beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 25/015 Beslissing van 2 juli 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van [verzoeker] , wonende te [adres] hierna te noemen: verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. A.A.M. Janssen, kantonrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure 1.1 Verzoekster is eiseres in de zaak tegen Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis (JBZ). Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 11270344 \ CV EXPL 24-
- In deze zaak vordert verzoekster veroordeling van JBZ tot betaling van € 25.000,- wegens het tekortschieten in haar zorgplicht jegens verzoekster. De kantonrechter heeft op 19 juni 2025 in deze zaak vonnis gewezen. In dit vonnis heeft de kantonrechter verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en haar eveneens veroordeeld in de proceskosten van JBZ. 1.2 Op 23 juni 2025 heeft verzoekster haar wrakingsverzoek ingediend bij deze rechtbank. Volgens dit wrakingsverzoek legt verzoekster de volgende gronden ten grondslag aan haar verzoek. Verzoekster vindt dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door in haar ogen essentiële processtukken niet toe te laten. Daarnaast is er volgens verzoekster sprake van kennelijke miskenning van feiten en verweer door in het vonnis essentiële vorderingen onbehandeld te laten. Tot slot voert verzoekster aan dat sprake is van vormverzuim, omdat het vonnis niet is medeondertekend door een griffier. 1.3 Op 26 juni 2025 heeft de kantonrechter gereageerd op het wrakingsverzoek. De kantonrechter berust niet in het verzoek. De beoordeling 2.1 De wrakingskamer oordeelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Hierna zal de wrakingskamer uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 2.2 Het verzoek is gedaan nadat de kantonrechter in de hoofdzaak vonnis heeft gewezen. Volgens de wet is het niet mogelijk te wraken nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van verzoekster. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. 2.3 Omdat verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in het wrakingsverzoek, zal dat verzoek ook niet op een zitting behandeld worden. De wrakingskamer kan namelijk het verzoek tot wraking op grond van artikel 5, tweede lid, onder d van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant zonder behandeling ter zitting meteen afdoen wegens niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Daarvan is in dit geval sprake. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. De beslissing De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. F.H.E. Boerma en mr. M.E. Bartels, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 2 juli
- de griffier de voorzitter De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).