RECHTBANK OOST-BRABANT PACHTKAMER Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Zaaknummer: 10904694 CV EXPL 24-470 Vonnis van 14 november 2024 in de zaak van: [eiser] handelend onder de naam [bedrijfsnaam eiser], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. T. Waissi, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon de PROVINCIE NOORD-BRABANT, gevestigd te ’s-Hertogenbosch, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr. M.J.G. Peters. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 Dit vonnis is het vervolg op het tussenvonnis van 6 juni 2024. In dat vonnis is samengevat overwogen dat de pachtkamer eerst moet beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak, dat zij vooralsnog over onvoldoende informatie beschikt om die beoordeling te kunnen maken en dat daarom een mondelinge behandeling (zitting) is bepaald. Daarnaast is overwogen dat [eiser] voorafgaand aan die zitting aanvullende stukken in de procedure dient te brengen, dat de Provincie in de gelegenheid wordt gesteld daarop te reageren, en dat [eiser] ook de mogelijkheid krijgt om een conclusie van antwoord in reconventie in te dienen. 1.2 Vervolgens heeft [eiser] op 4 juli 2024 een zogenaamde “Akte uitlating / conclusie van antwoord in reconventie” met daarachter productie 11 in de procedure gebracht. In reactie daarop heeft de Provincie op 1 augustus 2024 een zogeheten “Antwoordakte naar aanleiding van bevoegdheidsvraag” met daarbij producties 8 en 9 ingediend. Op 2 oktober 2024 heeft de Provincie nog producties 10 en 11 toegezonden. 1.3 Op 15 oktober 2024 heeft de zitting plaatsgevonden. Daarbij was [eiser] in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. Waissi. De Provincie werd tijdens de zitting vertegenwoordigd door [A] (vastgoedjurist), bijgestaan door mr. Peters. Partijen hebben tijdens de zitting hun standpunten over de bevoegdheid van de pachtkamer toegelicht en ook hebben zij een inhoudelijke toelichting gegeven op de vorderingen. Door de gemachtigden is tijdens de zitting gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Verder hebben partijen vragen van de pachtkamer beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. 1.4 Tot slot is bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie Bevoegdheid pachtkamer 2.1 De pachtkamer blijft bij wat is overwogen in het vonnis van 6 juni 2024. 2.2 Vast staat dat de Provincie op basis van een overeenkomst een perceel grond (groot 0,9960 ha gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , hierna: het perceel) tegen betaling van een prijs van € 249,00 aan [eiser] in gebruik heeft gegeven. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van negen maanden, ingaande op 1 april 2022 en eindigend op 31 december 2022. 2.3 [eiser] heeft in de door hem uitgebrachte dagvaarding kort gezegd het standpunt ingenomen dat hij een hobbyboer is. Mede gelet daarop heeft de pachtkamer in het vonnis van 6 juni 2024 aanleiding gezien om te toetsen of zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. De pachtkamer behandelt en beslist namelijk alleen zaken over (onder meer) een pachtovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:311 BW. Voor het aannemen van een pachtovereenkomst dient samengevat sprake te zijn van bedrijfsmatige landbouw. Met andere woorden: voor het aannemen van een pachtovereenkomst, waaraan de pachtkamer in deze zaak haar bevoegdheid kan ontlenen, is vereist dat [eiser] het perceel gebruikt ter uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Pas als duidelijk is dat de pachtkamer bevoegd is, kan een inhoudelijke beoordeling van deze zaak plaatsvinden. 2.4 In tegenstelling tot zijn eerdere standpunt heeft [eiser] tijdens de zitting verklaard dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie, dat hij in die hoedanigheid de overeenkomst met de Provincie is aangegaan en dat de pachtkamer bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. 2.5 Gelet op het gewijzigde standpunt van [eiser] , zijn partijen het inmiddels eens dat sprake is van een pachtovereenkomst. Dat hier een pachtovereenkomst aan de orde is, wordt naar het oordeel van de pachtkamer bovendien bevestigd door de stukken die in de procedure zijn gebracht. De pachtkamer doelt dan bijvoorbeeld op de door de Provincie voorafgaand aan de zitting overgelegde stukken over de onderneming van [eiser] (een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de Gecombineerde Opgave 2021, uit dat laatste stuk blijkt dat [eiser] op dat moment over 26,72 ha landbouwgrond beschikte verdeeld over 34 percelen). De pachtkamer acht zich dan ook bevoegd kennis te nemen van deze zaak. De vorderingen van partijen worden hierna inhoudelijk beoordeeld. Inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] en de Provincie Kernvraag 2.6 Zowel [eiser] als de Provincie hebben een vordering ingesteld. Beide vorderingen gaan over hetzelfde onderwerp, namelijk over de vraag of de Provincie terecht op 9 mei 2023 aan [eiser] een contractuele boete van € 5.000,00 heeft opgelegd omdat hij volgens de Provincie voorwaarden uit de pachtovereenkomst heeft overtreden, en dus of [eiser] het nog openstaande boetebedrag van € 4.000,00 aan de Provincie dient te betalen. De overtreding van de voorwaarden ziet erop dat [eiser] het perceel tijdens de pachtperiode heeft gebruikt als bouwland en mais heeft geteeld, en dus niet heeft gebruikt als grasland op de wijze zoals de pachtovereenkomst dat voorschrijft, aldus de Provincie. De vordering en het standpunt van [eiser] 2.7 [eiser] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de boete onterecht is opgelegd, omdat er geen mais gedurende de pachtperiode op het perceel heeft gestaan en het perceel ook is omgevormd tot grasland zoals vereist. [eiser] heeft de Provincie op 6 juni 2023 erop gewezen dat hem bij aanvang van de pacht is gebleken dat de vorige gebruiker van het perceel maisstoppels had achtergelaten. [eiser] heeft vervolgens gras gezaaid op het perceel. Dat achteraf is gebleken dat de Provincie een andere methodiek voor ogen had (lees: een andere verwachting had) bij het zaaien van gras, had de Provincie vooraf en op een duidelijke manier aan [eiser] kenbaar moeten maken. Dan was voor [eiser] helder geweest wat precies van hem werd verwacht. Hij vindt het ook niet redelijk dat de boete bijna een half jaar nadat de pacht is beëindigd aan hem wordt opgelegd. Als de Provincie het perceel tijdens de pachtperiode had bezocht, had hij mogelijk actie kunnen ondernemen. Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat hij het bezoekverslag (waarnaar wordt verwezen in de brief van 9 mei 2023 waarin de boete is opgelegd) pas op 30 mei 2023 – en bovendien op zijn verzoek – heeft ontvangen. Verder heeft [eiser] betoogd dat hij in de pachtperiode wel degelijk de sloten heeft geschoond. Dit alles wil [eiser] primair tot uitdrukking zien in een verklaring voor recht waaruit blijkt dat de Provincie de boete onterecht heeft opgelegd en dat [eiser] niet gehouden is tot betaling van deze boete. Indien de boete toch terecht is opgelegd, vordert [eiser] subsidiair de boete te matigen tot nihil vanwege het onredelijke karakter van de boete. Zowel primair als subsidiair dient de Provincie veroordeeld te worden in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Het verweer en de tegenvordering van de Provincie 2.8 De Provincie verweert zich tegen de hiervoor omschreven vordering van [eiser] in conventie. Het verweer komt er in de kern op neer dat [eiser] mais heeft geteeld op het perceel, hij zich daardoor niet heeft gehouden aan de voorwaarden uit de pachtovereenkomst en hij dus tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst. Ook in het geval de maisstoppels afkomstig zouden zijn van de vorige gebruiker van het perceel, wat [eiser] heeft aangevoerd en wat door de Provincie wordt betwist, is [eiser] tekort geschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst. [eiser] was immers op basis van de pachtvoorwaarden gehouden het perceel om te vormen tot grasland door het in te zaaien met een mengsel van gras en klaver. Dat heeft hij niet gedaan. De boete is hoe dan ook terecht opgelegd en [eiser] moet die boete volledig aan de Provincie betalen. Gelet hierop vordert de Provincie op haar beurt in reconventie (tegenvordering) een verklaring voor recht dat [eiser] de boete van € 5.000,00 is verschuldigd, dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van het restant bedrag van € 4.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2023, en dat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het voorgaande heeft de Provincie aan de hand van de onderstaande artikelen als volgt (nader) onderbouwd. 2.9 In artikel 8 lid 2 van de pachtovereenkomst staat [de dikgedrukte tekst is aanbracht door de pachtkamer]: “Op het pachtobject is enkel grasland (gras)klaver, luzerne en/of het enten van bloemen en kruiden toegestaan. Overig gebruik en gebruik als bouwland is niet toegestaan.” Uit artikel 8 lid 3 van de pachtovereenkomst blijkt dat indien de pachter het perceel bij aanvang van de overeenkomst als bouwland aantreft, de pachter het dient om te vormen tot grasland op de wijze zoals is bepaald in artikel 8 lid 3, te weten: “Indien het pachtobject nog geen grasland betreft, dient pachter het pachtobject in te zaaien met een blijvend grasland mengsel in combinatie met een klavermengsel.” Op 14 maart 2023 heeft de Provincie bij controle van de oplevering van het perceel vastgesteld dat zich op het perceel maisstoppels bevinden. De ambtenaar van de Omgevingsdienst heeft het volgende gerapporteerd: “Op het perceel zijn maisstoppels aangetroffen. Het perceel is niet ingezaaid met een vanggewas. In 2022 is het perceel niet ingericht als grasland.” Ook heeft de ambtenaar bij de controle een aantal foto’s van het perceel genomen, onder meer: De stelling van [eiser] dat de vorige pachter het perceel ingezaaid zou hebben met mais is volgens de Provincie niet houdbaar, omdat ook uit eerdere foto’s, namelijk van 18 juli 2022, blijkt dat het perceel op dat moment (dus gedurende de pachtperiode) was ingezaaid met mais. Twee foto’s van 18 juli 2022 zijn hierna weergegeven: Bovendien heeft de toezichthouder vastgesteld dat de stoppels er in maart 2023 zodanig vers uitzien dat het niet aannemelijk is dat deze van een jaar eerder dateren zoals [eiser] wil doen geloven. Daarbij komt dat [eiser] de teelt van mais in 2022 ook als zodanig heeft opgeven bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), in de Gecombineerde Opgave 2022. In artikel 28 van de Algemene Pachtvoorwaarden, die van toepassing zijn verklaard op de pachtovereenkomst, staat kort gezegd dat indien de pachter zich niet houdt aan artikel 8 van de pachtovereenkomst, de pachter in verzuim is en hij op grond van het tweede lid van dit artikel een direct opeisbare boete is verschuldigd. In artikel 28 lid 2 van de Algemene Pachtvoorwaarden staat voor zover relevant vermeld: “Indien sprake is van een overtreding die niet meer ongedaan gemaakt kan worden is een voor matiging door de rechter vatbare boete van € 5.000,00 verschuldigd.” Omdat [eiser] in 2022 in strijd met de voorwaarden uit de pachtovereenkomst mais heeft geteeld en daardoor sprake is geweest van een onomkeerbare situatie, de overtreding kan immers niet ongedaan gemaakt worden, is hij de boete volledig verschuldigd. Voor matiging is dan ook geen plaats, temeer niet omdat de Provincie schade heeft geleden door het handelen en nalaten van [eiser] (de schade bestaat onder andere uit de vaststelling van de overtreding en het perceel moest alsnog worden omgevormd tot blijvend grasland). Bovendien ligt het perceel in het gebied Natuurnetwerk Brabant en daarbinnen gelden strenge(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.