RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: SHE 25/879 en SHE 25/962 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2025 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats], eiser, en de invorderingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de invorderingsambtenaar. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 9 april 2025 (de bestreden uitspraak). 1.
- De heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad heeft aan eiser over het belastingjaar 2025 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd. 1.
- De invorderingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 9 april 2025 beslist op het verzoek om uitstel van eiser (de bestreden uitspaak). 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. 1.
- Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank komt tot het oordeel dat zij onbevoegd is, omdat geen beroep bij de (fiscale) bestuursrechter mogelijk is tegen een beslissing van de invorderingsambtenaar over een verzoek om uitstel van betaling genomen op grond van artikel 25 van de Invorderingswet
- De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Toetsingskader
- Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. 3.
- In de Awb is opgenomen dat niet tegen elk besluit beroep bij de (fiscale) bestuursrechter mogelijk is. In artikel 1 van de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is vermeld tegen welke besluiten geen beroep bij de (fiscale) bestuursrechter mogelijk is. De Invorderingswet 1990 wordt daarin ook genoemd, met uitzondering van besluiten die genomen zijn op grond van de artikelen 30, 49 en 62a van de Invorderingswet
- 3.
- De wettelijke basis van de beoordeling van een verzoek om uitstel van betaling is, voor zover hier van belang en in samenhang met artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, artikel 25 van de Invorderingswet 1990 en de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
- Als een belanghebbende het niet eens is met een beslissing op grond van artikel 25 van de Invorderingswet 1990, dan is er de mogelijkheid om een administratief beroep in te stellen. Het beroep van eiser
- Eiser heeft in zijn bezwaar tegen de aanslag gemeentelijke belastingen voor het belastingjaar 2025 verzocht om uitstel van betaling, waar met de uitspraak op bezwaar van 9 april 2025 op is beslist. In de rechtsmiddelenclausule van de uitspraak op bezwaar is opgenomen dat hiertegen beroep mogelijk is bij (fiscale) bestuursrechter.
- De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit van 9 april 2025 ziet op het verzoek om uitstel van betaling dat eiser in zijn bezwaar van 12 maart 2025 heeft gedaan. Anders dan in de stukken wordt vermeld, is niet de heffingsambtenaar de bevoegde ambtenaar die beslist op een verzoek om uitstel van betaling, maar de invorderingsambtenaar. De rechtbank verbindt daar echter in dit geval geen consequenties aan omdat uit de ondertekening van de uitspraak op bezwaar van 9 april 2025 blijkt dat de beslissing is ondertekend door [naam], de heffings- en invorderingsambtenaar van de gemeente Meierijstad. De rechtbank gaat er daarom van uit dat als verweerder in deze beroepsprocedure moet worden aangeduid: de invorderingsambtenaar van de gemeente Meierijstad.
- Anders dan de invorderingsambtenaar meent door het vermelden van een rechtsmiddelenclausule is de (de fiscale) bestuursrechter niet bevoegd kennis te nemen van beroepen die zijn gericht tegen beslissingen over uitstel van betaling. En dergelijk besluit vindt immers zijn grondslag in artikel 25 van de Invorderingswet. Er kan dus geen beroep worden ingesteld bij de (fiscale) bestuursrechter. Eiser kan alleen bij de burgerlijke rechter terecht als hij het niet eens is met beslissingen over zijn verzoeken om uitstel van betaling. Dat betekent dat de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het beroep.
- Dat neemt niet weg dat de rechtbank ten overvloede de invorderingsambtenaar wijst op het volgende. Eiser heeft kennelijk op 11 maart 2025 in zijn bezwaar tegen de aanslag gemeentelijke belastingen voor het jaar 2025 een verzoek om uitstel van betaling(en) gedaan. Op een dergelijk verzoek volgt, zoals dat ook is opgenomen in de Leidraad invordering gemeente Meierijstad 2024 die de invorderingsambtenaar hanteert, een beschikking waartegen administratief beroep open staat binnen een termijn van tien dagen. Na dat administratief beroep volgt een besluit op beroep, waartegen een procedure kan worden gestart bij de burgerlijke rechter. De invorderingsambtenaar heeft deze procedure niet gevolgd. De invorderingsambtenaar heeft daarmee eiser de mogelijkheid van administratief beroep onthouden en bovendien hem op de verkeerde weg gezet door te vermelden dat hij beroep bij de bestuursrechter kon instellen tegen het besluit van 9 april 2025, door de invorderingsambtenaar aangeduid als uitspraak op bezwaar. Dat is onjuist. Eiser heeft echter wel gemeend dat hij beroep kon instellen. Om deze reden zal de rechtbank beslissen dat de invorderingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht (€ 53) moet vergoeden. Conclusie en gevolgen
- De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt wel zijn griffierecht vergoed. Eiser heeft verder geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep; draagt de invorderingsambtenaar op het betaalde griffierecht (€ 53) aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 juni
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Artikel 1:3 van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb. Dat staat in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb. Dat staat in Bijlage 2 van de Awb.