RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/538 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [naam]), en de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de heffingsambtenaar ([naam]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aan eiseres voor een juist bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend. 1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het tankstation [adres] in [plaats] met de beschikking van 31 mei 2024 vastgesteld voor het kalenderjaar 2024 op € 68.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) zijn bekendgemaakt. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 14 januari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de waarde verlaagd tot € 64.000. 1.3. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. De bestreden uitspraak 2. In de bestreden uitspraak is wat betreft de toegekende proceskostenvergoeding het volgende overwogen: Proceskostenvergoeding U verzoekt om vergoeding van de kosten conform artikel 7:15 Awb. De vergoeding met betrekking tot het taxatierapport heeft, gelet op ontwikkelingen in de jurisprudentie, geleid tot nieuwe inzichten waardoor vanaf nu afgeweken zal worden van de eerdere toegekende hogere vergoeding voor het taxatierapport. Voor de volledigheid verwijs ik o.a. naar ECLI:NL:RBDHA:2023:21602, de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 19 september 2024 (23/7985) en ECLI:NL:GHDHA:2024:1915. Voor het bezwaarschrift wordt een vergoeding toegekend van 1 punt met een gemiddelde weging (€ 647,--) x 0,125; Voor de hoorzitting wordt een vergoeding toegekend van 1 punt met een gemiddelde weging (€ 647--) x 0,125; Voor het taxatierapport wordt een vergoeding toegekend van 2 uur x 68 euro + 21% BTW (€ 164,56). De totale vergoeding bedraagt € 80,88,-- + € 80,88,-- + € 164,56 = € 326,32 en zal conform huidige wetgeving op rekening van uw cliënt worden overgemaakt. Beoordeling door de rechtbank 3. In beroep is in geschil of de heffingsambtenaar aan eiseres een juist bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het gaat daarbij om twee aspecten: de vergoeding van het door eiseres in de bezwaarfase overgelegde taxatierapport en de vergoeding voor de door haar gemachtigde verleende rechtsbijstand. De rechtbank zal beide aspecten hierna afzonderlijk beoordelen. Kostenvergoeding taxatierapport 4. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de aan haar toegekende proceskostenvergoeding voor het door haar ingediende taxatierapport. 4.1. Eiseres heeft in de bezwaarfase om een vergoeding voor het taxatierapport verzocht van € 747,78 (4 uur x € 154,50 + 21% BTW). Eiseres vindt dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding is uitgegaan van een verkeerd uurtarief. Hij heeft het tarief voor een courante niet-woning gehanteerd, terwijl het object als incourant wordt aangemerkt. Daarnaast is eiseres het niet eens met het aantal in aanmerking genomen uren. Ondanks dat het een bureautaxatie betreft, vergt het opstellen van een taxatierapport en het maken van een taxatiekaart volgens haar aanzienlijk meer tijd. In dit specifieke geval is er volgens eiseres ten minste 4 uur aan werkzaamheden verricht om tot een zorgvuldig en goed onderbouwd rapport te komen. 4.2. De heffingsambtenaar neemt als uitgangspunt voor het vaststellen van de proceskostenvergoeding de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties. Volgens de heffingsambtenaar biedt de richtlijn voldoende grondslag om de door eiseres verzochte vergoeding te matigen, nu die leidt tot een disproportionele vergoeding. De enige werkzaamheden die de taxateur van eiseres volgens de heffingsambtenaar heeft moeten verrichten om tot een waardebepaling te komen zijn het invullen van de REN-invullijst en het Rekenblad MBVP (Motorbrandstofverkooppunten). Beide rekenbladen zijn bijlagen bij de Taxatiewijzer Motorbrandstofverkooppunten, opgesteld en uitgegeven onder auspiciën van de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Deze rekenbladen zijn Excel-bestanden die gevuld zijn met formules; het invullen van een beperkte hoeveelheid gegevens leidt hierbij tot een waardebepaling. Hierbij is geen enkele taxatietechnische kennis vereist en het invullen neemt volgens de heffingsambtenaar in redelijkheid niet meer dan een kwartier in beslag. De door eiseres gestelde tijdsinvestering van ten minste 4 uur is volgens de heffingsambtenaar in het geheel niet onderbouwd. De heffingsambtenaar wijst er nog op dat namens eiseres naast de ingevulde rekenbladen nog wel een taxatierapport is overgelegd, maar dat bevat volgens de heffingsambtenaar geen informatie die niet in de rekenbladen is opgenomen. De waardering van het object is volgens de heffingsambtenaar bepaald niet als bewerkelijk of complex aan te merken. 4.3. De rechtbank kan het concreet op deze zaak toegespitste betoog van de heffingsambtenaar goed volgen. Dat geldt dus zowel ten aanzien van de tijdsinvestering die benodigd is voor het opstellen van de taxatie als de daarmee gepaard gaande kosten, in welk verband de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hiervoor geen enkele taxatietechnische kennis vereist. Het betoog van eiseres bestaat uit algemeenheden die, voor zover die al op deze specifieke beroepszaak zouden zien, op geen enkele wijze zijn onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar in zoverre aan eiseres een juist bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand 5. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de aan haar toegekende proceskostenvergoeding voor de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 5.1. Eiseres vindt het niet terecht dat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding heeft vermenigvuldigd met 0,125 zoals voorgeschreven in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ. Eiseres stelt daartoe primair dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2025. Subsidiair is volgens haar sprake van een bijzondere omstandigheid. 5.2. De heffingsambtenaar vindt dat geen sprake is van een bijzonder geval en evenmin van een bijzondere omstandigheid. Bijzonder geval? 5.3. In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als het bedrijfsmodel van een gemachtigde eruit bestaat dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.