← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:3641

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1425W uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2025 op het verzoek om wijziging van de uitspraak van 13 juni 2025 (SHE 25/1075) in de zaak tussen SABIC Innovative Plastics B.V., uit Bergen op Zoom , verzoekster (gemachtigde: mr. T.N. Sanders), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college (gemachtigden: mr. F.C.S. Warendorf). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister van infrastructuur en waterstaat. Procesverloop

  1. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 13 juni 2025 (SHE 25/1075) een voorlopige voorziening getroffen.
  2. Bij brief van 18 juni 2025 heeft het college verzocht genoemde uitspraak op een aantal punten te herstellen: Punt 3, pagina 3, tweede gedachtestreepje: “Op 24 april 2024 heeft het college een ontwerpbeschikking vastgesteld met een (tijdelijke) lozingsnorm van 0,5 kg over een periode van 3 maanden (3 kg/jaar) die van toepassing zou zijn tot 1 januari 2026.” De norm in de ontwerpbeschikking van 24 april 2024 is niet 0,5 kg over een periode van 3 maanden, maar 0,75 kg over een periode van 3 maanden. Punt 6, pagina 4, laatste gedachtestreepje: “De evenredige toegelaten jaarvracht over 2024 bedraagt bij benadering 1,8 kg.” Hier wordt het verkeerde jaartal genoemd. Het moet 2025 zijn. Ook verzoekt het college de naam [naam] te wijzigen in [naam] .
  3. Onder 8, pagina 4, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de voorlopige voorziening van rechtswege vervalt als niet wordt voldaan aan een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de jaarvracht PFBS in 2025 niet hoger mag zijn dan 4 kg. Het college stelt in de brief er vanuit gegaan te zijn dat de voorzieningenrechter in de uitspraak een maximale vracht voor 2025 zou opnemen gerekend vanaf 29 maart 2025 (artikel 16.79 Omgevingswet, beschikking is 28 maart ter inzage gelegd). De voorwaarde zou dan moeten luiden: “In de periode van 29 maart 2025 tot en met 31 december 2025 mag de vracht PFBS niet hoger zijn dan het evenredig deel van een jaarvracht van 4 kg, te weten: 3,047 kg (87/365 van 4 kg)”.
  4. Bij brief van 18 juni 2025 heeft Sabic laten weten met de verzoeken van het college onder 2 en de naamswijziging geen moeite te hebben. Met betrekking tot het verzoek onder 3 constateert Sabic dat het college de uitspraak anders interpreteert dan Sabic . Sabic begrijpt het dictum aldus dat “de jaarvracht PFBS” de maximale toegestane PFBS is die tussen 29 maart 2025 en 31 december 2025 mag worden geloosd. Dat wil zeggen, tussen 29 maart 2025 en 21 december 2025 mag Sabic (maximaal) 4 kg PFBS lozen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. De voorzieningenrechter vat het verzoek om de uitspraak te herstellen op als een verzoek om de uitspraak van 13 juni 2025 op genoemde punten te wijzigen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verzoeken onder 2 zien op kennelijke verschrijvingen in de uitspraak. De voorzieningenrechter zal de uitspraak van 13 juni 2025 op dit onderdeel rectificeren.
  6. In het dictum van de uitspraak heeft de voorzieningenrechter – onder meer – bepaald dat de jaarvracht PFBS in 2025 niet hoger mag zijn dan 4 kg. Daarmee is relevant wat onder “de jaarvracht PFBS” verstaan dient te worden. Uit het verzoek van het college en reactie daarop van Sabic blijkt dat daarover verschil van inzicht bestaat tussen beide. In de uitspraak heeft de voorzieningenrechter het voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit geschorst en een norm gesteld van 4 kg als jaarvracht met daaraan gekoppeld een aantal voorwaarden. Daarmee is bedoeld de jaarvracht te bepalen voor de periode van de datum van inwerkingtreding van het besluit (29 maart 2025) tot en met 31 december
  7. Om te voorkomen dat hierover in het vervolg van de procedure onduidelijkheid blijft bestaan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ambtshalve de uitspraak van 13 juni 2025 te wijzigen door in het dictum de passage “de jaarvracht PFBS mag in 2025 niet hoger zijn dan 4 kg” onder 8, vierde punt, ter verduidelijking te vervangen door: “in de periode van 29 maart 2025 tot en met 31 december 2025 mag de vracht PFBS niet hoger zijn dan 4 kg”.
  8. De voorzieningenrechter doet uitspraak met toepassing van de artikelen 8:83 en 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor een veroordeling in proceskosten of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijzigt de voorlopige voorziening getroffen in de uitspraak van 13 juni 2025 (SHE 25/1075) naar de volgende voorziening: schorst voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit tot en met de uitspraak van de rechtbank; bepaalt dat deze voorlopige voorziening van rechtswege vervalt als niet wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:  PFBS mag alleen in de LXF Plant worden gebruikt;  er dient gebruik te worden gemaakt van de methodes en wijze van procesvoering beschreven in paraaf 5.2, 5.3 en 6.4 van de brief van 15 november 2024;  er mag slechts één masterbatch worden uitgevoerd voor 23 september
  9. Hierbij dient de koelwatertechniek beschreven in paraaf 5.3 van de brief van 15 november 2024 te worden toegepast. Bovendien moet het vrijkomend koelwater worden opgevangen en mag dit koelwater niet worden geloosd zonder voorafgaande goedkeuring van bevoegd gezag;  in de periode van 29 maart 2025 tot en met 31 december 2025 mag de vracht PFBS niet hoger zijn dan 4 kg. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juni
  10. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.