← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2024:6108

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 24-021 Beslissing van 8 juli 2024 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te Uden, raadsvrouw mr. F. van Baarlen hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. E.C.P.M. Valckx, rechter-commissaris in strafzaken in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces-verbaal van bevindingen voorafgaand aan het verhoor van de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2024 in de strafzaak met parketnummer 01 .322491.20, waarin het mondelinge wrakingsverzoek van verzoeker en de gronden daarvoor zijn vermeld; de e-mail van mr. F. Van Baarlen aan de rechter van 14juni 2024, te 14.02 uur, houdende een nieuwe wrakingsgrond; de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 18 juni 2024; de e-mail van mr. Van Baarlen, betreffende haar aanvulling/commentaar op het proces-verbaal van bevindingen voorafgaand aan het verhoor; de spreekaantekeningen van mr. Van Baarlen, overgelegd op de mondelinge behandeling van de wrakingskamer op 27juni
  2. Voorts heeft de wrakingskamer de beschikking over e-mail correspondentie tussen mr. Van Baarlen en de rechter voorafgaand aan het wrakingsverzoek, te weten: de e-mail van mr. Van Baarlen van 13 juni 2024, te 14:35 uur; de e-mail van de rechter in antwoord daarop van 13 juni 2024, te 16:42; de e-mail van mr. Van Baarlen van 13 juni 2024, te 17:
  3. 1.
  4. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 27 juni 2024 zijn verschenen: - de raadsvrouw van verzoeker, mr. Van Baarlen. - de rechter. 2Het wrakingsverzoek 2.
  5. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter, in haar hoedanigheid van rechter-commissaris in de strafzaak tegen verzoeker (verdachte) met parketnummer 01.322491.
  6. 2.
  7. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Op 14 en 27 juni 2024 waren er getuigenverhoren gepland bij de rechter-commissaris. Verzoeker heeft de raadsvrouw kort daarvoor, op 13 juni 2024, aangezocht om hem te verdedigen in de strafzaak. De raadsvrouw heeft zich daarop gesteld. Op het moment van de geplande verhoren heeft de raadsvrouw nog geen kennis kunnen nemen van het dossier, het dossier dus ook niet met verzoeker kunnen bespreken en zich niet adequaat op de getuigenverhoren kunnen voorbereiden. Daardoor kon zij tijdens de getuigenverhoren ook geen effectieve verdediging voeren. De raadsvrouw heeft de rechter daarom gevraagd de getuigenverhoren aan te houden. Dit verzoek is niet gehonoreerd door de rechter. Daarop heeft de raadsvrouw de rechter voor de tweede keer gemotiveerd verzocht de getuigenverhoren aan te houden. Het afwijzen van het tweede verzoek om aanhouding en het aansluitend doorzetten van een aantal getuigenverhoren, terwijl de raadsvrouw zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden, is voor de raadsvrouw van verzoeker aanleiding geweest de rechter te wraken. De rechter is na de wraking doorgegaan met het verrichten van inhoudelijke werkzaamheden in de zaak door enkele getuigen te horen, terwijl het wrakingsprotocol de rechter gebiedt bij een wraking alle inhoudelijke werkzaamheden in de zaak te staken. Het handelen van de rechter – het ondanks het verzoek daartoe niet aanhouden van de getuigenverhoren en het, ondanks het wrakingsverzoek, horen van enkele getuigen – levert een zwaarwegende aanwijzing op voor het aannemen van (minst genomen) de schijn van partijdigheid. Die vrees voor vooringenomenheid is, aldus de raadsvrouw, objectief gerechtvaardigd. 2.
  8. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Zij heeft -samengevat- aangevoerd dat de afwijzing van het verzoek tot uitstel van de getuigenverhoren een processuele beslissing is. Dit levert geen grond voor wraking op. De rechter heeft zich vervolgens genoodzaakt gezien om de verhoren van de eerste drie getuigen door te laten gaan, omdat dit werkzaamheden betroffen die geen uitstel duIdden. Het ging om kwetsbare getuigen, die tevens als slachtoffer dienen te worden beschouwd en waardoor de rechter zich op grond van de EU-Slachtofferrichtlijn genoodzaakt voelde hun ondervraging geen onnodige vertraging te laten oplopen. De beslissing om getuigen te horen is een (proces)beslissing en levert geen grond voor wraking op. 3De beoordeling 3.
  9. Op grond van artikel 5 12 Sv kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. 3.
  10. De wrakingskamer is van oordeel dat beide wrakingsgronden zien op processuele beslissingen van de rechter, te weten een afwijzing van een verzoek om uitstel van het horen van getuigen en de beslissing tot het verrichten van werkzaamheden na gewraakt te zijn. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Het is dus niet aan de wrakingskamer om de juistheid van de beslissing tot het afwijzen van het uitstellen van de getuigenverhoren te beoordelen. Evenmin is het aan de wrakingskamer om te beoordelen of het horen van getuigen een beslissing is die geen uitstel duldde en waarbij de beslissing op het wrakingsverzoek niet kon worden afgewacht. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. 3.
  11. Wat betreft de motivering van de beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, r.o. 4.2.4.) 3.
  12. De vraag is of de beslissingen, vanwege hun motivering, blijk geven van vooringenomenheid. Verzoeker heeft over de beslissing tot afwijzing van het verzoek om uitstel van het horen van getuigen niet met voldoende feiten en omstandigheden onderbouwd dat daarvan sprake is. Voor wat betreft de beslissing van de rechter om getuigen te horen na gewraakt te zijn, geldt dat de rechter heeft gemotiveerd dat de die ochtend te horen getuigen kwetsbare getuigen zijn voor wie een verhoor bij de rechter commissaris zeer spannend is. Omdat één van de getuigen al was gearriveerd bij de rechtbank en de twee overige getuigen (waarschijnlijk) al onderweg waren kon de beslissing op het wrakingsverzoek in het belang van deze getuigen niet kon worden afgewacht, aldus de rechter. Deze motivering geeft geen blijk van vooringenomenheid van de rechter. 3.
  13. De verwijzing van verzoeker naar een uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2018:1830) maakt dit oordeel niet anders, omdat de feiten en omstandigheden in die zaak wezenlijk anders zijn dan onderhavige feiten en omstandigheden. In die zaak ging het om een procedurele beslissing, namelijk het uitstellen van een getuigenverhoor nadat de advocaat had laten weten ziek te zijn en de verhoren niet bij te kunnen wonen. In onderhavige zaak heeft de raadsvrouw de verhoren wel kunnen bijwonen. Bovendien gaat het anders dan de zaak waar verzoeker naar verwijst in onderhavige zaak om volgens de rechter kwetsbare getuigen. 3.
  14. De conclusie is dat geen vooringenomenheid van de rechter kan worden aangenomen en dat evenmin de daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek wordt daarom ongegrond verklaard. 4De beslissing De wrakingskamer - verklaart het verzoek tot wraking ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. Mandemakers, voorzitter, mr. J.H. Wiggers en mr. F. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli
  15. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.