RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer / rekestnummer: 11442932 \ EJ VERZ 24-725 Beschikking van 8 april 2025 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd in Den Haag, namens deze, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, meer specifiek de Inspectie Leefomgeving en Transport,|gevestigd in Den Haag, verzoekende partij, verwerende partij in het tegen- en nevenverzoek, hierna te noemen: ILT,gemachtigden: mr. C.A.M.J. van Hameren en mr. M.M. Dragt. tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegen- en nevenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. E. van der Maal. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt ILT om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat [verweerder] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen. Aan [verweerder] wordt desondanks een deel van de transitievergoeding toegekend. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t/m 28), - het verweerschrift met producties (genummerd 1 t/m 35),- nadere producties van ILT van 25 februari 2025,- nadere producties van ILT van 4 maart 2025. 1.2. Op 11 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Aanwezig waren mevrouw [A] , teamleider, en de heer [B] , afdelingshoofd, bijgestaan door mr. C.A.M.J. van Hameren en mr. M.M. Dragt voornoemd en bijgestaan door mr. E. van der Maal voornoemd. De gemachtigden van beide partijen hebben spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. 1.3. Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen medegedeeld dat vandaag een beschikking zal worden gegeven. 2De feiten 2.1. ILT is de toezichthouder van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De taak van ILT is ervoor te zorgen dat bedrijven, organisaties en overheidsinstanties de wet- en regelgeving over de duurzame leefomgeving, de fysieke veiligheid en de woningcorporatiesector naleven, door middel van handhaving (dienstverlening, toezicht en opsporing) en door onderzoek te doen. 2.2. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1980, is op 1 september 2002 in dienst getreden van en sinds 1 juni 2006 werkzaam bij het huidige ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, laatstelijk bij ILT, als senior inspecteur gevaarlijke stoffen wegvervoer. Eén van de taken van [verweerder] is het uitvoeren van complexe inspecties binnen de transportketen gevaarlijke stoffen en waar nodig het toepassen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving. Hij maakt deel uit van het team Gevaarlijk Wegvervoer en Erkende instanties. Voor het uitvoeren van zijn functie bezit [verweerder] de bevoegdheden van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). [verweerder] ontvangt daarvoor een loon van € 6.110,94 bruto per maand exclusief IKB budget en andere emolumenten. 2.3. Op de arbeidsovereenkomst is de Ambtenarenwet 2017 en de Gedragscode Integriteit Rijk van toepassing. 2.4. In artikel 6 van de Ambtenarenwet 2017 staat vermeld dat: “de ambtenaar is gehouden de bij of krachtens de wet op hem rustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich overigens ook te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.” 2.5. In de Gedragscode Integriteit Rijk staat het volgende vermeld: Betrouwbaarheid en zorgvuldigheid: "Voor de burger moet je als vertegenwoordiger van de overheid betrouwbaar zijn. Dat wil zeggen dat je hem correct behandelt, afspraken en toezeggingen nakomt en waarmaakt wat je belooft. Dit heeft te maken met geloofwaardigheid: van jou en van de overheidsorganisatie die je vertegenwoordigt. Betrouwbaar zijn betekent ook dat je zorgvuldig omgaat met de bevoegdheden, middelen en informatie waarover je als ambtenaar beschikt. Bijvoorbeeld, door het - al dan niet bewust- lekken van (gevoelige of vertrouwelijke) informatie wordt het vertrouwen in de overheid geschaad. Bevoegdheden en informatie gebruik je alleen voor het doel waarvoor je ze hebt verkregen. Je deelt vertrouwelijke informatie niet met anderen. Bij besluitvorming weeg je alle relevante belangen af. En je gaat zuinig en efficiënt om met overheidsmiddelen, waaraan door de belastingbetaler wordt bijgedragen. Ook in de omgang met anderen ben je betrouwbaar en zorgvuldig. Van jou wordt naar de ander correct, fatsoenlijk, en respectvol gedrag verwacht. Je neemt de ander serieus en respecteert diens privacy. Zowel in relatie tot burgers en externe partijen als in relatie tot collega's, dus ook leidinggevenden en ondergeschikten." 2.6. Op 25 juli 2024 heeft [verweerder] bij aankomst op de ILT-locatie Zwijndrecht zijn dienstauto geparkeerd op de openbare weg. 2.7. In de struiken bij de ILT-locatie heeft [verweerder] een aantal lachgascilinders zien liggen en hiervan heeft hij melding gedaan bij de baliemedewerker van zijn kantoor, die op zijn beurt melding daarvan heeft gedaan bij de gemeente Zwijndrecht, zodat deze konden worden opgeruimd. 2.8. De handhaving van de gemeente Zwijndrecht heeft de lachgascilinders diezelfde dag opgehaald. 2.9. Bij terugkeer bij zijn dienstauto diezelfde dag, zag [verweerder] dat hij een parkeerboete had ontvangen. Vervolgens is hij naar het gemeentehuis gereden en heeft hier contact gehad met onder anderen de boa die de parkeerboete heeft uitgeschreven. 2.10. Op 29 juli 2024 heeft de teamleider Toezicht en Handhaving van de gemeente Zwijndrecht een klacht ingediend tegen [verweerder] , met de volgende inhoud: "Een medewerker uit mijn Team (Toezicht en Handhaving gemeente Zwijndrecht) heeft op 25 juli jongstleden een bekeuring voor fout parkeren uitgeschreven aan een voertuig, kennelijk behorende bij genoemde persoon. Deze persoon is naar het Gemeentehuis Zwijndrecht gekomen om mijn medewerker aan te spreken. Hierbij heeft hij gezegd dat de bekeuring uit het systeem moest worden gehaald. Hij liet hierbij zijn legitimatiebewijs zien en deelde mede dat als mijn medewerker dit niet zou doen, hij een bekeuring zou krijgen voor het vervoer van lachgasflessen. Dit zou volgens uw medewerker niet mogen namelijk. Mijn medewerker was er erg van onder de indruk en heeft, voorzover mij bekend, inderdaad de bekeuring uit het systeem gehaald. Ik vind dit laakbaar gedrag van uw medewerker. Overigens niet de le keer naar ik later begreep. Naast het feit dat ik dit misbruik van gezag noem, wil ik dat er door de betreffende medewerker excuses voor zijn benadering en het gedrag aan mijn medewerker worden aangeboden”. 2.11. Op 8 augustus 2024 zijn medewerkers van de gemeente Zwijndrecht gehoord in het kader van de klachtenprocedure ILT. [verweerder] is op 4 september 2024 gehoord. De klacht is op 18 september 2024 gegrond verklaard. 2.12. Op 4 september 2024 is [verweerder] geschorst. 2.13. ILT heeft op 2 december 2024 aangifte gedaan tegen [verweerder] van chantage en van een vermoeden van een strafbaar feit. 3Het verzoek, het tegen- en nevenverzoek en het verweer 3.1. ILT verzoekt de kantonrechter om: I. De arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van: - primair: ernstig verwijtbaar handelen (artikel 7:671b jo. 7:669 lid 1 en lid 3 sub e BW),- subsidiair: een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:671b jo. 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW),- meer subsidiair: de omstandigheid dat [verweerder] zijn BOA-bevoegdheid is verloren waardoor in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst blijft voortduren (artikel 7:671b jo. 7:669 lid 1 en lid 3 sub h BW),- nog meer subsidiair: een combinatie van hiervoor genoemde gronden (artikel 7:671b jo. 7:669 lid 1 en lid 3 sub BW), II. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking, III. bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , IV. te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en daardoor geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van ILT, V. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure. 3.2. ILT legt daaraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door zijn bevoegdheden als boa voor een ander doel in te zetten dan waarvoor hij deze heeft gekregen. Op 25 juli 2024 is hij naar het gemeentehuis gereden nadat hij een parkeerboete heeft ontvangen en heeft tijdens een gesprek met de verbalisant aangegeven dat hij een proces-verbaal zal opmaken wegens het vermeend onjuist vervoer van lege lachgascilinders. [verweerder] wilde hiermee bewerkstelligen dat de opgelegde parkeerboete ongedaan zou worden gemaakt, aldus ILT. De opgelegde parkeerboete is vervolgens diezelfde avond ook ongedaan gemaakt. Naar aanleiding van dit incident heeft de gemeente Zwijndrecht een klacht ingediend en ILT heeft deze klacht in een klachtenprocedure onderzocht. Uit de verklaringen van de betrokkenen bij het incident komt naar voren dat [verweerder] zich verbaal en fysiek dreigend heeft opgesteld. De getoonde houding en het gedrag van [verweerder] is niet wat ILT van een ervaren inspecteur mag verwachten. Daarbij komt dat het niet integer handelen van een ambtenaar het aanzien van de overheid kan schaden en dit soort handelen haaks staat op de gedragsregels, omschreven in de Ambtenarenwet, de Gedragscode integriteit, de kernwaarden van ILT en in strijd is met de eed/belofte die [verweerder] heeft afgelegd. ILT merkt verder op dat [verweerder] na het incident weinig zelfinzicht toont en niet vindt dat hij zich heeft misdragen. 3.3.1. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek. Allereerst ontkent hij dat hij zijn bevoegdheid heeft misbruikt. Op de betreffende dag was [verweerder] aan het werk op het ILT-kantoor en nadat hij een melding had gedaan van de aanwezigheid van de lachgascilinders in de struik, zag hij vanuit het kantoor dat een voertuig van Toezicht & Handhaving van de gemeente Zwijndrecht de lachgascilinders heeft opgehaald, maar deze los in de kofferbak en op de achterbank van het voertuig heeft ingeladen. [verweerder] was op dat moment bezig met administratieve werkzaamheden en niet in staat om de medewerkers van Toezicht & Handhaving aan te spreken op de onveilige wijze van vervoer, wat een overtreding op grond van de ADR kan vormen. Nadat [verweerder] , een tijd later, de ILT-locatie heeft verlaten, heeft [verweerder] opgemerkt dat hij een parkeerboete had gekregen. In reactie hierop is [verweerder] naar het gemeentehuis gereden om in gesprek te gaan met de verantwoordelijke verbalisant, omdat [verweerder] van mening was dat hij, door de aanwezigheid van een parkeerontheffing, hier wel mocht parkeren. Bij aankomst werd [verweerder] door de aanwezige beveiliger verteld dat het niet mogelijk was om in gesprek te treden met de betreffende verbalisant. Dit heeft, volgens [verweerder] , tot enige agitatie geleid. Vervolgens heeft hij kenbaar gemaakt dat hij als toezichthouder van de ‘Wet gevaarlijke stoffen’ in gesprek wil gaan met de betreffende ambtenaar over het vervoer van de lachgasflessen. Op enig moment kwam het voertuig met de betreffende verbalisant aanrijden en is [verweerder] in gesprek gegaan met de verbalisant. Zij hebben toen gesproken over de parkeerboete. De verbalisant gaf aan dat parkeren op deze locatie verboden is, waardoor de boete zou worden gehandhaafd. Op dat moment heeft [verweerder] laten doorschemeren dat hij voornemens was om een proces-verbaal op te maken gelet op het onveilig vervoeren van de lachgasflessen. [verweerder] betwist dat hij het handhaven van het ADR als hefboom heeft gebruikt om de verbalisant te bewegen om de parkeerboete in te trekken. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat het gesprek in goede orde en op een constructieve manier heeft plaatsgevonden. De verbalisant heeft diezelfde avond nog contact opgenomen en heeft de parkeerboete uit het systeem gehaald. [verweerder] sluit niet uit dat hij enigszins geagiteerd heeft gereageerd, maar betwist dat hij zich dreigend en of intimiderend heeft uitgelaten. [verweerder] brengt verder naar voren dat hij, op het moment van dit incident moe en vol emoties was, gezien privé omstandigheden en dat hij in retroperspectief wellicht anders zou hebben gehandeld. Tenslotte vindt [verweerder] dat de klachtenprocedure bij ILT niet op de juiste wijze is verlopen en de verklaringen van de betrokken medewerkers, kortgezegd, subjectief zijn. [verweerder] merkt verder op dat er wel degelijk herplaatsingsmogelijkheden zijn, ook zonder de boa bevoegdheid. 3.3.2. [verweerder] verzoekt daarom: I. primair het verzoek tot ontbinding af te wijzen en in dat geval bij wijze van nevenverzoek rectificatie en een gebod tot intrekking van het bezwaar tegen niet vervolging en het opnieuw doen van aangifte, II. subsidiair, voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.