← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:7204

beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/002 Beslissing van 29 januari 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] , wonende te [adres] hierna te noemen: verzoeker, raadsvrouwen mr. J.N. de Boer en mr. S.H. Çelik, advocaten te Amsterdam, hierna te noemen: de verdediging, strekkende tot de wraking van mr. H. Slaar en mr. R. van den Munckhof, in hun hoedanigheid van respectievelijk voorzitter en oudste rechter van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de ontnemingszaak met het parketnummer 82.198261.22.hierna gezamenlijk te noemen: de rechters. De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 29januari 2025, waarin liet mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld (hierna: het proces-verbaal); - de schriftelijke reactie van de rechters; - het vonnis van 14 mei 2024 in de hoofdzaak - liet dossier in de ontnemingszaak. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 29januari 2025 (hierna: de mondelinge behandeling) zijn verschenen de hiervoor genoemde raadsvrouwen van verzoeker en de officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas. De rechters hebben in een schriftelijke reactie hun gezamenlijke standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht en zijn niet bij de mondelinge behandeling verschenen. De verdediging heeft tijdens de mondelinge behandeling het wrakingsverzoek nader toegelicht overeenkomstig een overgelegde schriftelijke notitie. Na de sluiting van het onderzoek en beraad heeft de wrakingskamer op 29 januari 2025 haar beslissing en de motivering daarvan aanstonds mondeling medegedeeld. Een en ander is nadien op schrift gesteld. 2Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters daarop 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de ontnemingszaak met het parketnummer 82.19826 1.

  1. 2.2 Namens verzoeker heeft de verdediging blijkens het proces-verbaal en zoals nader toegelicht bij de mondelinge behandeling in de kern het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Er is schijn van partijdigheid vanwege het feit dat de rechters in het vonnis in de hoofdzaak hebben geoordeeld dat sprake is van voor verbeurdverklaring vatbare voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen en nu dezelfde vraag aan de orde is in de ontnemingsprocedure. 2.3 De rechters hebben in hun gezamenlijke schriftelijke reactie aangegeven niet in de wraking te berusten en de grondslag voor de wraking te bestrijden. (aangehecht) 3De beoordeling 3.1 Op grond van artikel 512 Sv kan een rechter gewraakt worden als zich feiten of omstandigheden voordoen, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. 3.2 De wrakingskamer is van oordeel dat in deze geen sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het enkele feit dat de rechters in het onderliggende strafvonnis hebben geoordeeld dat verbeurdverklaring aan de orde is. omdat sprake is van door een strafbaar feit verkregen voorwerpen, brengt niet mee dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid in de ontnemingsprocedure. Immers, in die ontnemingsprocedure staat in de kern een andere vraag centraal, namelijk of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel van verzoeker. De wrakingskamer acht in de geschetste gang van zaken dan ook geen grond gelegen voor de conclusie dat de rechters een (objectiveerbare dan wel subjectieve) schijn van partijdigheid hebben gewekt. 3.3 De conclusie van het voorgaande is dan ook dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zal afwijzen. 4De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking van de rechters mr. H. Slaar en mr. R. van den Munckhof af. Deze beslissing is gegeven door mr. EM. Vermeulen, voorzitter, mr. H.M. Hettinga en mr. S.A.E.M. Rampaart. leden, in tegenwoordigheid van de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari
  2. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.