← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:7245

RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer / rekestnummer: C/01/399856 / EX RK 23-196 Beschikking van 12 maart 2025 in de zaak van 1 [verzoeker 1] , advocaat: mr. C.J.M. Dreessen,

  1. [verzoeker 2], advocaat: mr. M.F.J. Martens, beiden wonende te [woonplaats] , verzoekende partijen, hierna afzonderlijk te noemen: vader, zoon en gezamenlijk: [verzoekers] ., tegen 1DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer specifiek Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, advocaat: mr. S. Heeroma,
  2. STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te 's-Hertogenbosch, advocaat: mr. C. Banis,
  3. STICHTING VEILIG THUIS OOST-BRABANT, gevestigd te 's-Hertogenbosch, advocaat: mr. B.M.G. Bijnen,
  4. STICHTING WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam ,
  5. GGZE INSTELLING DE CATAMARAN, gevestigd te Eindhoven, verwerende partijen, hierna afzonderlijk te noemen: De Staat, Jeugdbescherming Brabant, Veilig Thuis, William Schrikker Stichting en GGzE. 1De procedure 1.
  6. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 17 bijlagen, ontvangen op 8 januari 2024; - het verweerschrift van De Staat met 15 bijlagen; - het verweerschrift van Jeugdbescherming Brabant met 1 bijlage; - het verweerschrift van Veilig Thuis met 5 bijlagen; - de akte van vader met 1 bijlage, ontvangen op 11 december
  7. 1.
  8. Namens William Schrikker Stichting en GGzE heeft zich geen advocaat gesteld. Zij zijn ook niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. 1.
  9. Aanvankelijk heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gepland op 18 juni
  10. Die mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden vanwege ziekte van de toenmalige advocaat van [verzoekers] , mr. I.P. van Rossen, die zich daarna op 6 september 2024 als advocaat heeft onttrokken. 1.
  11. Op 16 september 2024 heeft mr. C.J.M. Dreessen zich gesteld als advocaat van [verzoeker 1] en het verzoek namens zijn cliënt ingetrokken. Op 31 oktober 2024 heeft mr. M.F.J. Martens zich als advocaat van de zoon gesteld en ook namens deze het verzoek ingetrokken. 1.
  12. Bij e-mails van 8 oktober 2024, 18 november 2024 en 25 november 2024 hebben respectievelijk De Staat, Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis de rechtbank via hun advocaten laten weten dat zij een proceskostenveroordeling wensen. Op 3 december 2024 heeft de advocaat van vader verzocht om een mondelinge behandeling. 1.
  13. Op 17 december 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekers] . waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Namens Veilig Thuis was haar advocaat aanwezig. Namens De Staat en Jeugdbescherming Brabant was niemand aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van vader spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 1.
  14. Daarna is een uitspraakdatum voor een beschikking bepaald. 2Het verzoek en het verweer 2.
  15. Aanvankelijk hebben [verzoekers] . een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Op respectievelijk 16 september 2024 en 31 oktober 2024 hebben zij dat verzoek ingetrokken, met het verzoek hen niet-ontvankelijk te verklaren en de proceskosten tussen partijen te compenseren. 2.
  16. Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis hebben de rechtbank verzocht om [verzoekers] . in de proceskosten te veroordelen. De Staat heeft alleen om een proceskostenveroordeling van [verzoeker 1] (vader) verzocht. 3De beoordeling 3.
  17. Omdat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is ingetrokken, hoeft (en kan) de rechtbank uitsluitend nog een beslissing over de proceskosten nemen. Zonder afbreuk te willen doen aan de aard en de ernst van hetgeen [verzoekers] . (aanvankelijk) inhoudelijk aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd, speelt die inhoud bij de nog te nemen beslissing (nog) slechts een zeer beperkte rol. 3.
  18. Op grond van artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter in een verzoekschriftprocedure een proceskostenveroordeling uitspreken, maar is hij hiertoe niet verplicht. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt verder als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en (dus) hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Dat betekent in deze zaak dat, voor zover vader of zoon deze kosten heeft voldaan, de ander voor dat gedeelte is bevrijd van zijn betalingsverplichting. Vader en zoon blijven dan wel beiden verplicht om het eventueel nog openstaande deel van de kosten te voldoen. 3.
  19. Voor een hoofdelijke proceskostenveroordeling is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd (zie HR 23-12-2022, ECLI:NL:HR:2022:1942) 3.
  20. Gelet op de omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat een (deels hoofdelijke) proceskostenveroordeling van [verzoekers] . in deze zaak op zijn plaats is. Dit wordt als volgt toegelicht. 3.
  21. Aanvankelijk hebben [verzoekers] ., procederend bij één advocaat, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ingediend omdat zij, althans vader, voornemens was / waren om verweerders aansprakelijk te stellen voor geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen door verweerders. Vader heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het indienen van een dergelijk verzoek hem was geadviseerd door hun toenmalige advocaat, en dat deze hem ook heeft geadviseerd om dat samen met zijn zoon te doen. Dat is achteraf gezien een verkeerde keuze is geweest, aldus [verzoekers] ., omdat een voorlopig getuigenverhoor niet nodig was voor het starten van de bodemprocedure, die inmiddels aanhangig is gemaakt. [verzoekers] . hebben het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ingetrokken geruime tijd nadat door De Staat, Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis al verweerschriften waren ingediend. Door die handelwijze hebben [verzoekers] . ervoor gezorgd dat De Staat, Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis nodeloos proceskosten hebben moeten maken, zoals griffierecht en advocaatkosten. In zo’n geval is het onredelijk als de verschenen verweerders de door hen gemaakte proceskosten volledig voor eigen rekening zouden moeten nemen: de kosten zijn immers hoofdzakelijk het gevolg van de processuele keuzes van (de toenmalige advocaat van) [verzoekers] . Voor zover [verzoekers] . ontevreden zijn over de destijds door hun toenmalige advocaat geadviseerde processtrategie, is dat een omstandigheid die in het kader van deze verzoekschriftprocedure voor hun eigen rekening en risico komt. Verweerders staan daar immers geheel buiten. 3.
  22. Vader en Veilig Thuis hebben na de intrekking van het verzoek onderhandeld over het al dan niet handhaven door Veilig Thuis van haar verzoek aan de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De omstandigheid dat Veilig Thuis slechts bereid was af te zien van een proceskostenveroordeling als [verzoekers] . zouden afzien van verdere procedures (de bodemprocedure over het gesteld onrechtmatig handelen jegens [verzoekers] .), levert geen schending op de fundamentele grondrechten zoals vastgesteld in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), [verzoekers] . hebben niet, althans onvoldoende onderbouwd dat de in dat verdrag vervatte rechten, zoals het recht op een eerlijk proces (artikel 8 EVRM) en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 EVRM) zouden zijn geschonden en dat blijkt ook nergens uit. Integendeel: er loopt een bodemprocedure bij deze rechtbank. Het doen van een schikkingsvoorstel, zoals Veilig Thuis heeft gedaan, is een veelvoorkomende stap van een partij die is betrokken in een bodemprocedure. De rechtbank kan zich voorstellen dat het maken van een keuze tussen het aanbod van Veilig Thuis en de waarde van het (verder) voor de rechter brengen van het gesteld onrechtmatig handelen voor [verzoekers] . moeilijk is geweest, omdat zij – ook financieel – meer risico lopen door de bodemprocedure door te zetten, maar dat maakt niet dat Veilig Thuis hen heeft belemmerd in de toegang tot de (bodem)rechter. Het is inherent aan een civiele procedure dat alle betrokken partijen (en hun advocaten) steeds moeten afwegen welke belangen – waaronder het procesrisico, emotionele belangen en financiële risico’s – op dat moment in procedure het zwaarst wegen. 3.
  23. De zoon heeft aangevoerd dat, in geval van een proceskostenveroordeling, een onderscheid moet worden gemaakt tussen hem en zijn vader, omdat zijn vader degene is geweest die het initiatief heeft genomen tot de aansprakelijkheidstelling van verweerders en het starten van deze verzoekschriftprocedure. De rechtbank wil aannemen dat vader inderdaad de initiatiefnemer was – vader heeft dat ter zitting ook erkend –, maar ziet daarin geen reden om ten laste van de zoon geen proceskostenveroordeling uit te spreken. Vaststaat dat de zoon op het moment van indienen van het verzoek meerderjarig was en werd vertegenwoordigd door een advocaat. Het verzoek is door vader en zoon gezamenlijk ingediend en ook de bodemprocedure is door hen beiden aanhangig gemaakt. Tegen die achtergrond valt niet goed in te zien dat de zoon tegen zijn wens in (als procespartij) bij deze verzoekschriftprocedure betrokken is geraakt, zoals zijn advocaat ter zitting heeft geïnsinueerd. Hoewel de advocaat van de zoon ter zitting heeft verklaard dat er vraagtekens te plaatsen zijn bij de wijze waarop de toenmalige advocaat van vader en zoon in deze verzoekschriftprocedure heeft geacteerd, blijkt nergens uit dat sprake zou zijn van een situatie waarin een (materiële) procespartij – in dit geval de zoon – zonder zijn medeweten en/of instemming onbevoegd in rechte is vertegenwoordigd. De omstandigheid dat [verzoekers] . – achteraf bezien – ontevreden zijn met de processuele keuzes die hun toenmalige advocaat heeft gemaakt en/of van mening zijn dat deze aansprakelijk is voor de (financiële) gevolgen daarvan, heeft geen consequenties voor het antwoord op de vraag wie in deze verzoekschriftprocedure de proceskosten dient te dragen: verweerders staan buiten de afspraken die zijn gemaakt tussen [verzoekers] . en hun toenmalige advocaat. De omvang van de proceskosten 3.
  24. Voor het bepalen van de hoogte van de proceskostenveroordeling bestaan vaste tarieven (het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’). De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze tarieven af te wijken of tot matiging over te gaan. Daarbij is onder meer van belang dat het vaste tarief over het algemeen niet kostendekkend is. Veilig Thuis heeft er ter zitting op gewezen dat dit ook voor haar geldt en dat de (proces)kosten die zij in deze concrete zaak heeft gemaakt aanzienlijk hoger zijn dan het bedrag waarop zij basis van het liquidatietarief aanspraak kan maken. Gelet op de aard van het verzoek geldt in deze zaak een tarief van € 614,- per punt (Tarief II). 3.
  25. Het beroep van vader op (analoge) toepassing van de hardheidsclausule van artikel 237 lid 5 Rv slaagt ook niet. De hardheidsclausule is bedoeld voor gevallen waarin de veroordeling tot betaling van het volledige griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het gaat er daarbij om dat wordt voorkomen dat een financieel krachtiger partij daarvan misbruik maakt, bijvoorbeeld door de wederpartij zonder voorafgaand overleg te dagvaarden, of door te procederen om zo alvast een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een al overeengekomen betalingsregeling niet zal worden nagekomen. In al deze gevallen gaat het om misbruik door de eisende partij. In dit geval is er geen ‘eisende partij’, maar een ‘verzoekende partij’. Het is de vraag of artikel 237 lid 5 Rv (ook) op een verzoekschriftprocedure van toepassing is, maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank in midden blijven. Duidelijk is namelijk dat het initiatief tot deze verzoekschriftprocedure bij [verzoekers] . lag en dat zij ook zelf de processuele keuze hebben gemaakt om vijf verweerders – allen rechtspersonen – bij die procedure te betrekken. Verder geldt dat de proceshouding van verweerders niet heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard: verweerders hebben niets méér of anders gedaan dan gebruikmaken van hun wettelijke recht om zich te verweren tegen het verzochte getuigenverhoor. De consequentie is dat [verzoekers] . – als de in het ongelijk gestelde partij – worden veroordeeld in de proceskosten van De Staat, Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis. 3.
  26. De proceskosten worden als volgt begroot: proceskosten van De Staat - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 614,00 (1 punt × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.480,00 proceskosten van Jeugdbescherming Brabant - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 614,00 (1 punt × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.480,00 proceskosten van Veilig Thuis - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.094,00 Hoofdelijke veroordeling 3.
  27. De veroordeling in de proceskosten van Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel vader als zoon kunnen worden gedwongen om het volledige bedrag te betalen. Als één van hen (een deel van) de kosten betaalt, hoeft de ander (dat deel van) die kosten niet meer te voldoen. Het staat vader en zoon uiteraard vrij om onderling (‘intern’) af te spreken wie de proceskosten uiteindelijk voor zijn rekening zal nemen, maar aan een dergelijke afspraak zijn Jeugdbescherming Brabant en Veilig Thuis niet gebonden. 3.
  28. Verweerder De Staat heeft haar verzoek om de zoon te veroordelen in de proceskosten ingetrokken en de rechtbank gevraagd alleen vader in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank zal aan dat verzoek tegemoetkomen. De zoon hoeft deze kosten dus niet te voldoen. 4De beslissing De rechtbank 4.
  29. veroordeelt [verzoekers] . (vader en zoon) hoofdelijk in de proceskosten van Jeugdbescherming Brabant ter hoogte van € 1.480,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoekers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend; 4.
  30. veroordeelt [verzoekers] . (vader en zoon) hoofdelijk in de proceskosten van Veilig Thuis ter hoogte van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoekers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend; 4.
  31. veroordeelt [verzoeker 1] (vader) in de proceskosten van De Staat ter hoogte van € 1.480,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend; 4.
  32. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.