RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23/2829 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.J. Heijtlager), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: K.R. Groenewoud). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (de werknemer). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een loonsanctie. 1.1. Met het besluit van 3 maart 2023 heeft het UWV geoordeeld dat eiseres niet alle verplichtingen ten aanzien van de re-integratie van de werknemer is nagekomen en dat eiseres het loon van de werknemer tot 6 maart 2024 moet doorbetalen. 1.2. Met het bestreden besluit van 21 september 2023 op de bezwaren van eiseres en de werknemer is het UWV bij dat besluit gebleven. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de HR-medewerker van eiseres [naam] , de werknemer en de gemachtigde van het UWV. Feiten en omstandigheden 2. De werknemer werkte sinds 3 september 1981 bij eiseres. Zijn laatste functie was serviceadviseur classic & schade voor 38 uur per week. Op 10 maart 2021 is de werknemer uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Op 12 december 2022 heeft de werknemer bij het UWV een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Die aanvraag heeft geleid tot een onderzoek door verzekeringsartsen Eisinger en Van Gerwen en arbeidsdeskundige Oomes. Naar aanleiding daarvan heeft de procedure plaatsgevonden zoals hiervoor onder 1. is beschreven. In het kader van de bezwaarprocedure heeft het UWV onderzoek laten verrichten door verzekeringsarts bezwaar & beroep (B&B) Admiraal en arbeidsdeskundige B&B De Haas. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de loonsanctie die aan eiseres is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen het bestreden besluit aanvoert en betrekt daarbij wat het UWV daarover zegt. De standpunten van partijen 3.1. Eiseres vindt het onterecht dat het UWV aan haar een loonsanctie heeft opgelegd. Eiseres bestrijdt in beroep niet dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen (B&B) van het UWV achteraf is gebleken dat de door eiseres ingeschakelde bedrijfsarts is uitgegaan van een onjuiste belastbaarheid van de werknemer. 3.1.1. Eiseres doet allereerst een beroep op de uitspraak van deze rechtbank van 11 februari 2022 waarin de rechtbank een nuancering heeft aangebracht op de vaste rechtspraak waarin is overwogen dat een werkgever risico-aansprakelijk is voor een onjuist medisch oordeel van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts. Eiseres weet dat de Centrale Raad van Beroep die nuancering nadien heeft afgewezen. Volgens eiseres was daarvoor van belang dat het tijdens de uitspraak van 11 februari 2022 nog aanhangige wetsvoorstel om het oordeel van de bedrijfsarts in gevallen als deze leidend te maken nadien is ingetrokken. Eiseres wijst op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 januari 2025 waarin staat dat de regering voornemens is om toch weer een wetsvoorstel met dezelfde strekking in te dienen. Dat pleit volgens eiseres voor de eerder door deze rechtbank toegepaste nuancering. Uitgaande van die nuancering wijst eiseres erop dat zij tijdens de re-integratie van de werknemer al het redelijke heeft gedaan om na te gaan of haar bedrijfsarts tot een juist oordeel over zijn belastbaarheid is gekomen. Eiseres heeft de rapportages van de bedrijfsarts bestudeerd en daaruit opgemaakt dat de bedrijfsarts frequent contact met de werknemer heeft onderhouden en ook informatie bij de behandelaars van de werknemer heeft opgevraagd. Eiseres heeft ook zelf regelmatig contact met de werknemer onderhouden en de werknemer bevestigde in die gesprekken telkens de juistheid van de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid, met name als het gaat om forse nek/arm- en rug/beenbeperkingen en een vrijwel volledig beperkt hand- en vingergebruik links. Ten tijde van de re-integratie was er voor eiseres geen indicatie om het advies van de bedrijfsarts niet op te volgen. Zij heeft dit advies dan ook terecht aan haar re-integratie-inspanningen ten grondslag gelegd. 3.1.2. Eiseres heeft ook een standpunt ingenomen voor het geval de rechtbank de eerdergenoemde nuancering van de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak niet handhaaft. Eiseres wijst erop dat de Centrale Raad van Beroep in eerdergenoemde uitspraak wel een professionele marge heeft aanvaard die erop neerkomt dat de verzekeringsarts moet beoordelen of de bedrijfsarts in redelijkheid tot zijn belastbaarheidsoordeel kon komen. Eiseres vindt dat haar bedrijfsarts met zijn belastbaarheidsoordeel binnen die professionele marge is gebleven. Tot slot wijst eiseres erop dat de arbeidsdeskundigen (B&B) onvoldoende hebben gemotiveerd dat door onjuistheden in het belastbaarheidsoordeel van de bedrijfsarts re-integratiekansen zijn gemist. 3.2. Het UWV is in deze beroepsprocedure onveranderd van mening dat de loonsanctie terecht is opgelegd. 3.2.1. Het UWV wijst er allereerst op – zoals eiseres ook noemt – dat de Centrale Raad van Beroep heeft vastgehouden aan de benadering dat een onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever (in dit geval: eiseres) komt. Het UWV merkt op dat in de rechtspraak wel de door eiseres genoemde professionele marge is aanvaard, maar vindt dat die in dit geval (ver) is overschreden. De medische informatie in het dossier biedt geen basis voor de door de bedrijfsarts vastgestelde forse nek/arm- en rug/beenbeperkingen en een vrijwel volledig beperkt hand- en vingergebruik links. Alleen matige rugbeperkingen en geen tot hooguit milde handbeperkingen zijn geobjectiveerd. Het UWV hoeft bovendien niet te motiveren welke re-integratiekansen zijn gemist als gevolg van onjuistheden in het belastbaarheidsoordeel van de bedrijfsarts. Door de fors onderschatte belastbaarheid van de werknemer zijn ten onrechte in zowel spoor 1 als spoor 2 re-integratiemogelijkheden buiten beschouwing gelaten. Deze tekortkomingen kunnen worden hersteld door uit te gaan van een juiste belastbaarheid van de werknemer en daarop de re-integratie-inspanningen af te stemmen. 3.2.2. Mocht de rechtbank willen vasthouden aan haar nuancering op de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak, dan merkt het UWV op dat ook de door eiseres zelf ingeschakelde arbeidsdeskundige Bauer in haar rapport aangeeft twijfels te hebben bij het belastbaarheidsoordeel van de bedrijfsarts. Deze twijfels hadden voor eiseres voldoende aanleiding moeten zijn om een second opinion (bij een andere bedrijfsarts) dan wel een deskundigenoordeel (bij het UWV) aan te vragen. Omdat eiseres dit niet heeft gedaan, kan niet worden gezegd dat zij al het redelijke heeft gedaan om na te gaan of haar bedrijfsarts tot een juist oordeel over de belastbaarheid van de werknemer is gekomen. De redenen voor de beslissing van de rechtbank 4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Allereerst zal de rechtbank uitleggen op welke manier zij het besluit van het UWV in deze zaak toetst. Dat doet zij in grote lijnen in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, maar wel met de daarop in haar uitspraak van 11 februari 2022 aangebrachte nuancering van de ‘voor rekening en risico’-benadering ondanks dat die nuancering nadien door de Centrale Raad van Beroep is afgewezen. De rechtbank zal (met het oog op de leesbaarheid van deze uitspraak) deze rechtspraak eerst samenvatten. Vervolgens zet de rechtbank uiteen waarom zij in deze zaak aan de hiervoor bedoelde nuancering vasthoudt. 5.1. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 18 november 2009 uitleg gegeven aan een aantal wettelijke bepalingen die op loonsancties van toepassing zijn, waaronder artikel 65 van de Wet WIA. In artikel 65 van de Wet WIA staat, voor zover hier van belang, dat het UWV beoordeelt of eiseres en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht. Bij die uitleg heeft de Centrale Raad van Beroep onder andere gewezen op het (op 5 november 2004) door de regering gegeven antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer: “De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor de reїntegratie met inbegrip van de werkzaamheden van degenen die hij daarbij inschakelt. Indien het UWV de WAO-aanvraag afwijst en de werkgever het loon langer moet doorbetalen, kan het zijn dat de oorzaak van de onvoldoende reїntegratie-inspanningen bij de begeleidende arbodienst of andere deskundige (bedrijfsarts en/of ingeschakelde derde) ligt. In dat geval kan de werkgever de betrokken dienstverlener civielrechtelijk aansprakelijk stellen.” 5.2. In haar uitspraak van 11 februari 2022 heeft deze rechtbank op de hiervoor genoemde rechtspraak een nuancering aangebracht en die als volgt vormgegeven en gemotiveerd: “(…) In die rechtspraak lijkt er geen ruimte te zijn voor de situatie dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd te twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts. De rechtbank is op basis van artikel 65 van de Wet WIA van oordeel dat die ruimte er bij het opleggen van loonsancties die een (zeer) belastend karakter hebben, wel behoort te zijn. De norm dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd het advies van de bedrijfsarts in twijfel te trekken, is enigszins vergelijkbaar met de norm die de overheid voor zichzelf heeft neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is bepaald dat als een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met een dergelijke benadering in loonsanctiezaken wordt meer recht gedaan aan het bepaalde in artikel 65 van de Wet WIA.” 5.3. Op het moment dat de rechtbank haar uitspraak van 11 februari 2022 deed, was bij de Staten-Generaal een wetsvoorstel van de regering aanhangig dat erin voorzag dat in situaties als deze het medisch oordeel van de bedrijfsarts leidend zou worden. Dit wetsvoorstel is nadien (op 30 mei 2023) door de regering ingetrokken. De regering had inmiddels advies gevraagd van de onafhankelijke commissie Toekomst arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) en wilde dat advies betrekken bij het aanpakken van “het knelpunt van de onzekerheid van werkgevers met loonsancties gerelateerd aan het medisch advies van de bedrijfsarts”.In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2023 wordt de in 5.1. weergegeven interpretatie van (onder andere) het begrip ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen’ nog altijd maatgevend geacht. De nuancering van deze rechtbank daarop zoals in 5.2. weergegeven wordt daarmee afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft daarvoor twee argumenten. Allereerst is aan de wetsgeschiedenis geen argument te ontlenen om genoemd begrip in te vullen met een vergewisplicht. Ten tweede is van belang dat het eerder in deze overweging genoemde wetsvoorstel inmiddels door de regering is ingetrokken. 5.4. De rechtbank heeft een drietal met elkaar samenhangende redenen om nogmaals de hiervoor onder 5.2. weergegeven nuancering op de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak aan te brengen. Zij gaat daarbij eerst in op het tweede argument van de Centrale Raad van Beroep om die nuancering af te wijzen en daarna op het eerste argument. 5.4.1. De regering heeft inmiddels het hiervoor onder 5.3. bedoelde advies van de OCTAS ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft de regering op 28 januari 2025 aan de Tweede (en Eerste) Kamer het volgende medegedeeld: “OCTAS adviseert in haar rapport bij de maatregelen in de wachttijd, de eerste 104 weken van ziekte, dat UWV bij de toetsing van het re-integratieverslag uit mag gaan van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. Hierdoor vervalt één van de grondslagen tot een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie). Deze maatregel is uitgewerkt in een fiche en komt overeen met het per mei 2023 ingetrokken wetsvoorstel. Bij alle drie de varianten adviseert OCTAS deze maatregel ter verbetering van het arbeidsongeschiktheidsstelsel.” Op grond hiervan komt wat de rechtbank betreft geen doorslaggevende betekenis meer toe aan het tweede argument tegen de door haar voorgestelde nuancering, zoals in essentie ook door eiseres is bepleit. Het is wel zo dat dit regeringsstandpunt niet betekent dat meteen de wet is gewijzigd. Maar daar staat dan weer tegenover dat de door de rechtbank aangebrachte nuancering op de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak (veel) minder verstrekkend is dan het genoemde wetsvoorstel. Het wetsvoorstel houdt immers in dat het UWV uitgaat van de weergave van de arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsarts. Discussie daarover is dan in principe niet meer mogelijk. Dat laatste is met de hiervoor bedoelde nuancering van de rechtbank nog altijd (en in ruime mate) mogelijk. 5.4.2. Wat het eerste argument betreft – de verwijzing naar de wetsgeschiedenis – wijst de rechtbank op de conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock van 10 november 2023. Daarin is zij uitvoerig ingegaan op de instrumenten die de (bestuurs)rechter heeft om wettelijke bepalingen te interpreteren en hoe hij daarmee zou moeten omgaan. Zij wijst erop dat als de wetgever er om wat voor een reden dan ook voor kiest een open (of vage) norm in de wet op te nemen, de wetgever daarmee de rechter interpretatieruimte biedt. Wat die interpretatie betreft is het zeker verdedigbaar dat de rechter vrij recent na inwerkingtreding van de wet belangrijke – en overigens niet per definitie doorslaggevende – betekenis toekent aan wat in de wetsgeschiedenis is overwogen. Raadsheer advocaat-generaal De Bock wijst er ook op dat er geen steekhoudend argument is voor de rechter om tot in lengte van jaren vast te houden aan wat er eertijds in de wetsgeschiedenis is overwogen. Nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde maatschappelijke inzichten kunnen op enig moment een andere interpretatie rechtvaardigen, zeker als sprake is van (een wettelijk begrip dat van toepassing is
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.