beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/013 Beslissing van 16 juni 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. A.G.A.M. van de Ven, kantonrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de kantonrechter. De procedure 1.1 Verzoeker is verdachte in de zaak met zaaknummers 01.148451.23, 01.148479.23, 01.148499.23, 01.148531.23, 01.148549.23, 01.203412.23, 01.222148.23, 01.222152.23, 01.222156.23, 01.222173.23, 01.222175.23, 01.222179.23, 01.222182.23, 01.040788.24, 01.040878.24, 01.040885.24, 01.040892.24, 01.040971.24, 01.040978.24, 01.041348.24, 01.041350.24, 01.108659.24, 01.108665.24, 01.108673.24, 01.335512.24, 01.335584.24, 01.335588.24, 01.409091.24, 01.409111.24, 01.409142.24, 01.409156.24, 01.409180.24, 01.409378.24, 01.409382.24, 01.073215.25, 01.073223.25, 01.073226.25 en 01.073233.
- In deze zaken wordt verdachte telkens overtreding van artikel 4 Vreemdelingenwet 2000 verweten. 1.2 De mondelinge behandeling van deze zaak (zitting) was op 21 mei
- Tijdens deze zitting heeft de raadsvrouw van verzoeker de kantonrechter gewraakt. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop 2.1 Uit het proces-verbaal van de zitting van 21 mei 2025 blijkt het volgende. De raadsvrouw van verzoeker heeft tijdens de zitting bij de kantonrechter verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaken, zodat zij een machtiging kon verkrijgen, haar cliënt kon verzekeren van haar aanwezigheidsrecht en om de zaken inhoudelijk voor te bereiden. Na reactie van de officier van justitie heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen. Hierop heeft de raadsvrouw van verzoeker aangegeven de kantonrechter te wraken op de grond dat haar verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaken op inhoudelijke aspecten is afgewezen. 2.2 Uit de reactie van de kantonrechter van 27 mei 2025 op het wrakingsverzoek blijkt dat hij niet berust in het wrakingsverzoek. De beoordeling 3.1 Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarover objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.2 De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting direct ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 3.3 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat hij een beslissing heeft genomen waar verzoeker het niet mee eens is. Uit deze beslissing blijkt volgens verzoeker de schijn van partijdigheid. Een wrakingsgrond moet echter liggen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter of rechters van wie wraking is verzocht. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing geen grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Een (tussen)beslissing kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.4 Van zulke omstandigheden is volgens de wrakingskamer geen sprake. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat de raadsvrouw van verzoeker ruim voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar standpunten naar voren te brengen en te onderbouwen. Hierna is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te reageren waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft genomen en toegelicht. Dat verzoeker het niet eens is met deze beslissing wil niet zeggen dat de kantonrechter vooringenomen is geweest. Verzoeker stelt dit niet en voert evenmin feiten of omstandigheden aan waaruit dit zou kunnen blijken. Hiervan is de wrakingskamer ook overigens niet gebleken. De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek tot wraking van de rechter af. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. Mandemakers, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 16 juni
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515, vijfde lid, Sv).