vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Zaaknummer: 10218399 EL 22-84 Vonnis van de kantonrechter van 14 maart 2024 in de zaak van de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: USG Legal Professionals, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces. Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van Dexia van 18 oktober 2022; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer] 24-02-2000 Allround Sparen met maandbetaling 2.
- Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 12-01-2006 - € 814,42 Nee 2.
- Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomst - al dan niet bij wijze van vooruitbetaling - in totaal een bedrag van € 3.176,60 aan maand-termijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde] geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 101,44 aan fiscaal voordeel genoten. 2.
- Bij brief van 25 maart 2022 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen. 3De vordering en het verweer 3.
- Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 271,47, te vermeerderen met de wettelijke rente; zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is; [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten. 3.
- [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten. 3.
- Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4De beoordeling algemeen 4.
- Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden proce-dures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] . 4.
- De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.
- Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie 4.
- Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. Dexia vordert [gedaagde] te veroordelen tot een bedrag van € 271,47 en is zij in haar visie niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. 4.
- [gedaagde] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR
- Ook stelt [gedaagde] dat Dexia een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. 4.
- In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vorde-ring. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt hij daarin niet gevolgd. verjaring 4.
- Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde] inmiddels is verjaard. Dit verweer wordt niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 4.
- [gedaagde] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select B.V. (hierna te noemen: Spaar Select). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodig-de vergunning), tevens - naar Dexia wist of behoorde te weten - als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.
- De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toege-sneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] als de partij die zich op de rechts-gevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd - in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 - weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.
- [gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: Een adviseur van Spaar Select, te weten de heer [A] (hierna te noemen: de adviseur) regelde al jaren de verzekeringen voor [gedaagde] . De adviseur kwam bij [gedaagde] thuis voor een adviesgesprek over de verzekeringen. De echtgenote van [gedaagde] was ook bij het gesprek aanwezig. Tijdens het adviesgesprek over de verzeke-ringen informeerde de adviseur of [gedaagde] nog andere wensen had. [gedaagde] gaf aan dat hij geld wilde sparen voor een feest voor als hij 25 jaar getrouwd zou zijn. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde om een Allround Sparen overeenkomst bij Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur was op de hoogte van de financiële situatie van [gedaagde] , aangezien hij al jaren zijn verzekeringen regelde. In samenspraak met de adviseur is gekozen voor een maandelijkse inleg van ƒ 100,00 in de Allround Sparen overeenkomst. Daarnaast zette de adviseur zijn advies kracht bij door middel van een rekenvoorbeeld, die hij tijdens het adviesgesprek aan [gedaagde] liet zien. De adviseur heeft het rekenvoorbeeld weer meegenomen, dus [gedaagde] kan het rekenvoorbeeld niet overleggen. Met het rekenvoorbeeld liet de adviseur zien hoeveel vermogen het onderhavige product zou opleveren. Met de voorgespiegelde rendementen kon de doelstelling van [gedaagde] gerealiseerd worden. De adviseur heeft de rendementen zeer rooskleurig aan [gedaagde] voorgeschoteld. Er is geenszins rekening gehouden met minder hoge of zelfs negatieve rendementen, en over tegenvallende resultaten is in het geheel niet gesproken. De adviseur heeft [gedaagde] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een andere lening (de effectenlease-overeenkomst) werd betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenlease-overeenkomst. Als [gedaagde] had geweten van deze risico’s, had hij deze overeenkomst niet afgesloten. [gedaagde] had geen ervaring met beleggen en geen kennis van com-plexe financiële producten. [gedaagde] vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur. [gedaagde] had een vertrouwensband met de adviseur opgebouwd, aangezien hij al jaren zijn verzekeringen regelde. [gedaagde] heeft het advies van de adviseur opgevolgd. 4.
- [gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het aanvraagformulier Labouchere Effectenlease van 21 februari 2000 op naam van [gedaagde] , voorzien van het (handgeschreven) nummer [contractnummer] , de naam van de adviseur [B], het logo van de tussenpersoon Spaar Select, ATP-nummer [nummer] is ingevuld en waarop een stempel is geplaatst met de tekst “Spaar Select, [B] (…)”; - een kopie van de overeenkomst Allround Sparen met maandbetaling van 24 februari 2000 op naam van [gedaagde] met contractnummer [contractnummer] , voorzien van het adviseurs-nummer: [nummer] -Spaar Select B.V. en een stempel met de tekst: “Spaar Select, [B] (…)”; - een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van Spaar Select, waarop vermeld staat: “ [A] , accountmanager (…)”. 4.
- Deze stukken vormen, gelet op het gemotiveerde verweer van Dexia, onvoldoende onderbouwing voor de stellingen van [gedaagde] , zodat niet geconcludeerd kan worden dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Met name is van belang dat [gedaagde] stelt dat adviseur [A] al jaren de adviseur van [gedaagde] was en [A] ook de overeenkomst heeft aangeraden. Ten bewijze hiervan heeft [gedaagde] ook een visitekaartje van [A] overgelegd. Uit het aanvraagformulier en de overeenkomst blijkt echter dat niet [A] maar ene [B] een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst. Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt welke rol [B] dan wel [A] gespeeld heeft en wat de betekenis is van het overgelegde visitekaartje van [A] . Ook omdat [gedaagde] stelt dat het visitekaartje van [A] van hem afkomstig is, zal [gedaagde] duidelijk moeten maken wat de rol van beide door hem genoemde personen precies is geweest. [gedaagde] heeft dat nagelaten en daarom kan uit de door hem gepresenteerde feiten in samenhang met de bewijsstukken niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een verboden advisering. conclusie 4.
- Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Dexia kunnen worden toegewezen. Een vergoeding voor [gedaagde] voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590). 4.
- Omdat Dexia inhoudelijk gelijk krijgt is [gedaagde] aan te merken als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van Dexia worden begroot op: - griffierecht € 128,00 - dagvaarding € 127,42 - salaris gemachtigde € 542,00 (2x tarief € 271,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 932,
- 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Dexia van € 271,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2006; 5.
- verklaart voor recht dat Dexia niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met heden worden vastgesteld op € 932,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen; 5.
- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:
- Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.