← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:7205

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/008 Beslissing van 24 april 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van de heer [verzoeker], te [geboorteplaats] , hierna te noemen: verzoeker, gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven, strekkende tot de wraking van mr. A.F. Vink, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.

  1. Verzoeker is als eisende partij betrokken bij een procedure voor de rechter (bestuursrechter bij deze rechtbank) over – kort gezegd – de WOZ-waarde van zijn woning (hierna: de hoofdzaak). Die procedure, die verzoeker voert tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer SHE 24/
  2. De rechter heeft in de hoofdzaak op 28 maart 2025 een tussenuitspraak gedaan. Bij brief van 31 maart 2025 heeft verzoeker het voorliggende wrakingsverzoek ingediend. De rechter heeft bij brief van 2 april 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd. 1.
  3. De wrakingskamer heeft vervolgens de datum van deze beslissing bepaald op vandaag. 2Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter 2.
  4. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bestuursrechtelijke zaak met zaaknummer SHE 24/1697 waarbij verzoeker partij is. Verzoeker legt daaraan het volgende ten grondslag. Gezien de late inzending van stukken door de heffingsambtenaar (in de hoofdzaak), had het voor de hand gelegen dat de rechter hem in de tussenuitspraak daarop had aangesproken. Dat heeft de rechter echter niet gedaan. Door in de tussenuitspraak wel het procesgedrag van verzoeker aan de kaak te stellen, geeft de rechter blijk van vooringenomenheid, althans wekt de rechter die indruk. De rechterlijke onpartijdigheid leidt daardoor schade, aldus verzoeker. Nu de tussenuitspraak is gedaan door een vooringenomen rechter, verzoekt verzoeker de wrakingskamer de mogelijkheid te bezien om de tussenuitspraak te (doen) vernietigen en de nieuwe rechter te laten beoordelen hoe de procedure in de hoofdzaak voortgezet zal worden. 2.
  5. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling 3.
  6. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. 3.
  7. Van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld is hier geen sprake. Verzoeker is het niet eens met de motivering van de tussenuitspraak van de rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er tegen dat de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking. Dit geldt ook indien het gaat om een door de wrakingsmaker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer in dit geval geen sprake. In de stellingen van verzoeker ziet de wrakingskamer geen aanleiding om daaruit de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter af te leiden. 3.
  8. Het wrakingsverzoek moet gelet op het voorgaande worden afgewezen wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. 3.
  9. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat in dat geval geen reden. De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking op grond van artikel 5, tweede lid, onder a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant zonder behandeling ter zitting meteen afdoen wegens kennelijke ongegrondheid van het wrakingsverzoek. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de wrakingskamer sprake. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. 3.
  10. Met betrekking tot het verzoek om de tussenuitspraak van de rechter te (doen) vernietigen overweegt de wrakingskamer als volgt. Daargelaten dat in dit geval het wrakingsverzoek wordt afgewezen, zou de wrakingskamer ook bij een toewijsbaar wrakingsverzoek niet de mogelijkheid hebben om de door de rechter genomen tussenuitspraak te (doen) vernietigen. Het wettelijk systeem – met een gesloten stelsel van rechtsmiddelen – biedt die mogelijkheid sowieso niet. 4De beslissing De rechtbank, verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. V.R. de Meyere en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.Th. Lenting, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april
  11. de griffier de voorzitter De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.