RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/395199 / HA ZA 23-469 Vonnis van 19 maart 2025 in de zaak van BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT, te Oss, eisende partij, hierna te noemen: BSOB, advocaat: mr. S. van der Hoeven, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam gedaagde], te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.A.H.M. van der Wijst. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 juli 2023 (met prod. 1 t/m 14)- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 6 september 2023 (met prod. 1 t/m 6)- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de akte wijziging standpunt van BSOB van 28 oktober 2024 - de akte overlegging productie van BSOB van 28 oktober 2024 (met prod. 15) - de akte overlegging productie van BSOB van 28 oktober 2024 (met prod. 16) - de akte inbrengen aanvullende productie van [gedaagde] van 28 oktober 2024 (met prod. 7) - de mondelinge behandeling van 28 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- BSOB is een samenwerkingsverband van een aantal Brabantse gemeenten en Waterschap Aa en Maas. 2.
- BSOB is belast met de belastingtaak van deze gemeenten en het waterschap. BSOB zorgt in dat kader onder meer voor de verzending van aanslagbiljetten. Het biljet vermeldt onder andere de hoogte van de aanslag en een specificatie van het te betalen bedrag. In deze zaak gaat het om het voorblad van het aanslagbiljet van BSOB en om de pagina van het aanslagbiljet met een opsomming van en toelichting bij de verschuldigde belastingen, die als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis zijn gehecht (en die hierna samen zullen worden aangeduid als: het aanslagbiljet). 2.
- [gedaagde] heeft via de website [bedrijfsnaam gedaagde] een onderneming (een eenmanszaak) gevoerd. Zijn onderneming heeft zich met name gericht op het in opdracht van belastingplichtigen indienen van bezwaarschriften tegen WOZ-aanslagen, onder meer vastgesteld door gemeenten en belastingsamenwerkingen. 2.
- In de periode van eind februari tot en met begin maart 2023 heeft [gedaagde] in Oost-Brabant een flyer uitgebracht, die als bijlage 3 aan dit vonnis is gehecht (hierna te noemen: de flyer). Daarop is in de rechter-onderhoek een deel van het (met fictieve gegevens ingevulde) aanslagbiljet van BSOB zichtbaar. 2.
- In haar brieven van 3 mei 2023 en 13 mei 2023 aan [gedaagde] heeft BSOB [gedaagde] gesommeerd om het gebruik van de flyer met de afbeelding van haar aanslagbiljet te staken en gestaakt te houden. 3Het geschil 3.
- BSOB vordert, samengevat: I. veroordeling van [gedaagde] om iedere inbreuk op de auteursrechten van BSOB binnen 48 uur na betekening van het vonnis te staken en gestaakt te houden, II. veroordeling van [gedaagde] om op eigen kosten schriftelijk, waarheidsgetrouw, leesbaar, overzichtelijk geordend en goedgekeurd door een onafhankelijke en gekwalificeerde boekhouder, een volledige opgave te doen van A. het totale aantal productie- en/of aankooporders met betrekking tot de inbreukmakende flyers, B. het totale aantal inbreukmakende flyers dat is vervaardigd en/of ingekocht, met vermelding van de inkoopprijs per inbreukmakende flyer, C. het totale aantal inbreukmakende flyers dat door [gedaagde] is verspreid, onder vermelding van de gebruikte verspreidingskanalen en de aantallen verspreide inbreukmakende flyers per gebruikt verspreidingskanaal, D. de met de inbreuk behaalde omzet en winst, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte direct aan de inbreukmakende flyers toerekenbare kosten, III. veroordeling van [gedaagde] om op eigen kosten een rectificatie per e-mail te zenden aan de e-mailadressen van alle belastingplichtigen aan wie [gedaagde] de inbreukmakende flyer heeft toegezonden, alsmede de rectificatie te plaatsen op de homepage van zijn website [naam] en op zijn sociale mediakanalen en deze rectificatie na plaatsing gedurende 30 dagen te handhaven, IV. voorgaande veroordelingen op straffe van verbeurte van een dwangsom, V. veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van, naar keuze van BSOB, de door BSOB geleden schade, nader op te maken bij staat, en/of de door [gedaagde] gemaakte winst als gevolg van de inbreuk op de rechten van BSOB, VI. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente, VII. veroordeling van [gedaagde] in de volledige kosten van dit geding, waaronder de volledige advocaatkosten (vgl. artikel 1019h Rv), te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
- BSOB legt hieraan – kort en zakelijk weergegeven – het volgend ten grondslag. Het aanslagbiljet van BSOB is een auteursrechtelijk beschermd werk als bedoeld in artikel 10 lid 1 onder 1 van de Auteurswet (hierna: Aw). Het heeft een eigen oorspronkelijk karakter en het persoonlijk stempel van de maker. BSOB heeft het biljet laten ontwerpen door een gespecialiseerd ontwerpbureau Plan C, dat de auteursrechten bij akte van 21 juni 2023 aan BSOB heeft overgedragen. BSOB is dus de auteursrechthebbende en zij heeft daarmee als enige het recht om het aanslagbiljet openbaar te maken en te verveelvoudigen. [gedaagde] gebruikt in zijn flyer een afbeelding van dat aanslagbiljet van BSOB, waarbij alle auteursrechtelijk beschermde trekken van het aanslagbiljet zichtbaar zijn overgenomen. [gedaagde] heeft de flyer verspreid onder belastingplichtigen die woonachtig zijn in de gemeenten voor wie BSOB de belastingtaak uitvoert. [gedaagde] heeft geen toestemming van BSOB voor het gebruik van het aanslagbiljet in de flyer. [gedaagde] schendt met dat gebruik het auteursrecht van BSOB. BSOB maakt aanspraak op een deel van de winst die [gedaagde] heeft gemaakt met het verrichten van zijn diensten via de site [bedrijfsnaam gedaagde] . Ten minste een gedeelte van die winst is volgens BSOB namelijk toe te schrijven aan het gebruik van de afbeelding van het aanslagbiljet in zijn flyer. Volgens BSOB moet 30% van de winst van [gedaagde] aan het gebruik van de flyers worden toegerekend. Om de hoogte van dat bedrag te kunnen vaststellen, moet [gedaagde] rekening en verantwoording afleggen. Ook heeft BSOB schade geleden door de auteursrechtinbreuk van [gedaagde] . De hoogte van de schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. 3.
- [gedaagde] voert samengevat de volgende verweren: Het aanslagbiljet van BSOB is geen auteursrechtelijk beschermd werk. Het heeft juist geen oorspronkelijk karakter en draagt geen persoonlijk stempel van de maker. Als het aanslagbiljet wel auteursrechtelijke bescherming geniet, dan heeft [gedaagde] met het verspreiden van de flyer geen inbreuk op dat auteursrecht gemaakt. BSOB heeft het biljet namelijk al in het kader van haar publieke taak openbaar gemaakt, zodat [gedaagde] zich op de rechtvaardigingsgrond van artikel 15b Aw kan beroepen. Ook doet [gedaagde] een beroep op het citaatrecht uit artikel 15a Aw. Hij gebruikt namelijk maar een deel van het aanslagbiljet en dat met een gerechtvaardigd doel. Winstafdracht kan niet aan de orde zijn. De inkomsten van [gedaagde] bestaan alleen uit vergoedingen van door hem gemaakte proceskosten. Dat is per definitie geen winst, die op grond van het auteursrecht zou moeten worden afgedragen. Subsidiair moet worden uitgegaan van een lager winstpercentage dan 30%. BSOB heeft haar schade niet deugdelijk onderbouwd. Die vordering kan daarom niet worden toegewezen. De gevorderde rectificatie ziet niet op de auteursrechtinbreuk. Het gaat BSOB er kennelijk om dat zij meent dat met de flyer het vertrouwen in de overheid is geschaad. Dat is niet een belang dat het auteursrecht tracht te waarborgen. 3.
- Op de overige stellingen van partijen wordt, waar nodig, hierna verder ingegaan. 4De beoordeling Rust er auteursrecht op het aanslagbiljet van BSOB? 4.
- Partijen verschillen van mening over de vraag of het aanslagbiljet van BSOB in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.
- Als uitgangspunt geldt dat het werk waarvan bescherming wordt ingeroepen een eigen, oorspronkelijk karakter moet hebben en een persoonlijke stempel van de maker moet dragen. Dat er sprake moet zijn van een eigen, oorspronkelijk karakter houdt in dat het uiterlijk niet ontleend mag zijn aan dat van een ander werk. De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een uiterlijk dat het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Het werkbegrip van de Auteurswet vindt zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Daarnaast vindt het werkbegrip zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijke karakter enkel bepaald wordt door reeds bekende stijlelementen. Beslissend bij dit alles is de situatie op het moment waarop het werk voor het eerst openbaar is gemaakt. 4.
- Gelet op dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat het aanslagbiljet als auteursrechtelijk beschermd werk moet worden bestempeld. Bij de totstandkoming van het aanslagbiljet zijn – zoals BSOB terecht heeft gesteld – een aantal creatieve keuzes gemaakt. De rechtbank wijst daarbij op: de vormgeving van een logo van BSOB en de kleurkeuze daarvan en het daarbij gekozen lettertype; de opmaak en indeling van (het voorblad van) het aanslagbiljet, waarbij de belangrijkste gegevens bovenaan zijn geplaatst, gevolgd door een pagina met een opsomming van en toelichting bij de verschuldigde belastingen; de keuze om op het voorblad (de belangrijkste) gegevens te omlijnen met een dik donkergroen kader met aan de onderzijde twee groene pijlen het gebruik van een lichtgroen kader op het voorblad en op de pagina met de verschillende belastingen waarvoor de aanslag geldt (om technische redenen niet goed zichtbaar op bijlagen 1 en 2 bij dit vonnis, maar bij partijen genoegzaam bekend); de keuzes voor het gebruikte lettertype en de gebruikte letterkleuren; het gebruik op het voorblad van een groen omlijnd icoontje met de verwijzing naar het telefoonnummer voor vragen over het aanslagbiljet of de daarin opgenomen WOZ-waarde; het gebruik op het voorblad van een afbeelding van een schuin geplakte ‘post-it’ met daarop de contact- en bereikbaarheidsgegevens. [gedaagde] heeft gesteld dat het merendeel van de door BSOB gestelde kenmerkende elementen van haar aanslagbiljet direct is ontleend aan aanslagbiljetten van andere gemeenten, maar daar kan de rechtbank [gedaagde] niet in volgen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing alleen een aanslagbiljet van Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg in het geding gebracht (zijn productie 4). Een vergelijking leert dat de twee biljetten te veel van elkaar verschillen om te spreken van ontlening en een verdere onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde] niet gegeven. Bovendien heeft [gedaagde] ook zelf afbreuk aan deze stelling gedaan, door te verklaren dat hij voor elke regio een andere flyer liet drukken met daarop afgebeeld het aanslagbiljet van de specifieke belastinginner van die regio. Dat was volgens [gedaagde] nodig, zodat de inwoners het op de flyer afgebeelde aanslagbiljet aan de opmaak direct zouden herkennen. Daarmee erkent [gedaagde] dat er wezenlijke verschillen zijn tussen de aanslagbiljetten van de verschillende belastinginners. 4.
- De rechtbank concludeert dat het aanslagbiljet van BSOB een auteursrechtelijk beschermd werk is in de zin van artikel 10 lid 1 onder 1 Aw. Tussen partijen is niet in geschil dat BSOB dan de auteursrechthebbende is. Heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op het auteursrecht van BSOB? 4.
- Op grond van artikel 1 Aw heeft BSOB als auteursrechthebbende het uitsluitend recht om het werk (het aanslagbiljet) openbaar te maken en te verveelvoudigen. Anderen mogen dit in beginsel alleen met voorafgaande toestemming van BSOB, tenzij zij zich op een beperking van de Auteurswet kunnen beroepen. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] in beginsel inbreuk gemaakt op het auteursrecht van BSOB. [gedaagde] heeft op zijn flyer een groot deel van het voorblad van het aanslagbiljet en van het pagina met de opsomming van de verschillende belastingen van BSOB overgenomen. Het gaat dan niet om de, in deze zaak besproken, gegevens die op het aanslagbiljet zijn ingevuld, maar de voor het aanslagbiljet kenmerkende opmaak-elementen die hiervoor ook specifiek zijn vermeld. Deze zijn grotendeels overgenomen en goed zichtbaar op de flyer. De totaalindruk van de op de flyer overgenomen onderdelen van het aanslagbiljet van BSOB stemt voldoende overeen met het aanslagbiljet zelf om van een inbreuk te kunnen spreken. Daaraan doet niet af dat door de plaatsing op de flyer de elementen f en g uit de opsomming hiervoor onder randnummer 4.
- niet zichtbaar zijn. 4.
- In beginsel is dan ook sprake van inbreuk op het auteursrecht van BSOB. [gedaagde] beroept zich echter op twee wettelijke uitzonderingsgronden, die de rechtbank hierna achtereenvolgens zal bespreken. Kan [gedaagde] zich beroepen op artikel 15b Aw? 4.
- Uit artikel 15b Aw volgt dat het verder openbaar maken of verveelvuldigen van een door of vanwege de openbare macht openbaar gemaakt werk, geen inbreuk vormt op het auteursrecht dat aan die openbare macht toebehoort. [gedaagde] stelt dat BSOB het aanslagbiljet verstuurt ter uitoefening van haar publieke taak. Daarmee valt het aanslagbiljet volgens [gedaagde] onder de reikwijdte van artikel 15b Aw en maakt hij dus geen inbreuk op het auteursrecht van BSOB. 4.
- De rechtbank kan [gedaagde] in dat standpunt niet volgen. Uit artikel 15b Aw volgt dat het alleen van toepassing is als de eerste openbaarmaking van een werk door of vanwege de openbare macht plaatsvindt. Sinds 2006 geldt vanwege de aanvulling in het artikel (Stb. 2006, 25) dat deze bepaling alleen van toepassing is op werken waarvan de openbare macht de maker of rechtverkrijgende is. Dat is hier niet het geval. Pas bij akte van 21 juni 2023 heeft BSOB namelijk het auteursrecht overgedragen gekregen en pas vanaf dat moment is BSOB de auteursrechthebbende. Daarvóór is het aanslagbiljet al openbaar gemaakt door toezending van ingevulde aanslagbiljetten aan alle belastingplichtigen die in de regio van BSOB wonen. Ten tijde van die toezending, rustte het auteursrecht (en steeds het makerschap) op het aanslagbiljet nog bij ontwerpbureau Plan C dat het aanslagbiljet in opdracht van BSOB heeft ontworpen. Kan [gedaagde] zich beroepen op artikel 15a Aw? 4.
- Ook beroept [gedaagde] zich op artikel 15a Aw, waaruit volgt dat het citeren uit een werk onder omstandigheden niet als een inbreuk op het auteursrecht op een werk wordt beschouwd. [gedaagde] wijst er hierbij op dat hij maar een gedeelte van het aanslagbiljet op zijn flyer heeft afgebeeld. Dit volgens [gedaagde] met het gerechtvaardigde doel om bij het publiek kenbaar te maken dat bezwaar tegen dat specifieke aanslagbiljet mogelijk is. Doordat op het overgenomen gedeelte van het aanslagbiljet het logo van BSOB duidelijk zichtbaar is, heeft [gedaagde] ook voldaan aan het wettelijke vereist dat de bron duidelijk moet worden vermeld. 4.
- De rechtbank kan [gedaagde] niet volgen in zijn standpunt dat dit moet worden gezien als een citaat. Voor een rechtmatig citaat is in ieder geval vereist dat – voor zover redelijkerwijs mogelijk – bij het citaat de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze wordt vermeld. Dat is hier niet gebeurd. De omstandigheid dat op het in de flyer van [gedaagde] overgenomen gedeelte van het aanslagbiljet het logo van BSOB zichtbaar is, kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank niet als een duidelijke bronvermelding. Daar komt bij dat [gedaagde] in zijn flyer niet de maker van het aanslagbiljet heeft vermeld. Dat is ontwerpbureau Plan C. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat dit voor hem redelijkerwijs onmogelijk was. De conclusie ten aanzien van het auteursrecht. 4.
- De conclusie uit al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is dat [gedaagde] met zijn flyer inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht dat BSOB heeft op het aanslagbiljet. In hoeverre zijn de vorderingen van BSOB toewijsbaar? 4.
- De vordering van BSOB onder I is daarmee toewijsbaar. [gedaagde] heeft daartegen ook geen specifiek verweer gevoerd. 4.
- De vordering onder II is toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing vermeld. Hierbij is het volgende van belang. BSOB vordert onder meer dat [gedaagde] opgave doet van de met de inbreuk behaalde omzet en winst. Voor zover het voor [gedaagde] niet mogelijk is om de omzet en winst te duiden die het directe gevolg is van het inbreukmakende handelen, moet hij de gehele in het betreffende jaar behaalde omzet en winst aan BSOB opgeven. 4.
- De vordering onder III heeft betrekking op een door [gedaagde] te plaatsen rectificatie. Die vordering is grotendeels toewijsbaar. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. BSOB vordert onder meer dat [gedaagde] een rectificatie per e-mail toezendt aan de e-mailadressen van alle belastingplichtigen dan wel (potentiële) klanten aan wie [gedaagde] de flyer heeft toegezonden. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Er is niet gebleken dat [gedaagde] de flyer per e-mail heeft verspreid. Uit de gedingstukken volgt alleen dat [gedaagde] papieren flyers via de brievenbussen van de inwoners van de regio van BSOB heeft verspreid en dat hij een afbeelding van de flyer op zijn website en sociale mediakanalen heeft opgenomen. [gedaagde] moet daarom zoals gevorderd de rectificatie plaatsen op zijn website en op zijn sociale mediakanalen, maar enkel voor zover die kanalen op de dag van dit vonnis nog online zijn en door [gedaagde] worden beheerd. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij inmiddels de onderneming grotendeels heeft gestaakt en van hem kan in redelijkheid niet worden verwacht dat hij de dan al afgesloten websites en/of andere digitale kanalen opnieuw activeert voor het plaatsen van een rectificatie. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van een verder strekkende rectificatieverplichting. [gedaagde] is ondertussen immers gestopt met zijn onderneming en de auteursrechtinbreuk heeft al meer dan twee jaar geleden plaatsgevonden. Tegen die achtergrond heeft BSOB niet duidelijk gemaakt wat haar belang bij een verder strekkende rectificatie is. Tot slot is vaste lijn dat excuses slechts onder zeer bijzonder omstandigheden toewijsbaar zijn, waarvan hier geen sprake is. 4.
- De onder IV gevorderde dwangsom zal worden beperkt als hierna volgt en aan de dwangsomsanctie zal een maximum worden gekoppeld. 4.
- BSOB vordert onder V een veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van haar schade en (voor zover er geen sprake is van overlapping van schade en winst)/of tot afdracht van de door [gedaagde] gemaakte winst als gevolg van de auteursrechtinbreuk. BSOB stelt dat zij schade lijdt wegens het inbreukmakend handelen van [gedaagde] . Dat kost BSOB immers tijd en geld en levert aanzienlijke schade op aan haar reputatie. BSOB beschikt echter nog niet over voldoende informatie om haar schade te kunnen begroten. De schade moet daarom in een schadestaatprocedure worden vastgesteld. [gedaagde] verweert zich met de stelling dat BSOB haar schade niet heeft onderbouwd en dat er geen grond is voor winstafdracht. Er is volgens [gedaagde] per definitie geen sprake van winst die hij op grond van het auteursrecht zou moeten afdragen. Zijn inkomsten bestaan namelijk enkel uit vergoedingen van proceskosten. Voor zover dat toch als winst moet worden aangemerkt, ligt het percentage winst dat is behaald met deze flyers beduidend lager dan de door BSOB gehanteerde 30%. 4.
- De rechtbank overweegt als volgt. Cumulatie van winstafdracht en schadevergoeding is naar de stand van de rechtspraak slechts beperkt mogelijk. Als zowel vergoeding van schade (wegens winstderving) als winstafdracht gevorderd wordt, kan niet meer dan een bedrag gelijk aan het grootste van beide bedragen toegewezen worden. 4.
- Andere vormen van schade kunnen wel onbeperkt samengaan met een vordering tot winstafdracht. BSOB heeft echter niet concreet gesteld waar haar schade uit bestaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft BSOB aanvullend aangevoerd dat zij de bestede arbeidstijd in verband met de ongegronde bezwaren ook als schade beschouwt van de auteursrechtinbreuk. Hierbij ontbreekt echter naar het oordeel van de rechtbank een causaal verband met de auteursrechtinbreuk. Aangenomen moet wel worden dat BSOB als gevolg van de auteursrechtinbreuk door [gedaagde] enige schade heeft geleden, behalve de voornoemde toelichting heeft BSOB zich dan beroepen op geleden reputatieschade. Naar het oordeel van de rechtbank zal het daarbij om een zeer bescheiden bedrag gaan. Afhankelijk van de exacte grondslag voor die bedoelde reputatieschade, zal dat schadebedrag moeten worden opgeteld of nog moeten worden vergeleken met het bedrag dat [gedaagde] aan winst heeft genoten als gevolg van de auteursrechtinbreuk om te bepalen welk bedrag het hoogste is. [gedaagde] heeft gesteld dat zijn winst waar van uit moet worden gegaan nihil is, maar onderbouwt dat alleen met een aangifte inkomstenbelasting over het jaar
- Dat is onvoldoende, gelet op het feit dat de auteursrechtinbreuk in 2023 heeft plaatsgevonden en een eventuele daarmee samenhangende winst niet in 2021 zal zijn genoten. Er kan daarom nu niet van worden uitgegaan, dat [gedaagde] in het geheel geen winst heeft genoten als gevolg van de inbreuk die hij heeft gemaakt op het auteursrecht van BSOB. De rechtbank concludeert daarom dat zij niet in deze procedure al kan beoordelen welk bedrag toewijsbaar is dan wel welk van de twee voornoemde bedragen het hoogste is. Dit zal daarom in de schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld. In de schadestaatprocedure dient ook over de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding dan wel winstafdracht (de vordering van BSOB onder VI) te worden beslist. Wat beslist de rechtbank over de proceskosten? 4.
- [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten). De vorderingen van BSOB houden verband met het doen staken of verhelpen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, en vallen daarmee binnen de toepassing van artikel 1019h Rv. BSOB vordert ook een proceskostenveroordeling op grond van dat artikel. Zij heeft haar advocaatkosten - voorzien van een onderbouwing - begroot op in totaal € 14.007,21 (exclusief btw). 4.
- De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer op dit punt, dat het hier gaat om een eenvoudig geschil. Gelet op de indicatietarieven waarin voor dit soort eenvoudige bodemzaken de maximale advocaatkosten op € 8.000,00 zijn vastgesteld, begroot de rechtbank de proceskosten van BSOB op € 8.000,00 (exclusief btw) aan advocaatkosten, te vermeerderen met het griffierecht van € 676,00 en de kosten van de dagvaarding van € 109,
- Daar komt ten slotte nog bij een bedrag van € 178,00 aan nakosten, waarbij sprake is van een daarmee samenhangende verhoging zoals vermeld in de beslissing. 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om iedere inbreuk op de auteursrechten van BSOB, waaronder door het openbaar maken en/of verveelvoudigen van reproducties van het aanslagbiljet van BSOB of delen daarvan, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om op eigen kosten binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk, waarheidsgetrouw, leesbaar, overzichtelijk geordend en goedgekeurd door een onafhankelijke en gekwalificeerde boekhouder, een volledige opgave te doen, die vergezeld moet zijn van goed leesbare kopieën van alle relevante brondocumenten, van: het totale aantal productie- en/of aankooporders met betrekking tot de inbreukmakende flyers, ondersteund door alle relevante documentatie en/of correspondentie (zoals e-mails, orderbevestigingen en facturen); het totale aantal inbreukmakende flyers dat is vervaardigd en/of ingekocht, met vermelding van de inkoopprijs per inbreukmakende flyer, ondersteund door alle relevante documentatie en/of correspondentie (zoals productie- en/of aankooporders, orderbevestigingen, e-mails en facturen); het totale aantal inbreukmakende flyers dat door [gedaagde] is verspreid, onder vermelding van de gebruikte verspreidingskanalen en de aantallen verspreide inbreukmakende flyers per gebruikt verspreidingskanaal, ondersteund door alle relevante documentatie en/of correspondentie (zoals e-mailberichten aan belastingplichtigen, kopieën van per post verzonden berichten aan belastingplichtigen, postcodegebieden en instructies aan bezorgers en postbedrijven); de met de inbreuk behaalde omzet en winst, dan wel bij gebreke daarvan de gehele omzet en winst van [gedaagde] over het jaar 2023, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte direct aan de inbreukmakende flyers toerekenbare kosten, voorzien van duidelijke en gedetailleerde schriftelijke bewijsstukken van iedere kostenpost, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om op eigen kosten binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis de hierna cursief weergegeven rectificatie te plaatsen op de homepage van de website [naam] en op zijn sociale mediakanalen (waaronder de facebookpagina ‘ [naam] ’, de instagrampagina ‘ [naam] ’ en de LinkedInpagina ‘ [naam] ’), voor zover die kanalen op de dag van dit vonnis nog online zijn en door [gedaagde] worden beheerd, dit in een met de achtergrond van de betreffende webpagina contrasterende kleur en in lettertype Arial met puntgrootte 12, “[bedrijfsnaam gedaagde] heeft gedurende enige tijd een flyer verspreid waarop een afbeelding is opgenomen van een gedeelte van het Aanslagbiljet van Belastingsamenwerking Oost-Brabant. Met deze flyer maakte [bedrijfsnaam gedaagde] reclame voor haar diensten op het gebied van het maken van bezwaar tegen de hoogte van WOZ-aanslagen. Wij hebben voor het gebruiken van het Aanslagbiljet geen toestemming gekregen van de rechthebbende, Belastingsamenwerking Oost-Brabant. Wij hebben hiermee inbreuk gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van Belastingsamenwerking Oost-Brabant. Ook hebben wij door het gebruik van het Aanslagbiljet onrechtmatig gehandeld jegens Belastingsamenwerking Oost-Brabant. Wij hadden het Aanslagbiljet niet zonder toestemming mogen gebruiken.” onder de verplichting deze rectificatie na plaatsing gedurende 30 dagen te handhaven, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan BSOB een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1., 5.
- of 5.
- voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, 5.
- veroordeelt [gedaagde] – naar keuze van BSOB – tot vergoeding van de door BSOB geleden schade en/of tot afdracht van de door [gedaagde] gemaakte winst als gevolg van de inbreuk op de rechten van BSOB, nader op te maken bij staat, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.963,92, in geval van betekening van dit vonnis nog te vermeerderen met € 92,00 plus de explootkosten van betekening, 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.C. Mommers en in het openbaar uitgesproken op 19 maart
- Bijlage 1 (van 3) bij het vonnis van 19 maart 2025: Bijlage 2 (van 3) bij het vonnis van 19 maart 2025: Bijlage 3 (van 3) bij het vonnis van 19 maart 2025: