RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven zaaknummer : 11290567 rolnummer : CV EXPL 24-6248 uitspraakdatum: 15 november 2024 in de zaak van [eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. M.P. van Vroonhoven, t e g e n : 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , gedaagde sub 1, hierna te noemen: [gedaagde 1] , die niet is verschenen, en 2 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde sub 2, hierna te noemen: [gedaagde 2] , gemachtigde: mr. A.S. Kasdiran. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in kort geding van 17 september 2024 met 11 producties,- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met 2 producties, - de verstekverlening tegen [gedaagde 1] . 1.2. De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2024. Namens [eiseres] is verschenen de beheerder, mevrouw [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Daarnaast is [gedaagde 2] verschenen met haar gemachtigde. [gedaagde 1] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat en wanneer vonnis zal worden gewezen. De uitspraakdatum is uitgesteld tot vandaag. 2Het geschil 2.1. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot ontruiming van de woonruimte aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , en hoofdelijke veroordeling van hen tot betaling van de huurachterstand tot en met september 2024 van € 10.254,04, de buitengerechtelijke kosten van € 705,83, de gebruiksvergoeding van € 1.212,48 voor iedere maand dat het gehuurde vanaf 1 oktober 2024 niet is ontruimd, en de kosten van de procedure, met de wettelijke rente over deze gevorderde bedragen. 2.2. [eiseres] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Sedert 1 december 2023 is de huur door gedaagden niet meer (volledig) voldaan. [eiseres] is met [gedaagde 1] in april 2024 een betalingsregeling overeengekomen, die niet is nagekomen. Ook aan de mondeling geaccordeerde vaststellingsovereenkomst van juni 2024 is met uitzondering van één betaling van € 1.176,02 niet voldaan. Daarop is door [eiseres] medegedeeld dat de vaststellingsovereenkomst en betalingsregeling zijn vervallen. Door het laten ontstaan van de zeer substantiële huurachterstand schieten gedaagden ernstig tekort in de nakoming van hun verplichtingen als huurders. Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst. Daarop vooruitlopend kan in deze kortgedingprocedure ontruiming van het gehuurde worden toegewezen. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat het aannemelijk is dat ook komende huurtermijnen door gedaagden onbetaald zullen worden gelaten, terwijl de kosten ten aanzien van het gehuurde gewoon doorlopen. Daarnaast is aannemelijk dat huurders geen enkel verhaal bieden. 2.3. [gedaagde 2] voert het volgende verweer. De relatie tussen haar en [gedaagde 1] is verbroken en sinds januari 2023 woont zij bij haar moeder in [plaats] . De huurovereenkomst tussen haar en [eiseres] is in januari 2023 geëindigd, omdat zij vanaf dat tijdstip niet langer haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft en de Hoge Raad in 2021 heeft geoordeeld dat de 'scheidingsregeling' van artikel 7:267 lid 7 BW eveneens van toepassing is op andere samenwoners dan echtgenoten en geregistreerde partners. Daarnaast is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om [gedaagde 2] twintig maanden na haar vertrek uit de woning aan te spreken op de betaling van de huurachterstand. Het is ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid om haar voor de betalingsachterstand hoofdelijk aansprakelijk te houden, terwijl er niet met haar over die achterstand is gecorrespondeerd. Zij concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. 2.4. Van [gedaagde 1] is geen verweer bekend. 3De beoordeling 3.1. [gedaagde 1] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Tegen hem wordt verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] wel is verschenen, wordt dit vonnis ingevolge artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ook jegens [gedaagde 1] als een vonnis op tegenspraak beschouwd. Vorderingen jegens [gedaagde 1] 3.2. De vorderingen jegens [gedaagde 1] zijn niet onrechtmatig of ongegrond en zullen daarom worden toegewezen als hierna te bepalen. Vorderingen jegens [gedaagde 2] 3.3. Met betrekking tot de vorderingen jegens [gedaagde 2] geldt het volgende. 3.4. Vast staat dat de huurovereenkomst is ondertekend door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] . Zij zijn dus contractuele (mede-)huurders. Met een beroep op artikel 7:267 lid 5 BW en een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1964) stelt [gedaagde 2] zich op het standpunt dat de huurovereenkomst met haar in januari 2023 is geëindigd omdat zij sindsdien niet langer haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft. [gedaagde 2] wordt in dat standpunt niet gevolgd. Artikel 7:267 lid 5 BW is opgenomen in onderafdeling 3 van afdeling 5, titel 4 van boek 7 BW. In deze onderafdeling zijn bepalingen ondergebracht die betrekking hebben op ‘niet-contractuele huurders’, oftewel wettelijke medehuurders, van woonruimte. Dat volgt uit artikel 7:266 lid 1 BW, waarin is bepaald wanneer een persoon van rechtswege medehuurder wordt, en artikel 7:267 lid 1 BW, waarin is bepaald dat iemand als gevolg van instemming van de verhuurder of een rechterlijke beslissing medehuurder kan worden. Het gebruik van het woord ‘medehuurder’ in artikel 7:267 lid 5 BW moet in die context worden bezien. Daaronder wordt dus verstaan de wettelijke (en niet: de contractuele) medehuurder. Uit niets blijkt dat artikel 7:267 lid 5 BW analoog moet worden toegepast op contractuele (mede-)huurders. Uit de door [gedaagde 2] aangehaalde uitspraak blijkt slechts dat het zevende lid van artikel 7:267 BW naar analogie kan worden toegepast wanneer contractuele medehuurders een geschil hebben over wie van hen het gehuurde moet verlaten en wie daarin mag blijven. Een rechterlijke beslissing heeft dan – met werking tegenover de verhuurder - tot gevolg dat de huurovereenkomst met één van de contractuele medehuurders eindigt. Daar is in dit geval geen sprake van. [gedaagde 2] is (één van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.