beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/004 Beslissing van 28 maart 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. W.S. Badri, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure 1.1 Verzoeker is belanghebbende in de zaak met zaaknummer C/01/412446 JE RK 25-
- In deze zaak gaat het om een verzoekschrift van de Stichting Jeugdbescherming Brabant. 1.2 De mondelinge behandeling van deze zaak (zitting) was op 26 februari
- Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop 2.1 Verzoeker schrijft in zijn wrakingsverzoek dat hij de volgende gronden aan zijn verzoek ten grondslag legt. Ten eerste werd verzoeker tijdens de zitting herhaaldelijk onderbroken door de rechter en werd hij niet in staat gesteld zijn uitleg of verweer volledig naar voren te brengen. Daarnaast vindt verzoeker dat zijn verweerschrift niet voldoende in beschouwing is genomen. De rechter gaf er blijk van onvoldoende tijd en aandacht aan het verweerschrift te besteden. Deze gedragingen wekken volgens verzoeker de schijn van partijdigheid. 2.2 Uit de reactie van de rechter van 11 maart 2025 op het wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer op dat deze niet berust in het wrakingsverzoek. Voor de gang van zaken tijdens de zitting verwijst de rechter naar het proces-verbaal hiervan. De rechter voert aan dat verzoeker ruim de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunten naar voren te brengen. Eventuele onderbrekingen waren functioneel en nodig om regie te kunnen voeren. Over het verweerschrift schrijft de rechter dat dit heel laat voor de zitting door hem is ontvangen. Uit het proces-verbaal blijkt hoe de rechter dit met partijen heeft besproken. De gekozen aanpak is ook in overleg met partijen tot stand gekomen, aldus de rechter. De beoordeling 3.1 Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter richting een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarover objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.2 De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting direct ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 3.3 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat hij bepaalde (regie)beslissingen heeft genomen waar verzoeker het niet mee eens is. Uit deze (regie)beslissingen blijkt volgens verzoeker de schijn van partijdigheid. Een wrakingsgrond moet echter liggen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter of rechters van wie wraking is verzocht. Het instituut van de wraking is niet bedoeld als rechtsmiddel tegen (procedurele of inhoudelijke) beslissingen van de rechter(s) die de zaak behandelen. Een zodanige beslissing kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, rov. 3.3 en 3.4). 3.4 Van zulke omstandigheden is volgens de wrakingskamer echter geen sprake. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat verzoeker en zijn advocaat ruim voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten naar voren te brengen en te onderbouwen. Van onderbrekingen is nauwelijks sprake en deze waren ook bedoeld om de zitting in goede orde te laten verlopen. Ook het niet meenemen van het verweerschrift is gebaseerd op een procesbeslissing. Omdat dit verweerschrift heel laat, namelijk enkele uren voor de zitting, door de rechter is ontvangen en het ook uit veel pagina’s bestond, heeft deze zich hierop niet goed kunnen voorbereiden. Dit geldt ook voor de andere procespartij. Dat de rechter er daarom voor kiest dit verweerschrift op dat moment niet in behandeling te nemen, is naar het oordeel van de wrakingskamer geen dusdanige bijzondere omstandigheid dat daaruit vooringenomenheid blijkt. De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek tot wraking van de rechter af. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 28 maart
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).