beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/007 Beslissing van 1 mei 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van [verzoeker] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. E.C. Zandman, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure
- Verzoeker is gedaagde in de zaak die bekend is onder zaak- en rolnummer 11281131 CV EXPL 24-
- De mondelinge behandeling in deze zaak was gepland op 25 maart
- Op 30 december 2024 heeft verzoeker een aantal stukken toegestuurd aan de rechtbank. Bij bericht van 2 januari 2025 heeft de griffie aan verzoeker laten weten dat voorzover zijn bericht was bedoeld als verzoek om aanhouding, dit verzoek is afgewezen omdat het niet verder is gemotiveerd Op 2 maart 2025 heeft verzoeker een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling ingediend. Op 12 maart 2025 is ook dit verzoek afgewezen. Aan verzoeker is wel de mogelijkheid geboden om via Teams deel te nemen aan de mondelinge behandeling. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
- Op 21 maart heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. In reactie op dit wrakingsverzoek schrijft de rechter in haar brief van 26 maart 2025 dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. De beoordeling 3.1 Artikel 36 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.3 De wrakingskamer kan uit het 108 pagina’s tellende en onsamenhangende schriftelijke wrakingsverzoek niet opmaken wat voor verzoeker de gronden van zijn wrakingsverzoek zijn. Verzoeker heeft het over de ‘geldrechtbank’, Gandhi, zijn gezondheidstoestand inclusief foto’s van zijn geslachtsdeel, procedures bij het Belgische Gerechtshof, de trias politica, de quintus politica, de Mossad, de CIA, de BVD, het Kifid, het SVB, enzovoort. Verzoeker benoemt dat hij de rechter wraakt ‘omdat u door uw onwetendheid en door deze ego(geld)verslaving zowel niet-onafhankelijk noch toerekeningsvatbaar bent om op uw positie van rechtbank-trustee te functioneren.’ Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken echter. 3.4 Mocht het wrakingsverzoek van verzoeker zijn ingegeven door de afwijzing van zijn verzoek om aanhouding van de zitting van 25 maart 2025, wijst de wrakingskamer op het volgende. De wet schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Immers, verzoeker heeft op 12 maart 2025 te horen gekregen dat zijn verzoek tot aanhouding van de zitting is afgewezen, terwijl het wrakingsverzoek op 21 maart 2025 is ingediend. Dit tijdsverloop van negen dagen voldoet niet aan het criterium ‘zodra’ zoals hiervoor aangegeven. Reeds hierom kan het wrakingsverzoek niet worden toegewezen. 3.5 Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. 3.6 De wrakingskamer komt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen. De beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. V.R. de Meyere, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 1 mei
- de griffier de voorzitter De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).