RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/297329 / HA ZA 15-576 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van [eiser] , voorheen genaamd [eiser], te [plaats] , [land] , eisende partij in de hoofdzaak, verweerder in de incidenten, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.J.G.A. Filemon, tegen MR. P.R. DEKKER Q.Q., in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater 1] , te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de incidenten, advocaat: mr. J.Th.M. Diks, 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 juli 2024, gewezen tussen [eiser] als eiser en Dekker en de op grond van artikel 680 Rv in het geding geroepen [A] bv (hierna: de holding) als gedaagden, waarbij laatstgenoemde werd bijgestaan door mr. S.M. Marges, - de aktes van [eiser] en Dekker, waarbij zij zich akkoord hebben verklaard met het doorhalen van de zaak ten aanzien van de holding, - de doorhaling van de zaak ten aanzien van de holding ter rolle van 17 juli 2024, - de akte van Dekker waarbij productie 72 is overgelegd, - het door de deskundige [B] naar de rechtbank gezonden databoek, - de akte na tussenvonnis van Dekker, met de producties 73 tot en met 75, - de akte na tussenvonnis van [eiser] , met de producties 149 tot en met 152. 1.2. Op 20 november 2024 heeft een nieuwe mondelinge behandeling plaatsgevonden, in aanwezigheid van de deskundige, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. 1.3. Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van: - de akte uitlaten van [eiser] - de akte van Dekker. 1.4. Ten slotte is een datum bepaald waarop de rechtbank uitspraak zou doen. 2De verdere beoordeling. 2.1. De rechtbank komt thans tot een eindvonnis, waarin het gaat om de verdeling van de eenvoudige gemeenschap(pen) tussen [eiser] en [erflater 1] en de nalatenschap van hun vader [erflater 2] . Zij zal eerst een (globaal) overzicht geven van de stand van zaken, en daarna ingaan op de resterende geschilpunten. De zaak tegen de holding is doorgehaald. 2.2. Uit wat hiervoor onder de procedure is weergegeven, volgt dat de zaak ten aanzien van de holding is doorgehaald. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 juli 2024 al overwogen dat zij uit het rolbericht van mr. Marges van 14 februari 2024 en de reacties daarop van [eiser] en Dekker heeft afgeleid dat de holding inmiddels niet meer bestaat en dat de verdeling van de gemeenschappen waarvoor de medewerking van de holding was vereist, inmiddels tot stand is gebracht. Ten aanzien van die gemeenschappen ligt er daarmee geen verdere taak meer voor de rechtbank. De eenvoudige gemeenschappen van [eiser] en [erflater 1] 2.3. In navolging van de eerdere tussenvonnissen sluit de rechtbank wat betreft de opsomming aan bij de punten die in de op verzoek van de rechtbank gemaakte boedelbeschrijving zijn genoemd. [land 2] onroerend goed 2.4. Het betreffende onroerend goed is op 21 december 2017 in eigendom aan [eiser] overgedragen. Waar het nog om gaat, is de afrekening van de inkomsten en uitgaven over de periode 1 januari 2013 tot en met 21 december 2017 die de deskundige in totaal op € 50.211,87 heeft gesteld. De kosten die door beheerder [C] in het kader van het deskundigenonderzoek zijn gemaakt, zijn gedragen door [eiser] . De rechtbank heeft bepaald dat die kosten voor € 5.000,00 redelijk zijn. 2.5. Op de afrekening van de inkomsten en uitgaven gaat de rechtbank onder 2.42. nader in. Kantoorpand [adres 1] te [plaats] (punt 3) en onroerend goed punten 4 t/m 25 2.6. Volgens de rechtbank is dit tezamen één eenvoudige gemeenschap. Het kantoorpand aan [adres 1] is getaxeerd op € 215.600,00, en de overige onroerende zaken op € 326.735,00. De rechtbank heeft beslist dat de schuld aan Direktbank per 8 januari 2018 ad € 332.934,00 in mindering moet worden gebracht op het geheel. [adres 1] 2.7. De deskundige heeft hierover het volgende gerapporteerd: In onderstaand overzicht heb ik op basis van de beschikbare gegevens een exploitatieoverzicht opgesteld over de periode oktober 2012 tot en met 31 december 2021, waarin ik ten aanzien van de ontbrekende gegevens een schatting heb opgenomen (geel gearceerd). Vanaf mei 2021 wordt de administratie verzorgd door het kantoor van Mr. Dekker. De inkomsten en uitgaven worden op een daartoe geopende bankrekening (rabobank: [rekeningnummer 1] ) geboekt. Op 17 mei 2021 heeft de heer [eiser] een bedrag van € 17.870,53 betaald, zijnde de verrekening van het exploitatiesaldo over de periode augustus 2019 tot en met mei 2021. Het exploitatiesaldo over de periode augustus 2019 tot en met 31 december 2022 ad € 29.759,43 is in het onderstaande overzicht tot en met 31 december 2022 meegenomen. 2.8. Volgens Dekker hebben partijen hun geschil over de periode augustus 2019 t/m april 2021 geschikt (daarna heeft hij de exploitatie overgenomen) op een bedrag van € 17.870,53. Waar het dan nog om gaat is de periode oktober 2012 tot augustus 2019. De rechtbank heeft het exploitatieresultaat over die periode bepaald op € 129.668,54. Dekker moet daarvan de helft krijgen, te weten € 64.834,27 (r.o. 3.39 van het tussenvonnis van vonnis van 3 juli 2024). 2.9. Dekker stelt in zijn akte na tussenvonnis dat hij het aandeel in de nalatenschap in [adres 1] heeft verkocht en geleverd aan [eiser] op 14 oktober 2024 en dat daarbij ook het geschil over de afdracht van de huurpenningen geschikt is. Die schikking houdt onder meer in dat Dekker ter zake van de huurpenningen niets meer van [eiser] te vorderen heeft, dat [eiser] alle hypothecaire schulden heeft afgelost aan de Direktbank en ter zake geen vorderingsrecht meer heeft op de nalatenschap en dat op geen van de gemeenschappelijke eigendommen nog een hypotheek rust. Dekker heeft verder in de betreffende akte gesteld dat hij gelet op deze schikking geen behoefte heeft aan het bewijzen van (contante) huuropbrengsten met betrekking tot dit pand. 2.10. [eiser] heeft in zijn akte na tussenvonnis het volgende gesteld: Partijen bereikten reeds begin 2023 overeenstemming over zowel de verdeling van i.) het onroerend goed (o.g.) als ii.) de exploitatieopbrengst in de periode voorafgaand aan verdeling. Met de recente levering door Dekker q.q. van het onverdeeld aandeel in het o.g. aan [eiser] is de verdeling op beide punten voltooid. Op deze punten hoeft door uw rechtbank derhalve niet meer te worden beslist. 2.11. Dekker heeft daarna op de mondelinge behandeling van 20 november 2024 nog verklaard dat er volledige overeenstemming over [adres 1] tussen partijen bestaat. 2.12. Nu er tussen partijen overeenstemming bestaat, ligt er geen verdere taak meer voor de rechtbank. Uit artikel 3:185 BW volgt immers dat de rechtbank alleen een wijze van verdeling kan gelasten of de verdeling zelf vaststelt, als partijen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen. Onroerend goed punten 4 t/m 25 2.13. In de gemeenschap tussen [eiser] en [erflater 1] zit de blote eigendom van de hier bedoelde percelen, behoudens met betrekking tot [kadastrale aanduiding 1] (dat was erfpacht). [E] B.V. is de erfpachter van de percelen en moet dus een canon betalen aan de gemeenschap. Deze onroerende zaken zijn bindend getaxeerd op € 325.236,00. 2.14. Volgens Dekker zijn de nummers 15,16,17 en 20 (zoals weergegeven op productie 74 van Dekker, en volgens de eerdere boedelbeschrijving 13,14,15 en 18; het gaat daarbij om de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ) executoriaal verkocht door de bank en hoeven die niet meer in de verdeling te worden betrokken. Daar is [eiser] het mee eens. Over de rest van de onroerende zaken hebben partijen inmiddels ook overeenstemming bereikt. Dat volgt uit het proces-verbaal van de zitting van 20 november 2024 en de door [eiser] na die zitting nog genomen akte, waaruit volgt dat de betreffende onroerende zaken op 30 januari 2025 aan hem geleverd zijn. 2.15. Met het voorgaande ligt er ten aanzien van de verdeling van de hier bedoelde onroerende zaken geen verdere taak meer voor de rechtbank. 2.16. In het tussenvonnis van 3 juli 2024 heeft de rechtbank de deskundige gevolgd in diens begroting van de canoninkomsten van € 133.960,59 tot en met 31 december 2022 (r.o. 3.46. van dat tussenvonnis). Dekker is het daar niet mee eens. De rechtbank gaat daarop nader in onder 2.32. Onroerende zaken punten 26 t/m 29 2.17. De rechtbank heeft het exploitatieresultaat van deze vier vakantiewoningen over de periode van november 2012 tot en met 2022 berekend op in totaal € 203.843,00. Dekker is gerechtigd tot de helft, neerkomend op € 101.921,50 (r.o. 3.52 van het laatste tussenvonnis). Deze onroerende zaken waren onderdeel van de schikking op de zitting van 20 november 2024, waarbij ze aan [eiser] zijn toebedeeld en inmiddels aan hem zijn geleverd. Op dit onderdeel hoeft de rechtbank dan ook geen beslissing meer te nemen. Portefeuille CS 2.18. In het tussenvonnis van 30 mei 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de portefeuille CS en de daarmee samenhangende schulden niet rechtsgeldig zijn verdeeld en nog steeds deel uitmaken van de bijzondere en onverdeelde nalatenschap van [erflater 2] en dat van verbeurdverklaring geen sprake is. De rechtbank heeft de portefeuille aan [eiser] toebedeeld, zonder enige nadere verplichting tot vergoeding aan de nalatenschap van [erflater 1] (r.o. 2.45 van het betreffende tussenvonnis). Bosperceel aan [straat] te [plaats 1] 2.19. Dit onderwerp is afgewikkeld en behoeft geen verdere bespreking meer, zie r.o. 2.20 en 2.21 van het tussenvonnis van 8 november 2017. [adres 6] 2.20. Ook dit onderwerp is afgewikkeld en behoeft geen verdere bespreking meer, zie r.o. 2.19 van het tussenvonnis van 8 november 2017. [land 1] onroerend goed 2.21. Ten aanzien van dit appartement heeft de rechtbank overwogen (r.o. 3.18 van het tussenvonnis van 3 jul 2024) dat tussen [eiser] en Dekker op 8 juli 2016 een overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen, waarbij afgesproken werd het appartement toe te delen aan [eiser] voor € 185.000,= waarbij hij de helft van de in onderling overleg vastgestelde waarde van € 185.000,= (dus € 92.500,=) aan Dekker zou voldoen. Levering heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. In het vonnis van 3 juli 2024 heeft de rechtbank geoordeeld (r.o. 3.21) dat er over en weer geen vorderingsrecht meer bestaat met betrekking tot de inkomsten en uitgaven in verband met het appartement. Tevens is geoordeeld (r.o. 3.23) dat Dekker in verband met de door [eiser] gedragen kosten van EuroEconomics van € 907,50 de helft van die kosten, neerkomend op € 453,75 aan [eiser] moet voldoen. 2.22. [eiser] kan zich niet vinden in deze beslissing van de rechtbank. Daarop gaat de rechtbank hierna, onder 2.38 en verder in. [adres 7] (recreatiewoning) 2.23. Dit onderwerp heeft alleen nog betrekking op de huuropbrengsten. In het vonnis van 3 juli 2024 is geoordeeld dat [eiser] ter zake van de netto huuropbrengst € 19.255,00 aan Dekker moet betalen (r.o. 3.32 van dat vonnis). 2.24. [eiser] heeft over deze beslissing een aantal opmerkingen. Daarop gaat de rechtbank onder 2.35. en verder in. [adres 8] en [adres 9] 2.25. [eiser] heeft deze percelen overgenomen voor € 15.000,00 onder de bepaling dat hij voor 31 december 2016 € 7.500,00 zou betalen aan Dekker. Deze onderwerpen zijn afgewikkeld, ook wat betreft de door Dekker oorspronkelijk gevraagde rekening en verantwoording. Dit blijkt uit het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2018. [adres 6] 2.26. Overdracht van deze woning heeft al in 2017 plaatsgevonden. In het tussenvonnis van 3 juli 2024 is overwogen (r.o. 3.57) dat Dekker gerechtigd is tot de helft van het door de rechtbank berekende exploitatieresultaat van € 33.938,09, neerkomend op € 16.969,05. In de genoemde overweging staat overigens een schrijffout die de rechtbank bij deze herstelt: het exploitatieresultaat is berekend tot en met augustus 2017 en niet tot en met 2022. Range Rover 2.27. In het vonnis van 30 mei 2018 is overwogen dat dit onderwerp geen onderwerp meer van geschil was tussen partijen (r.o. 2.8.), waarmee er voor de rechtbank geen verdere taak meer met betrekking tot dit onderwerp is weggelegd. De rechtbank heeft in dat vonnis verder overwogen dat er voor verrekening van kosten met betrekking tot deze auto geen aanleiding is (zie 2.65 van dat tussenvonnis). Lidmaatschapsrecht Golfclub 2.28. Dit onderwerp is afgerond met de overdracht van het recht aan een derde, waarbij Dekker € 2.000,00 heeft ontvangen (vgl r.o. 2.23 van het tussenvonnis van 30 mei 2018). Daarmee ligt er voor de rechtbank geen verdere taak meer met betrekking tot dit onderwerp. Saldi ABN AMRO rekeningen 2.29. Ook ten aanzien van dit onderwerp ligt er geen taak meer voor de rechtbank: de bankrekeningen zijn opgeheven (r.o. 2.33 van het vonnis van 8 november 2017) waarna Dekker op 11 januari 2018 de helft van de saldi, neerkomend op € 175,45 heeft ontvangen (r.o. 2.10 van het tussenvonnis van 30 mei 2018). Pachtinkomsten van [D] 2.30. Dekker heeft bij [D] stukken afgedwongen waaruit volgt wat er aan pacht is betaald en aan wie. Aan zijn vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording over die inkomsten is daarmee het belang komen ontvallen. Wat de verdeling van deze inkomsten betreft gaat het om de pachtinkomsten over de jaren 2013 tot en met 2015, die onweersproken over die jaren achtereenvolgens € 36.967,10, € 10.779,62 en € 5.389,81 hebben bedragen. Ten aanzien van 2013 heeft de rechtbank beslist dat [eiser] zijn aandeel in de pachtinkomsten over dat jaar verbeurt aan de overige deelgenoten (r.o. 2.58 van het vonnis van 30 mei 2018). Ten aanzien van de jaren 2014 en 2015 geldt dat de rechtbank in haar laatste tussenvonnis van 3 juli 2024 heeft overwogen dat de toen aangekondigde comparitie onder meer zou worden benut om met partijen te spreken over de stand van zaken ten aanzien van de verdeling; wat moet er feitelijk nog verdeeld worden en wat moet daarbij nog verrekend worden. Partijen hebben toen niet meer over de pachtinkomsten 2014 en 2015 gesproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat deze kwestie is afgewikkeld. Mocht dat anders zijn, dan worden de pachtinkomsten over die jaren bij helfte tussen partijen verdeeld. Voor het geval een van partijen feitelijk al meer heeft ontvangen dan hem op grond hiervan toekomt (de helft), is hij gehouden het meerdere aan de ander te vergoeden. Aandelen/certificaten van aandelen Holding 2.31. Op dit punt ligt er geen taak meer voor de rechtbank, omdat partijen geen geschil meer hebben over de schuldposities van [erflater 1] en [eiser] jegens de holding en de wijze waarop die schulden worden verrekend (zie r.o. 2.20 e.v. van het tussenvonnis van 30 mei 2018). Resterende geschilpunten/opmerkingen van partijen naar aanleiding van laatste tussenvonnis Canoninkomsten vastgoed punten 4 tot en met 25 ( [E] ) 2.32. In zijn akte na het tussenvonnis van 3 juli 2024 heeft Dekker te kennen gegeven dat hij zich niet kan vinden in de hoogte van de vastgestelde canoninkomsten van € 133.960,59 tot en met 31 december 2022. Op dat punt is echter sprake van een bindende eindbeslissing. Dekker heeft niet gesteld dat de rechtbank daarvan moet terugkomen en de rechtbank ziet daar overigens ook geen aanleiding toe. Met de ratio van de bindende eindbeslissing, namelijk de goede procesorde en een op beperking van het debat gerichte functie, waardoor eindbeslissingen in beginsel slechts kunnen worden bestreden door het aanwenden van een rechtsmiddel, verdraagt zich niet dat een partij na een door de rechtbank gegeven eindbeslissing nader debat voert over de stellingen over en weer. Van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is geen sprake (Dekker betoogt dat ook niet); het gaat om een in het tussenvonnis afgeronde afweging van standpunten. 2.33. Het voorgaande betekent dat de rechtbank blijft bij de canoninkomsten van € 133.960,59 tot en met 31 december 2022. Nu geen van partijen inzicht heeft gegeven in de volgens de erfpachtvoorwaarden aan te passen canon voor de periode na 31 december 2022 zal de rechtbank, om aan dit geschil een einde te maken, voor die hele periode uitgaan van een vaste canon van € 800,= per object. Over 2023 gaat het dan om: (18 objecten (het gaat om 20 objecten, maar volgens de deskundige wordt er voor [plaats] [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 3 ] geen canon ontvangen) x 800,) minus 4 ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ) x 2/12 (in verband met de executie door de hypotheekhouder van deze vier objecten per 27-10-2023 rekent de rechtbank met twee maanden) x 800,= maakt € 13.866,67 Over 2024 gaat het dan om 14 objecten x € 800,= maakt € 11.200,= Over 2025 gaat het dan om 14 objecten x € 800,= maal 1/12 (de objecten zijn ultimo januari geleverd aan [eiser] ) € 933,33. Daarmee bepaalt de rechtbank de canoninkomsten over de periode vanaf 1 januari 2023 tot eind januari 2025 op € 26.000,= Het totaal van de erfpachtinkomsten bedraagt daarmee € 133.960,59 + € 26.000 = € 159.960,59. Dekker is gerechtigd tot de helft, neerkomend op € 79.980,30, welk bedrag [eiser] – die de canoninkomsten heeft geïnd - aan hem moet voldoen. Bewijs huuropbrengsten arbeidsmigranten 2.34. Volgens de rechtbank heeft Dekker op twee punten gesteld dat er (netto) inkomsten zijn van arbeidsmigranten. Het ene punt betreft de woonruimte boven [adres 1] . Daarover heeft Dekker op de comparitie desgevraagd verklaard dat er ten aanzien van dat punt volledige overeenstemming is, waarmee er op dit punt geen nadere beslissing van de rechtbank meer nodig is. Het andere punt betreft bungalows op [E] . Daarover heeft hij enkele proces-verbalen van constateringen van een door hem ingeschakelde deurwaarder overgelegd, waaruit volgens hem volgt dat er huur wordt betaald. [eiser] heeft daarover echter gesteld dat het gaat om bungalows waarvan de gemeenschap niet de exploitant is en dus ook de door Dekker gestelde huur niet ontvangt. Nu Dekker dat niet heeft weersproken, kan bewijslevering op dit punt achterwege blijven. [adres 7] 2.35. [eiser] is teleurgesteld dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met verhuurprovisie. Volgens hem is het gebruikelijk dat bij recreatieve verhuur kosten in rekening worden gebracht en heeft [F] voor het beheer van [adres 7] ook kosten ingehouden. 2.36. De enkele omstandigheid dat [eiser] het niet eens is met de beslissing van de rechtbank, maakt nog niet dat sprake is van een feitelijke of juridische misslag, waardoor de rechtbank zou moeten terugkomen op de door haar gegeven bindende eindbeslissing. Overigens heeft [eiser] de kosten die [F] zou hebben ingehouden nooit inzichtelijk gemaakt, sterker: naar eigen zeggen heeft [eiser] nooit enige administratie van [F] ontvangen. 2.37. [eiser] heeft de rechtbank verder – terecht - gewezen op een rekenfout in de door de rechtbank in de overwegingen 3.30 tot en met 3.32 van haar vonnis van 3 juli 2024 becijferde huuropbrengsten. De rechtbank zal die op grond van artikel 31 Rv. in het onderhavige vonnis herstellen. Uitgangspunt blijven de bruto huur opbrengsten € 12.000,00 per jaar. De periode november 2012 tot en met 30 juni 2017 bestrijkt 56 maanden. Dat komt neer op een totale bruto huur van € 56.000,00. 15% van de bruto huur aan onderhoud (zie voor het percentage r.o. 3.31 van het tussenvonnis) komt neer op € 8.400,00. De onderhoudskosten zijn € 18.610,= (zie r.o. 3.30 van het tussenvonnis). Dan resteert € 28.990,00. Dekker is gerechtigd tot de helft, neerkomend op € 14.495,00. [land 1] onroerend goed 2.38. [eiser] brengt in zijn akte na tussenvonnis wederom naar voren dat het overlijden van [erflater 2] pas bij de verkoop van het appartement aan de [land 1] instanties bekend was, wat resulteerde in het opleggen van diverse achterstallige (fiscale) (exploitatie) verplichtingen voor de erven [erflater 2] ( [eiser] en [erflater 1] ). 2.39. In het tussenvonnis van 3 juli 2024 heeft de rechtbank overwogen (r.o. 3.18) dat ten aanzien van de vraag tot wanneer inkomsten en kosten verrekend (of herrekend) zouden moeten worden, de rechtbank aan zou sluiten bij de datum van de overeengekomen datum van overdracht (31 december 2016), en niet bij die van de voltooide overdracht. Daarbij was voor de rechtbank mede doorslaggevend dat niet vast staat dat Dekker enige aanleiding heeft gegeven voor een latere overdracht dan per 31 december 2016. [eiser] kan dan ook in ieder geval geen aanspraak maken op verdeling van een eventueel negatief exploitatieresultaat na 31 december 2016. 2.40. In r.o. 3.22. van dat tussenvonnis is verder overwogen dat er geen concrete vordering aan de rechtbank voorligt met betrekking tot de kosten, die volgens [eiser] tijdens deze procedure met betrekking tot het [land 1] onroerend goed zijn ontstaan. Ook op de na het laatste tussenvonnis gehouden comparitie is [eiser] nog eens expliciet door de rechtbank voorgehouden dat er geen vordering voorlag met betrekking tot nagekomen kosten: De oudste rechter: de rechtbank heeft die kwestie afgekaart tot en met 31 december 2016. Dan is de vraag of er nog nagekomen kosten zijn. Mijn vraag aan u is: hebben we wel een vordering? We hebben een oude vordering van u, maar die is afgedaan. Dat heeft de rechtbank afgedaan en gezegd: het is nul. Die kwestie is weg. Nu komt u met wat stellingen, maar ik heb geen vordering. Dat heeft de rechtbank ook in het vonnis al een keer gezegd. mr. Filemon: we zitten hier om een exploitatiebegroting vast te stellen. Begrijp ik u goed, dan zegt u dat ik daar een vordering voor moet instellen. Dan kan ik dat op een later moment nog doen. 2.41. De rechtbank stelt vast dat [eiser] een dergelijke vordering nadien niet meer heeft ingesteld, ook niet bij zijn na de comparitie nog genomen akte. Bij die stand van zaken beschouwt de rechtbank dit punt als afgedaan en blijft zij bij wat er in het tussenvonnis is overwogen en beslist. [land 2] onroerend goed 2.42. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 3 juli 2024 (r.o. 3.12, onder de punten a tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.