← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:7199

beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/001 Beslissing van 23 januari 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van [verzoeker] , wonende te [geboorteplaats] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. E.C. Zandman, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure 1.1 Verzoeker is gedagvaard door [stichting] . Deze zaak is bekend onder zaak- en rolnummer 11409114/CV EXPL 24-

  1. De mondelinge behandeling in deze zaak was op 9 januari
  2. 1.2 Met zijn brief van 10 januari 2025 heeft verzoeker de rechter gewraakt. In zijn brief legt verzoeker de volgende redenen ten grondslag aan zijn wrakingsverzoek. Als eerste heeft de rechter de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid getoond, omdat zij het motief helemaal heeft gemist en daardoor de zaak vanaf het begin verkeerd heeft ingeschat. Ten tweede heeft de rechter verzoeker onvoldoende gelegenheid tot reactie gegeven, omdat de rechter verzoeker niet toestond dat hij zou toelichten op welke manier [stichting] heeft valsgespeeld. En ten derde heeft de rechter zich beet laten nemen door het valsspelen van [stichting] door op voorhand mee te gaan in de “print manie strategie” van [stichting] . Daarnaast heeft verzoeker in zijn brief uitvoerig uitgelegd wat er volgens hem aan de hand is in de zaak die [stichting] is begonnen. Op 14 januari en 17 januari 2025 heeft verzoeker aanvullingen op zijn wrakingsverzoek overgelegd. In de aanvulling van 14 januari 2025, pag. 6, heeft verzoeker gesteld dat de rechter met de opmerking tijdens de zitting “Tja actie – reactie” bij verzoeker de indruk heeft gewekt dat alleen verzoeker een verwijt treft en [stichting] niet. 1.3 De rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij schrijft dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. De beoordeling 2.1 Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 2.2 De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting direct ongegrond verklaren als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 2.3 Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid heeft getoond, dat de rechter verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gegeven een reactie te geven en dat de rechter zich heeft laten beetnemen door [stichting] . In zijn uitgebreide wrakingsverzoek gaat verzoeker vervolgens met name in op wat er speelt in de zaak tussen hem en [stichting] . Dit is echter niet relevant voor de beoordeling van het wrakingsverzoek. Verder is verzoeker niet tevreden over de procedurele stappen, de berichtgeving vanuit de rechtbank en bijvoorbeeld ook de poging om in onderling overleg tot een vergelijk te komen. Deze elementen vormen echter geen van alle reden voor honorering van het wrakingsverzoek. De gronden die verzoeker aanvoert, betreffen slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Uit de enkele vraag “waaruit blijkt dat jij zwart gemaakt wordt” kan geen vooringenomenheid of de schijn van vooringenomenheid worden afgeleid. Evenmin kan de schijn van vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid uit de opmerking “Tja actie – reactie” zeker nu deze gemaakt is in een context van een geschil, waarbij partijen veelvuldig op elkaar reageren op de geschilpunten die hen verdeeld houden. Dat verzoeker graag gezien had dat er meer aandacht aan deze kwestie was besteed, maakt dat niet anders. Ook kan de wrakingskamer uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, inclusief de aanvullingen van verzoeker daarop, niet opmaken dat hiervan sprake is. Daarom wordt het verzoek afgewezen. 2.4 Voor zover de gronden van de wraking zien op de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 januari 2025 is allereerst van belang dat een proces-verbaal volgens wettelijk voorschrift een verkorte en zakelijke weergave moet bevatten van wat op de zitting is voorgevallen en is verklaard over de zaak. De omstandigheid dat verzoeker vindt dat de wijze van verslaglegging in dat proces-verbaal gebreken vertoont, kan in beginsel geen grond voor wraking opleveren. De rechter en de griffier moeten - op grond van de wet - het proces-verbaal naar waarheid opmaken en van de juistheid ervan moet in beginsel worden uitgegaan, tenzij blijkt van feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen. Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. De beslissing De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 23 januari
  3. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.