beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Verschoningskamer zaaknummer: VR 25/002 Beslissing van 17 maart 2025 van de meervoudige verschoningskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van mr. M. Cune in zijn hoedanigheid van bestuursrechter in de zaak met zaaknummer AWB 24/1713, hierna te noemen: de rechter. De procedure
- De rechter heeft op 19 februari 2025 een verschoningsverzoek ingediend. Een afschrift van het verzoek zal tegelijk met het afschrift van deze beslissing aan partijen worden toegestuurd. Het verschoningsverzoek
- De rechter heeft aan zijn verschoningsverzoek – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat het in de aan hem toebedeelde zaak (zaaknummer AWB 24/1713) gaat om een oordeel over de WOZ-waarde van een object in ’s-Hertogenbosch over het belastingjaar
- Echter, de rechter heeft al in een eerdere procedure voor hetzelfde belastingjaar, over dezelfde WOZ-waarde voor hetzelfde object en tussen dezelfde procespartijen, in een meervoudige kamer, een oordeel gegeven. Volgens de rechter kan zijn betrokkenheid bij die eerdere procedure door één of meer procespartijen worden gezien als een feit of een omstandigheid die grond geeft voor de gerechtvaardigde vrees dat bij hem als rechter de onpartijdigheid ontbreekt. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen op de zitting, zodat de rechter aan haar niet de vraag heeft kunnen voorleggen of zij er bezwaar tegen heeft dat hij ook het onderhavige beroep behandelt. De beoordeling 3.1 Op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan elk van de rechters die een zaak behandelen verzoeken zich te mogen verschonen. 3.2 Bij de beoordeling van een verschoningsverzoek dient uitgangspunt te zijn dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor verschoning als, geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de zaak, de bij een partij bestaande vrees van onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van een partij is niet doorslaggevend. 3.3 Gelet op de gronden die de rechter heeft aangevoerd, is het verschoningsverzoek terecht ingediend. Omdat de rechter eerder in een meervoudige kamer tussen dezelfde procespartijen een uitspraak heeft gedaan over dezelfde WOZ-waarde voor hetzelfde object over hetzelfde belastingjaar, kan inderdaad diens betrokkenheid door een procespartij worden gezien als een feit of omstandigheid dat/die grond kan geven voor de objectief gerechtvaardigde vrees dat het bij de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt. Het verzoek zal dus worden toegewezen. Dit betekent dat de behandeling van de hoofdzaak door een andere rechter moet worden overgenomen. De beslissing De verschoningskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot verschoning van mr. M. Cune toe en verstaat dat in de bovengenoemde zaak een andere rechter zal worden aangewezen. Deze beslissing is gegeven door mr. M.E. Bartels, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en mr. M.F.M.T. Franke, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders en in het openbaar uitgesproken op 17 maart
- de griffier voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:20, derde lid, Awb).