RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Eindhoven Zaaknummer : 11530846 Rolnummer : 25-918 Uitspraak : 12 juni 2025 in de zaak van: [eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam eiser] , zaakdoende en gevestigd te [plaats] , eiser, gemachtigde: Interim Credit Control B.V., t e g e n : Wappstars B.V., zaakdoende en gevestigd te Veldhoven, gedaagde, gemachtigde: J.F.L.M. Geerts. Partijen worden verder genoemd “ [eiser] ” en “Wappstars”. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 30 januari 2025 met producties; het schriftelijk antwoord van 20 maart 2025; de rolbeslissing d.d. 3 april 2025 waarbij is bepaald dat een mondelinge behandeling zal worden gelast; e mondelinge behandeling op 15 mei 2025 waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. [eiser] vordert veroordeling van Wappstars bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 2.919,83, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. 2.2. [eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. Hij heeft in opdracht van Wappstars diverse onderhoudswerkzaamheden verricht waaronder het schoonmaken van het parkeerterrein, het zuiver maken van de dakgoten en bladvrij maken van de dakgoten evenals het leveren en aankleden van bloembakken op kantoor. Uit dien hoofde heeft [eiser] van Wappstars te vorderen een bedrag van € 4.776,65, een en ander conform de aan Wappstars gezonden factuur met kenmerk 23-0021. Wappstars diende uiterlijk binnen 14 dagen na factuurdatum voor betaling zorg te dragen. Wappstars heeft verzocht om het verschuldigde in termijnen van elk € 250,00 te mogen voldoen en heeft in de periode van 15 mei 2023 tot en met 16 november 2023 in totaal € 2.250,-- betaald. Ondanks aanmaning, sommatie en een ingebrekestelling is Wappstars niet tot betaling van het restantbedrag van € 2.276,65 overgegaan. Aan buitengerechtelijke incassokosten is Wappstars € 341,50 verschuldigd geworden en aan wettelijke handelsrente een bedrag van € 301,83. 2.3. Wappstars heeft kort weergegeven, het volgende als verweer aangevoerd. Zij betwist de vordering verschuldigd te zijn. [eiser] is jegens haar ernstig in gebreke gebleven. [eiser] heeft bomen geleverd en deze te lang laten liggen voordat ze de grond zijn ingegaan. Hierdoor zijn de bomen door gebrek aan water verdroogd en de wortels afgestorven. Zij heeft [eiser] de kans geboden om de dode bomen te vervangen maar [eiser] wilde eerst de facturen voldaan hebben. Zij betwist de omvang van de in rekening gebrachte werkzaamheden; zij heeft betaald wat zij heeft begrepen wat de kosten zouden zijn die [eiser] bij aanvang van de werkzaamheden mondeling heeft aangegeven. 3De beoordeling de contractspartij 3.1. Er zijn geen schriftelijke bewijzen van de totstandkoming van de overeenkomst en het enige stuk dat is opgemaakt komt niet overeen met de afspraak tussen partijen voor zover die tussen hen geldt. Het is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling eerst gebleken een overeenkomst te zijn met de privépersoon, zijnde (de broer, van) de DGA van Wappstars betreffende diens tuin bij zijn woonhuis. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling van 15 mei 2025 daarover aangevoerd dat partijen een onderhandse afspraak hebben gemaakt waarbij [eiser] tuinwerkzaamheden zal gaan uitvoeren waarbij de factuur op naam van het bedrijf van Wappstars zal worden gezet zodat de kosten opgevoerd konden worden ten laste van de onderneming waardoor Wappstars de btw kon terugvorderen. 3.2. De factuur die is opgemaakt betreft dus werkzaamheden die niet zijn overeengekomen en niet zijn uitgevoerd en niets te maken hadden met het bedrijf van Wappstars. De stellingen bij dagvaarding zijn voorts in strijd met de waarheid volgens de eigen nadere onderbouwing door [eiser] . 3.3. Dat kan niet gerechtvaardigd worden door de stelling dat partijen het zo overeengekomen zijn. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen op de bedenkelijke houding en gang van zaken gewezen. 3.4. Het wettelijk kader is als volgt te omschrijven te geven. Bij het aangeven van de feitelijke inhoud en omvang van de zaak moeten partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten aanvoeren. Art. 21 Rv stelt hierbij als vereisten dat dit volledig en naar waarheid geschiedt en is aldus een algemene norm die vorm geeft aan de taakverdeling tussen de rechter en partijen met betrekking tot de feiten. Volgens de MvT gaat het niet aan dat partijen relevante feiten bewust achterhouden of onjuist weergeven en is de betekenis van art. 21 Rv hierin gelegen dat de bewuste leugen wordt uitgebannen, daar deze in een modern procesrecht niet aanvaardbaar is. De rechter mag niet op het verkeerde been worden gezet door het aanvoeren van onjuiste feitelijke stellingen en ook niet door onvolledige stellingen. 3.5. In de rechtspraak zijn negen categorieën van gevolgtrekkingen te onderscheiden (ontleend aan A-G De Bock in haar conclusie ECLI:NL:PHR:2021:38 ): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.