beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/010 Beslissing van 13 mei 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van [verzoeker] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure
- Verzoeker is gedaagde in de zaak die bekend is onder zaak- en rolnummer 10420416 CV EXPL 23-
- De mondelinge behandeling in deze zaak was op 9 april
- Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop 2.1 Op 14 april 2025 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat zij verzoeker niet de gelegenheid heeft geboden om inhoudelijk in te gaan op wat er is besproken tijdens het mediation-traject. Volgens verzoeker heeft de rechter hiermee het procesrecht geschonden, omdat hem door Bureau Mediation, de mediator en medewerkers van de rechtbank is verteld dat hij enkele punten uit het traject, waarover tijdens de mediation geen overeenstemming was bereikt, wel bij de mondelinge behandeling van 9 april 2025 mocht bespreken. Daarnaast legt verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de wederpartij wel de gelegenheid heeft geboden over de mediation te praten. Tot slot schrijft verzoeker dat de rechter stukken heeft toegelaten die te laat door de wederpartij waren ingediend, zodat hij daarop niet goed heeft kunnen reageren. 2.2 In reactie op dit wrakingsverzoek schrijft de rechter in haar brief van 17 april 2025 dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. De beoordeling 3.1 Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.3 De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 3.4 Ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek brengt verzoeker diverse (proces)beslissingen naar voren. Zo mocht verzoeker bij de mondelinge behandeling niet ingaan op wat tijdens de mediation tussen partijen is besproken en zijn laat ingediende stukken toegelaten tot het geding. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist is, mag namelijk niet door de wrakingskamer worden beantwoord, maar moet in een eventueel hoger beroep worden getoetst. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van een dergelijke procesbeslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de gebruikte bewoordingen in de motivering – niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.5 Het is duidelijk dat verzoeker het verloop van de mediation tijdens de mondelinge behandeling wilde bespreken en dat hij verwachtte daartoe ook de gelegenheid te krijgen. De rechter heeft verzoeker daartoe echter niet de gelegenheid gegeven en volgens het proces-verbaal deze beslissing gemotiveerd met verwijzing naar de vertrouwelijkheid van de gevoerde gesprekken en het gegeven dat de rechter moet beslissen op grond van wat in de dagvaarding is gevorderd. De wrakingskamer is van oordeel dat in deze beslissing en de motivering daarvoor geen grond voor de (schijn van) vooringenomenheid valt te lezen. 3.6 De stelling van verzoeker dat de wederpartij bij de mondelinge behandeling wél iets heeft mogen zeggen over de mediation, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt namelijk dat de wederpartij niets heeft gezegd over de inhoud van de gevoerde gesprekken. De wrakingskamer ziet hierin daarom ook geen grond voor een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. 3.7 Over het toelaten van stukken ter zitting geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat dit een processuele beslissing betreft die in beginsel geen grond kan vormen voor een wraking. De inschatting van de rechter, volgens haar reactie op het wrakingsverzoek, dat verzoeker door deze toelating niet in zijn belang zou worden geschaad, beoordeelt de wrakingskamer objectief gezien ook niet als zo onbegrijpelijk dat deze niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid of partijdigheid. 3.
- De wrakingskamer komt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. De beslissing De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 13 mei
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).