverslag beoordeeld en geconcludeerd dat [verweerder] en Oostappen Prinsenmeer voldoende hebben gedaan aan de re-integratie. 2.17. Op 13 september 2024 heeft het UWV afwijzend op de ontslagaanvraag van Oostappen Prinsenmeer beslist op de grond dat niet aannemelijk is dat werknemer door ziekte of gebreken niet in staat is het eigen werk in de functie van Meewerkend Horeca verantwoordelijke te verrichten. 2.18. Bij deze rechtbank is tussen partijen onder zaaknummer 10458093 / CV EXPL 23-2230 gelijktijdig een andere procedure aanhangig. In deze procedure vordert [verweerder] – kort gezegd – uitbetaling van gemaakte overuren en achterstallig salaris. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat Oostappen Prinsenmeer ter zake van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor de schade die [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Bij vonnis van 29 augustus 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:3871) heeft de kantonrechter in die procedure geoordeeld dat [verweerder] aanspraak maakt op verloning conform functieschaal 7 in plaats van zijn huidige functieschaal 6 en is Oostappen Prinsenmeer verzocht een nadere berekening te maken van het loon van [verweerder] vanaf december 2019, uitgaande van functieschaal 7. Ten aanzien van de zorgplicht en de door [verweerder] gevorderde schade is geoordeeld dat [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn klachten het gevolg zijn van het uitoefenen van zijn functie bij Oostappen Prinsenmeer. Het vonnis van 29 augustus 2024 is bij vonnis van 11 september 2024 hersteld in die zin dat Oostappen Prinsenmeer is verzocht een nadere berekening te maken van het loon van [verweerder] vanaf december 2018 in plaats van 2019. De zaak staat nu voor vonnis op 19 december 2024. 3Het verzoek en het verweer Het inleidende verzoek 3.1.1. Oostappen Prinsenmeer verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn, met aftrek van de proceduretijd, te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en te bepalen dat [verweerder] ten hoogste recht heeft op een transitievergoeding van € 11.608,24 bruto. 3.1.2. Oostappen Prinsenmeer heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen blijkt onder andere uit de (eerstejaars) evaluatie en de bijstellingen van de probleemanalyse en het plan van aanpak WIA op respectievelijk 29 maart 2024 en 29 april 2024. In al deze documenten wordt geconcludeerd dat terugkeer bij de eigen werkgever geen optie is. Daarnaast volgt uit het arbeidsdeskundigrapport van 15 maart 2023 dat de bedrijfsarts geen duurzame kansen ziet om te re-integreren bij de eigen werkgever en dat werknemer deze visie deelt. Een terugkeer zal een negatief effect hebben op de gezondheid van [verweerder] . Verder heeft [verweerder] de al ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding nog verder onder druk gezet door de loonvorderingsprocedure te starten. Oostappen Prinsenmeer acht de betermelding van [verweerder] op 23 juli 2024 ongeloofwaardig en meent dat [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt is. [verweerder] heeft zich enkel vanuit strategisch oogpunt beter gemeld om zodoende aanspraak te maken op uitbetaling van loon. Herplaatsing van [verweerder] ligt niet in de reden omdat Oostappen Prinsenmeer geen passende functie voor [verweerder] heeft waarbij de verstoorde arbeidsverhouding geen rol speelt. Oostappen Prinsenmeer heeft geen vertrouwen meer in [verweerder] voor de uitoefening van welke functie dan ook. Het verweer en tegenverzoek 3.2. [verweerder] heeft in het verweerschrift betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens hem is geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding maar een verschil van inzicht over het re-integratieproces zodat het ontbindingsverzoek niet kan worden toegewezen. Ter zitting heeft [verweerder] zijn bezwaren tegen het ontbindingsverzoek echter prijsgegeven zodat verdere vermelding van het oorspronkelijk gevoerde verweer in zoverre achterwege kan blijven. 3.3.1. [verweerder] heeft in zijn verweerschrift de navolgende tegenverzoeken gedaan. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: bij de berekening van de transitievergoeding een bruto maandloon te gebruiken van € 4.618,24; een billijke vergoeding toe te kennen aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Oostappen Prinsenmeer ex artikel 7:671b lid 8 sub c Burgerlijk Wetboek (BW); - te bepalen dat hij recht heeft op uitbetaling van 210 niet opgenomen vakantiedagen. In het geval de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden: - voor recht te verklaren dat zijn wettelijke vakantiedagen van 2019 tot en met 2023, in totaal 140 dagen, niet zijn komen te vervallen en dat hij daar nog recht op heeft; en in ieder geval: - te bepalen dat [verweerder] recht heeft op uitbetaling van achterstallig loon per 20 juli 2024, te weten een bedrag van in totaal € 9.109,70; te bepalen dat [verweerder] recht heeft op de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris, zijnde een bedrag van € 2.814,14 (tot 4 oktober 2024) en wat conform art. 7:625 lid 1 BW nog oploopt; met veroordeling van Oostappen Prinsenmeer in de kosten van de procedure. 3.3.2. [verweerder] legt aan zijn tegenverzoeken het volgende ten grondslag. Voor zover het ontbindingsverzoek wordt toegewezen heeft [verweerder] recht op de wettelijke transitievergoeding. Bij de berekening van de transitievergoeding dient rekening te worden gehouden met het feit dat [verweerder] gebruik mag maken van een chalet op het vakantiepark Prinsenmeer. Het gebruik van het chalet is een belangrijk onderdeel van zijn emolumenten. Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst is hem medegedeeld dat aan het gebruik van het chalet een waarde van € 500,00 wordt verbonden. Aangezien inmiddels tien jaar is verstreken en alle prijzen zijn gestegen, is [verweerder] van mening dat bij het bruto loon, naast 8% vakantietoeslag, tevens een bedrag van € 750,00 moet worden opgeteld. Bij de berekening moet derhalve uit worden gegaan van een bruto loon van € 4.618,24 (inclusief vakantietoeslag). 3.3.3. [verweerder] maakt aanspraak op een billijke vergoeding aangezien Oostappen Prinsenmeer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Enerzijds doordat zij door laakbaar gedrag en het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst een verstoring van de arbeidsverhouding heeft laten ontstaan en anderzijds door discriminerend gedrag van verschillende leden van de familie [A] . Oostappen Prinsenmeer heeft veel gedaan om de arbeidsverhouding met [verweerder] te verstoren. Voor zover een verstoring van de arbeidsverhouding wordt aangenomen is deze in overwegende en ernstige mate aan Oostappen Prinsenmeer te wijten. De handelwijze van Oostappen Prinsenmeer is niet gericht geweest op re-integratie van [verweerder] maar op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft [verweerder] bij Oostappen Prinsenmeer te maken gehad met discriminatie. [verweerder] werd door [A] en andere personeelsleden ‘kameel’ en ‘schapenvreter/neuker’ genoemd en er werd verteld dat hij in drugs dealde. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding dient te worden verdisconteerd dat [verweerder] inmiddels de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt en slechts kort recht heeft op een WW-uitkering omdat hij voor zijn dienstverband bij Oostappen Prinsenmeer steeds een eigen onderneming heeft gehad. Gezien zijn leeftijd, achtergrond en afkomst zal hij niet snel een gelijkwaardige baan vinden in de horeca op managersniveau. 3.3.4. Aangezien het UWV heeft bepaald dat [verweerder] vanaf 21 juli 2024 weer arbeidsgeschikt is en nog steeds bij Oostappen Prinsenmeer in dienst is, dient Oostappen Prinsenmeer het loon van [verweerder] door te betalen. Hoewel [verweerder] vanaf zijn betermelding wekelijks aan Oostappen Prinsenmeer te kennen heeft gegeven beschikbaar te zijn voor arbeid, heeft Oostappen Prinsenmeer bewust gekozen [verweerder] niet terug te laten keren in het arbeidsproces. 3.3.5. [verweerder] heeft doordat hij extreem veel moest werken en zijn daaropvolgende arbeidsongeschiktheid nooit zijn vakantiedagen op kunnen nemen. Conform de cao heeft [verweerder] per jaar recht op viermaal de gewerkte arbeid per week. Daarnaast bouwt hij nog bovenwettelijke vakantiedagen op van jaarlijks één dag per werkdag. Aangezien [verweerder] 7 dagen per week werkte heeft hij over de periode 2019 tot en met 2024 recht op 168 wettelijke vakantiedagen en 42 bovenwettelijke vakantiedagen. De wettelijke vakantiedagen zijn op grond van artikel 7:640a BW niet komen te vervallen aangezien [verweerder] redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. 4De beoordeling Het verzoek van Oostappen Prinsenmeer Ontbinding 4.1. Beoordeeld dient te worden of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden moet worden. 4.2. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:669 lid 3 BW is bepaald wat een redelijke grond is. Ingevolge artikel 7:669 lid 1 BW is voor ontbinding ook vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 4.3. Oostappen Prinsenmeer heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. In afwijking van hetgeen [verweerder] in het verweerschrift heeft aangevoerd heeft hij ter zitting verklaard dat hij zich niet tegen de ontbinding verzet en dat hij de verstoorde arbeidsverhouding erkend. Bovendien is tussen partijen niet (langer) in geschil dat gegeven de verstoorde arbeidsverhouding herplaatsing van [verweerder] geen optie is. 4.4. Het voorgaande betekent dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding en herplaatsing niet mogelijk is. Van een opzegverbod is geen sprake, aangezien [verweerder] vanaf 21 juli 2024 weer arbeidsgeschikt is zodat de kantonrechter het verzoek van Oostappen Prinsenmeer zal toewijzen. Transitievergoeding 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat Oostappen Prinsenmeer recht heeft op een transitievergoeding. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de transitievergoeding. Op de hoogte van de transitievergoeding zal hierna, bij de bespreking van de tegenverzoeken, nog worden teruggekomen aangezien dit afhankelijk is van de datum van ontbinding en deze op haar beurt weer van de eventuele aanwezigheid van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Oostappen Prinsenmeer. De tegenverzoeken van [verweerder] Billijke vergoeding 4.6. Op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub c BW kan de kantonrechter indien een verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt toegewezen, een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen veronachtzaamt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst of zich laakbaar gedraagt en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Ook kan dit aan de orde zijn als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt en er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor. Dit wordt hierna toegelicht. 4.7.1. [verweerder] baseert zijn verzoek om toekenning van een billijke vergoeding allereerst op de stelling dat de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende en in ernstige mate aan Oostappen Prinsenmeer is te wijten omdat haar houding en gedrag steeds gericht is geweest op beëindiging van de arbeidsovereenkomst en niet op re-integratie van [verweerder] . Als voorbeelden van deze houding/dit gedrag noemt [verweerder] dat Oostappen Prinsenmeer: [verweerder] jarenlang heeft laten werken met een onderbezetting van tot wel 80% niet goed heeft ingegrepen bij meerdere incidenten dan wel bedrijfsongevallen; binnen no-time na de ziekmelding van [verweerder] op 23 juli 2022 het e-mailaccount van [verweerder] heeft geblokkeerd en de sloten van zijn kantoor heeft vervangen; 10 dagen na zijn ziekmelding het kantoor van [verweerder] heeft ontruimd; En dat [A] binnen drie weken na de ziekmelding naar het chalet heeft geïnformeerd en duidelijk heeft gemaakt dat het chalet moet worden opgeleverd; [verweerder] door [A] en andere familieleden via camera’s in de gaten werd gehouden. 4.7.2. Op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken stelt de kantonrechter vast dat de verstandhouding tussen partijen (lees: tussen [A] en [verweerder] ) is verslechterd vanaf januari 2022, na de aanstelling van [B] , als Parkbeheerder en direct leidinggevende van [verweerder] (hierna: [B] ). Zoals [verweerder] het formuleert kon hij sindsdien ‘niets meer goed doen’. De verstandhouding is verder verslechterd tijdens het re-integratieproces, in het bijzonder na het incident in de shoarmazaak, zoals omschreven onder 2.5. Uit het dossier komen echter geen duidelijke aanknopingspunten naar voren dat deze verslechtering van de onderlinge verstandhoudingen specifiek (in overwegende mate) aan Oostappen Prinsenmeer te wijten is. De door [verweerder] onder c, d en e genoemde argumenten zijn hiervoor onvoldoende. Deze gedragingen halen zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien de hoge drempel van ernstige verwijtbaarheid niet. [verweerder] heeft zijn stelling dat het beleid van Oostappen Prinsenmeer niet gericht was op re-integratie maar op beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan ook onvoldoende onderbouwd. 4.7.3. Voorts heeft [verweerder] de onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.