RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/1868 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] (hierna: [eiseres] ) (gemachtigde: mr. A.F. van de Ven) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: het college) (gemachtigde: mr. V.F.L. Beulen). Inleiding
- [eiseres] heeft het college om een vergoeding gevraagd voor de kosten die zij moet maken om haar zoon [naam] in het schooljaar 2023-2024 met de auto naar SBO-school [naam] in [vestigingsplaats] (hierna: [naam] ) te brengen en daar ook weer op te halen (hierna: vervoerskosten). Het college vindt, ook na het gemaakte bezwaar, dat [eiseres] geen recht heeft op zo’n vergoeding. Dat staat in het besluit van 28 februari 2024 (hierna: bestreden besluit). [eiseres] is het daar niet mee eens.
- In deze uitspraak zal de rechter beoordelen wie gelijk heeft en dit in de volgende volgorde bespreken: – Wat is er gebeurd voor het bestreden besluit? – Wat is er gebeurd vanaf het bestreden besluit? – Wat vindt de rechter van deze zaak? – Wat is de conclusie en wat zijn de gevolgen van het oordeel van de rechter? – Wat is de beslissing? Wat is er gebeurd voor het bestreden besluit?
- [naam] is geboren op [geboortedatum]
- Hij is de zoon van [eiseres] . Toen [naam] naar school moest, is hij eerst naar [naam] gegaan. Omdat [naam] bepaalde problemen heeft, kon hij daar niet blijven. Hij is toen naar de [naam] in [vestigingsplaats] gegaan. De [naam] is een school voor speciaal basisonderwijs. Ook op de [naam] ging het niet goed met [naam] . Daarom is hij vanaf het einde van het schooljaar 2022-2023 thuisgebleven. Dit is in overleg en met toestemming van de leerplichtambtenaar en het SKPO gebeurd. Het SKPO is een organisatie van 35 samenwerkende basisscholen in [vestigingsplaats] en [plaats] . Sinds 28 augustus 2023 gaat [naam] vijf dagen per week naar [naam] . Dat is ook een school voor speciaal basisonderwijs. Die school is 9,9 km van de woning waarin [eiseres] en [naam] wonen. Op 13 oktober 2023 heeft [eiseres] het college gevraagd om een vergoeding voor de vervoerskosten. Op 8 november 2023 heeft iemand van de gemeente Eindhoven [eiseres] een e-mail gestuurd waarin het volgende staat: “Zojuist heb ik met u telefonisch contact gehad over de aanvraag leerlingenvervoer voor uw kind. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding voor eigen vervoer moet er sprake zijn van de dichtstbijzijnde toegankelijke school, de afstand moet 6 kilometer of meer zijn. De volgende SBO-scholen zijn dichterbij gelegen: [naam] , de [naam] en de [naam] . Zoals u de aanvraag nu ingediend heeft, zal deze afgewezen worden. U dient verklaringen aan te leveren van alle dichterbij gelegen scholen, dat zij aan [naam] niet het juiste onderwijs kunnen bieden, of geen onderwijs kunnen bieden. Uit de verklaringen van alle dichterbij gelegen scholen, moet blijken dat SBO [naam] de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. Zodra wij deze gegevens ontvangen hebben, zal uw aanvraag verder in behandeling genomen worden.” [eiseres] heeft de gevraagde gegevens niet naar het college gestuurd. Daarom heeft het college op 28 november 2023 beslist dat [eiseres] geen vergoeding krijgt voor de vervoerskosten. [eiseres] was het daar niet mee eens en heeft daarom bezwaar gemaakt bij het college. Wat is er gebeurd vanaf het bestreden besluit?
- Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. Dat betekent dat [eiseres] nog steeds geen vergoeding voor de vervoerskosten van het college kreeg.
- Ook daar was [eiseres] het niet mee eens. Daarom heeft zij op 8 april 2024 bij de rechter beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Met brieven van 11 juni 2024 en 14 oktober 2024 heeft zij verder uitgelegd waarom zij vindt dat het college geen goed besluit heeft genomen.
- Het college heeft in het verweerschrift – dat is de brief van 13 december 2024 – uitgelegd waarom het bestreden besluit volgens hem juist is.
- De rechter heeft het beroep op 28 november 2024 op een zitting behandeld. [eiseres] was daar, samen met haar gemachtigde en haar schoonmoeder, aanwezig. De gemachtigde van het college was er ook. Wat vindt de rechter van deze zaak?
- De rechter zal nu beoordelen of het juist is dat het college [eiseres] geen vergoeding voor de vervoerskosten van [naam] heeft gegeven. Daarbij zal de rechter ook kijken naar wat [eiseres] in haar beroepschrift en tijdens de zitting heeft gezegd.
- Om direct duidelijk te zijn, zegt de rechter nu al dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk heeft. De rechter zal hierna uitleggen waarom zij dit vindt. Aan het eind van deze uitspraak is een bijlage waarin de voor deze zaak belangrijke regels staan.
- Allereerst is het belangrijk om vast te stellen dat [eiseres] en het college het eens zijn over de volgende punten: [naam] moet naar een school voor speciaal basisonderwijs. In [vestigingsplaats] zijn vier scholen voor speciaal basisonderwijs: [naam] , [naam] , [naam] en [naam] . [naam] ligt op 2,6 km, de [naam] ligt op 4 km, [naam] ligt op 8 km en [naam] ligt op 9,9 km van de woning van [eiseres] . Om een vergoeding voor vervoerskosten naar een school voor speciaal basisonderwijs te kunnen krijgen, moet die school in elk geval meer dan 6 km van de woning van [eiseres] liggen. [naam] en [naam] liggen dichterbij.
- Dan wijst de rechter erop dat in de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven (hierna: Verordening) de voor deze zaak belangrijke regels staan. Dit zijn regels over een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Uit punt 4 van artikel 5.5 van de Verordening blijkt dat als [eiseres] vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van [naam] een vervoersvoorziening aanvraagt naar een school die verder weg ligt dan een andere school die ook geschikt is voor [naam] , het college die niet zonder meer geeft. In dat geval worden er twee extra eisen gesteld waaraan allebei moet zijn voldaan: [eiseres] moet voldoende aantonen wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van [naam] is, [eiseres] moet voldoende aantonen dat een andere dichterbij gelegen school niet geschikt is voor [naam] .
- De rechter stelt over eis a. vast dat uit de brieven en stukken die [eiseres] naar het college en de rechter heeft gestuurd niet blijkt wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van [naam] is. Het college heeft dan ook juist gezegd dat dit niet voldoende is aangetoond. [eiseres] heeft gezegd dat [naam] van SKPO, na een uitgebreid overleg, heeft geadviseerd om [naam] naar [naam] – een school van SKPO – te laten gaan en niet naar [naam] of [naam] . De laatste twee scholen zijn van een ander samenwerkingsverband van basisscholen, Salto. De rechter vindt, net als het college, dat het advies van [naam] geen volledig onafhankelijk objectief onderwijsadvies is. [naam] werkt namelijk voor SKPO waaronder [naam] valt. Een onafhankelijk objectief onderwijsadvies kan bijvoorbeeld wel worden opgesteld door een onafhankelijk orthopedagoog. Tijdens de zitting heeft [eiseres] gezegd dat zij nog met haar man zal bespreken of [naam] een onderzoek door een orthopedagoog aan kan.
- Omdat niet is voldaan aan eis a. kan niet meer aan allebei de eisen worden voldaan. Dat is wel nodig om een vergoeding voor de vervoerskosten te kunnen krijgen. Dus eigenlijk houdt het hier al op voor [eiseres] . Voor de volledigheid zal de rechter toch ook nog ingaan op eis b.
- De rechter stelt over eis b. vast dat uit de brieven en stukken die [eiseres] naar het college en de rechter heeft gestuurd niet blijkt dat een andere, dichterbij gelegen, school niet geschikt is voor [naam] . Het college heeft dan ook juist gezegd dat dit niet voldoende is aangetoond. Tijdens de zitting heeft [eiseres] ook gezegd dat zij niet naar de andere scholen is geweest om op papier te laten zetten dat die scholen het voor [naam] nodige onderwijs niet ook kunnen geven. Dat had wel gemoeten om een vergoeding te kunnen krijgen.
- Er is dus niet aan de eisen a. en b. voldaan. Daarom is het juist dat het college [eiseres] voor het schooljaar 2023-2024 geen vergoeding voor de vervoerskosten heeft gegeven.
- Pas nadat [eiseres] beroep bij de rechter had ingesteld, heeft zij voor het eerst gezegd dat er een extra reden was om voor [naam] te kiezen omdat dat een Rooms-Katholieke school is. Dat was volgens haar van groot belang bij de keuze voor [naam] . Dit staat in de brief van 14 oktober
- Omdat [eiseres] deze informatie pas in beroep, dus na het bestreden besluit, heeft toegestuurd, kon het college daarmee geen rekening houden bij het nemen van het bestreden besluit. Vaak zal de rechter dan beslissen om zulke informatie niet te betrekken bij de uitspraak. In dit geval heeft het college in het verweerschrift toch nog op deze nieuwe informatie kunnen reageren. Daarom zal de rechter in dit geval wel kijken naar deze nieuwe informatie.
- Allereerst begrijpt de rechter niet dat als het voor [eiseres] zo belangrijk is dat [naam] naar een Rooms-Katholieke school gaat, waarom zij dit dan pas zo laat, na het bestreden besluit, in de beroepsprocedure voor het eerst zegt. Verder zegt [eiseres] wel dat haar gezin (praktiserend) Rooms-Katholiek is, maar zij legt daar geen bewijs van over. Maar ook als dit allemaal zou kloppen, dan betekent dit nog niet dat de vervoerskosten wel moeten worden vergoed. Het college heeft namelijk op 12 november 2024 gebeld met de directeur van [naam] . Die directeur heeft toen gezegd dat zijn school wel een katholieke oorsprong heeft, maar dat het onderwijs al geruime tijd geen katholiek karakter meer heeft: de school is openbaar toegankelijk en er worden geen godsdienst- of communielessen gegeven. De rechter vindt het daarom juist dat het college dit geen reden vindt om te zeggen dat [naam] daarom per se naar [naam] moet.
- De rechter merkt tot slot voor de duidelijkheid op dat [eiseres] elke school voor [naam] mag kiezen. Als het dan zo is dat de school van haar keuze niet aan de regels voldoet om een vergoeding voor de vervoerskosten te kunnen krijgen, zal [eiseres] die kosten zelf moeten betalen. Dat is in dit geval ook zo. Wat is de conclusie en wat zijn de gevolgen van het oordeel van de rechter?
- De rechter vindt dat het college [eiseres] terecht geen vergoeding voor de vervoerskosten heeft gegeven.
- Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk heeft en dat het bestreden besluit van 28 februari 2024 niet verandert.
- [eiseres] krijgt geen vergoeding van de proceskosten. Wat is de beslissing? De rechter verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 17 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State). Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Bijlage (de voor deze zaak belangrijke regels) Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven Artikel 5.5 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (…)
- Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is; b. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 5.6 Afstandsgrens
- Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: (…) b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; (…)