beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer: WR 25-012 Beslissing van 19 juni 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van: [verzoeker] , wonende te [adres] ,hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van: mr. W. Schoorlemmer, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.
- De wrakingskamer heeft kennis genomen van: het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlage van 7 mei 2025 (per e-mail van 7 mei 2025, 09:28 uur); een e-mail met bijlage van verzoeker van 7 mei 2025 (09:29 uur); - de schriftelijke reactie van de rechter van 7 mei
- 1.
- De wrakingskamer heeft bij uitspraak van 6 mei 2025, bekend onder zaaknummer WR 25-009, verzoeker in een verzoek tot wraking van de rechter in dezelfde procedure niet-ontvankelijk verklaard. 2Het wrakingsverzoek en het standpunt van de rechter 2.
- Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/414141 KG ZA 25-151, waarbij verzoeker partij is. 2.
- Op 6 mei 2025, om 12.58 uur, ontving verzoeker een e-mail van de rechter, waarin de rechter de door verzoeker opgeworpen vragen en verzoeken beantwoordt. Deze e-mail levert in de visie van verzoeker nieuwe wrakingsgronden op, omdat de rechter wederom voldoende blijk geeft van partijdigheid. Verzoeker legt – kort weergegeven – het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag: het is onduidelijk waarom zowel een rechter als verzoeker een onvolledig dossier van de advocaat van de wederpartij zouden moeten accepteren; de rechter geeft te kennen dat drie uur is vrij gemaakt voor de mondelinge behandeling, terwijl in de appointeringsbrief staat dat maximaal 180 minuten beschikbaar is; een rechtspersoon (zoals de Staat) kan niet onder ede worden gehoord als getuige. Weliswaar is voor een uitgebreide bewijsvoering geen plaats in een kort geding, maar korte en eenvoudige vragen kunnen bijdragen aan de geschilbeslechting. verzoeker zou gebruik willen maken van het recht op een advocaat, maar heeft nog geen advocaat gevonden; het is onduidelijk waarom de rechter in het kort geding spoedeisendheid aanneemt, nu dit niet is gesteld in het toelichtingsformulier of in de dagvaarding; het ongemotiveerd afwijzen van persopnames is niet mogelijk. Daarbij komt dat verzoeker onafhankelijk journalist is. 2.
- Verzoeker wraakt voorts de wrakingskamer in het geval de wrakingskamer op het verzoek beslist zonder voorafgaande mondelinge behandeling daarvan. 2.
- De rechter berust niet in het wrakingsverzoek. De beantwoording van de door verzoeker opgeworpen vragen en verzoeken levert naar zijn oordeel geen gronden op om te twijfelen aan de zijn onpartijdigheid als rechter in deze zaak en wekt evenmin de schijn van vooringenomenheid. De rechter geeft de wrakingskamer verder het volgende in overweging: om gebruik te maken van de haar in artikel 5 sub g van het wrakingsprotocol gegeven bevoegdheid om – bij afwijzing van het verzoek – te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen; om eventueel – ongeacht de inhoud van de beslissing – gebruik te maken van de in artikel 7, tweede lid, van het wrakingsprotocol gegeven mogelijkheid om aanstonds na de mondelinge behandeling uitspraak te doen zodat direct daarna een datum kan worden gepland waarop de vorderingen van de eisende partij in de kortgedingprocedure kunnen worden behandeld. 3De beoordeling Voorwaardelijk verzoek tot wraking van de wrakingskamer 3.
- De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek van verzoeker met betrekking tot de wrakingskamer een voorwaardelijk geformuleerd wrakingsverzoek betreft. Het verzoek bevat geen feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de wrakingskamer schade zou kunnen lijden. Omdat op het verzoek tot wraking van de rechter zonder voorafgaande mondelinge behandeling wordt beslist, overweegt de wrakingskamer het volgende. 3.
- De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 31 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:155) overwogen dat een rechterlijke beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking. Dat geldt zowel voor beslissingen in de hoofdzaak als voor daarmee verband houdende beslissingen van andere aard. Een wrakingsverzoek kan daarom niet met succes worden gedaan op de grond dat een door de rechter nog te nemen beslissing een bepaald inhoud heeft. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat een wrakingsverzoek afhankelijk kan worden gesteld van een afwijzende beslissing. Dit ziet echter op de situatie dat het wrakingsverzoek zelf op een andere grond berust dan op de inhoud van de nog te nemen beslissing in dit geval op het verzoek om het verzoek mondeling te behandelen. Dat geval doet zich hier niet voor. Dit betekent dat het voorwaardelijke verzoek geen wrakingsverzoek betreft in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het verzoek kan daarom niet als wrakingsverzoek in behandeling worden genomen. Wraking van de rechter 3.
- Op grond van artikel 36 Rv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 3.
- De wrakingskamer stelt vast dat aan het wrakingsverzoek, in de kern, ten grondslag ligt dat verzoeker het niet eens is met de (proces)beslissingen van de rechter. Een (proces)beslissing kan als zodanig geen grond voor wraking zijn. Het is immers niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van die beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die, in geval van aanwending van een rechtsmiddel, belast is met de inhoudelijke behandeling. Dit geldt ook voor de motivering van de (proces)beslissing, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien motivering van een beslissing – in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is in dit geval geen sprake. De gronden van verzoeker, zoals weergegeven onder 2.2 leveren, noch afzonderlijk noch in samenhang bezien, grond op voor wraking. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard. 3.
- Voor een mondelinge behandeling van het verzoek bestaat naar het oordeel van de wrakingskamer geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. Buiten behandeling laten volgend wrakingsverzoek 3.
- Verzoeker heeft de rechter in deze procedure inmiddels twee keer gewraakt. Beide verzoeken zijn ongegrond verklaard en hebben geleid tot een onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom op grond van artikel 39, vierde lid, Rv bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. Op grond van artikel 5, derde lid, van het Wrakingsprotocol van de Rechtbank Oost-Brabant kan de rechter beslissen een volgend verzoek tot wraking niet aan de wrakingskamer voor te leggen. 4De beslissing De wrakingskamer: ten aanzien van het voorwaardelijke wrakingsverzoek van de wrakingskamer 4.
- neemt het voorwaardelijke verzoek tot wraking van de wrakingskamer niet in behandeling; ten aanzien van het wrakingsverzoek van de rechter 4.
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond; 4.
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de behandelend rechter in de zaak met zaaknummer C/01/414141 KG ZA 25-151 niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. E.M. Vermeulen en mr. N. Flikkenschild, leden tevens rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).