beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/017 Beslissing van 7 juli 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. A.E. de Kryger, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure 1.1 Verzoeker is belanghebbende in de zaak met raadkamernummer 25/005401 (parketnummer 01-106977-23). In deze zaak gaat het over de beoordeling van een bezwaarschrift van verzoeker tegen het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel. 1.2 De mondelinge behandeling van deze zaak (zitting) is gepland op 8 juli 2025. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop 2.1 Verzoeker wraakt de rechter nadat deze zijn verzoek om digitaal aanwezig te zijn tijdens de zitting op 8 juli 2025 heeft afgewezen. Verzoeker schrijft in zijn wrakingsverzoek dat hij in het verleden meerdere malen digitaal aanwezig is geweest bij zittingen. De starre en eenzijdige behandeling van de rechter maakt dat hij de rechter wraakt. 2.2 Uit de reactie van de rechter van 1 juli 2025 op het wrakingsverzoek blijkt dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. Het is de rechter niet duidelijk waaruit valt af te leiden dat zij vooringenomen zou zijn. Zij gaat ervan uit dat de wraking het gevolg is van haar afwijzende beslissing op het verzoek van verzoeker om de zitting digitaal bij te wonen. Zo een beslissing kan volgens de rechter geen grond vormen voor wraking. Bovendien kan uit de door haar genomen voorzittersbeslissing op geen enkele wijze worden afgeleid dat zij niet onpartijdig zou zijn of dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees hiervoor zou kunnen bestaan. De beoordeling 3.1 Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter richting een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarover objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.2 De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting direct afwijzen indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 3.3 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat zij heeft beslist dat verzoeker niet digitaal aanwezig mag zijn tijdens de zitting op 8 juli 2025. Uit deze beslissingen blijkt volgens verzoeker de schijn van partijdigheid. Een wrakingsgrond moet echter liggen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.