RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/415958 / HA ZA 25-354 Vonnis in incident van 12 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A. Zonnenberg, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde in de hoofdzaak, eiser partij in het incident, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. B. du Fosse. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de akte uitlating substantiëringsplicht van de vrouw, - de conclusie van antwoord tevens inhoudende een incidentele vordering, - de conclusie van antwoord in incident, - de akte (uitlaten producties, in het incident) van de man. 1.2. Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2De beoordeling in het incident 2.1. De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest en inmiddels gescheiden. Ter afwikkeling van de echtscheiding hebben zij een convenant gesloten. In de hoofdzaak vordert de vrouw, onder meer, betaling van € 96.324,08, omdat, kort gezegd, volgens haar de man een vermogensbestanddeel (een lijfrente verzekering) buiten de verdeling heeft gehouden. 2.2. De man vordert primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair de zaak aan te houden in afwachting van het door partijen te volgen mediationtraject. 2.3. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen in het incident moet worden afgewezen, alleen al op basis van het volgende. 2.4. De man baseert zijn vorderingen op de volgende bepalingen in het echtscheidingsconvenant: “11.2 […] partijen [zullen] zich primair wenden tot […] een […]scheidingsmediator, met het verzoek te trachten de gerezen geschilpunten door mediation tot een oplossing te brengen. 11.3 Pas indien en nadat die mediation niet tot het gewenste resultaat zal hebben geleid, zullen partijen zich tot een eigen advocaat kunnen wenden, met de opdracht betreffende geschilpunten aan de rechter voor te leggen.” 2.5. De man betoogt (randnummer 7. conclusie van antwoord) dat uit artikel 11.2 convenant volgt dat de vrouw eerst een mediator had moeten inschakelen en dat niet aan deze voorwaarde is voldaan. 2.6. De rechtbank ziet dit anders. 2.7. De rechtbank volgt de man in zijn betoog dat uit artikel 11.2 convenant volgt dat de vrouw eerst een mediator had moeten inschakelen, maar, anders dan de man betoogt, heeft de vrouw aan deze voorwaarde voldaan. De vrouw heeft zich immers in eerste instantie gewend tot de mediator met het verzoek dit geschil te beslechten en de man in haar verzoek meegenomen. Dat de vrouw eerst heeft geprobeerd het geschil via mediation op te lossen blijkt, onder meer, uit de e-mail van haar advocaat van 12 juli 2024 (productie 13 conclusie van antwoord in incident) aan de man en uit de e-mail van haar advocaat van 29 augustus 2024 (productie 16 conclusie van antwoord in incident) aan de man, waarin een voorstel wordt gedaan voor een afspraak op 4 oktober 2024. 2.8. De vrouw is dus een mediationtraject gestart. Vervolgens heeft het volgende plaatsgevonden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.