RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/407317 / HA ZA 24-514 Vonnis van 19 november 2025 in de zaak van MICHEL JACOB GODEGRIDUS AALDERT FILEMON Q.Q., te Veldhoven, eisende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. C.W.H.M. Uitdehaag, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , hierna: de [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2], te [plaats] , hierna: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3] B.V., te [plaats] , hierna: [gedaagde 3] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. R.C.M. Michielsen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [A] B.V. (hierna: [A] ) was een aannemingsbedrijf. De bedrijfsactiviteiten van de onderneming bestonden uit aannemingsprojecten in de burgerlijke utiliteitsbouw, met name in opdracht van particulieren. 2.2. [gedaagde 3] was bestuurder van [A] . De [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gezamenlijk bestuurders van [gedaagde 3] en waren daarmee indirect bestuurders van [A] . 2.3. Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 14 september 2021 is het faillissement uitgesproken van [A] . Daarbij is mr. M.J.G.A. Filemon benoemd tot curator. 2.4. De curator heeft bij gefailleerde onderzoek verricht naar mogelijke oorzaken van het faillissement. Hij heeft [gedaagde 3] op 8 mei 2023 met zijn bevindingen geconfronteerd. Op 15 juni 2023 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen de curator en de [gedaagde 1] , in aanwezigheid van de advocaten/gemachtigden. 2.5. Op 23 juni 2023 heeft de curator een gespreksverslag met betrekking tot de bespreking van 15 juni 2023 aan de jurist van [gedaagde 3] toegezonden (productie 6). De curator heeft nog enkele (aanvullende) vragen aan [gedaagde 3] gesteld. Op 17 juli 2023 heeft de [gedaagde 1] op het gespreksverslag van de curator gereageerd en een overzicht en diverse bankafschriften met betrekking tot zijn privérekening, de privérekening van [gedaagde 2] en de bankrekening van [gedaagde 3] overgelegd. 2.6. Op 25 juli 2023 heeft de curator op basis van een eerste inventarisatie van de door de [gedaagde 1] overgelegde stukken, geconcludeerd dat sprake is van een schaduw-boekhouding ter zake de verkoopadministratie en aan de [gedaagde 1] gevraagd om diverse ‘schaduwfacturen’ te overleggen. In juli en augustus 2023 heeft de curator enkele schaduw kopieën aan de curator toegestuurd. 2.7. In juni 2024 heeft de curator [gedaagden] gedagvaard. 2.8. Na verleend verlof heeft de curator conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 3Het geschil 3.1. De curator vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Primair: 1. voor recht verklaart dat [gedaagden] hun taak als bestuurder van [A] (kennelijk) onbehoorlijk hebben vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] is als bedoeld in artikel 2:248 BW; 2. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te voldoen een bedrag ter hoogte van het tekort in het faillissement van [A] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te voldoen een voorschot van € 500.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag; Subsidiair: 4. voor recht verklaart dat [gedaagden] hun taak als bestuurder van [A] (kennelijk) onbehoorlijk hebben vervuld ex art. 2:9 BW; 5. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te voldoen de schade ex art. 2:9 BW, primair begroot op het tekort in het faillissement, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, subsidiair een bedrag ter hoogte van de concrete schade van € 124.681,24, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met rente; 6. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te voldoen een voorschot van € 500.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag; Primair en subsidiair: 7. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te voldoen een bedrag van € 2.446,39 inclusief BTW, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente; 8. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met rente. 3.2. [gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW 4.1. De curator stelt zich primair op het standpunt dat [gedaagden] hun taak als (indirect) bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld zoals is bedoeld in artikel 2:248 BW. Het gaat bij dit artikel om de vraag of de bestuurder van de gefailleerde vennootschap aansprakelijk is voor het boedeltekort. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of [gedaagde 3] als bestuurder van de gefailleerde vennootschap [A] aansprakelijk is voor het boedeltekort. De beantwoording van deze vraag vindt plaats aan de hand van de hieronder genoemde juridische maatstaf. 4.2. Artikel 2:248 lid 1 BW bepaalt dat bij een faillissement van de vennootschap iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort wanneer: het bestuur of een bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 4.3. Volgens vaste rechtspraak is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur sprake indien geen redelijk denkend bestuur onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Of de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar wat de bestuurder voorzag of kon voorzien op het moment dat hij de taak vervulde. 4.4. Lid 2 van artikel 2:248 BW bepaalt dat als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (tijdige publicatie jaarrekening), het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. In dat geval wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit wettelijk vermoeden kan worden weerlegd door de bestuurder door middel van tegenbewijs. Heeft [gedaagde 3] haar administratieplicht geschonden? 4.5. De curator beroept zich in de eerste plaats op het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW en stelt zich op het standpunt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat [gedaagde 3] niet aan haar administratieverplichtingen heeft voldaan. Volgens de curator heeft [gedaagde 3] haar administratieplicht geschonden omdat uit de administratie niet de rechten en plichten van de vennootschap kunnen worden gekend. De curator stelt dat hij de volgende onregelmatigheden heeft geconstateerd: A. Omgeleide omzet naar privévermogen [gedaagde 1] / [gedaagde 2] Op diverse facturen op naam van [A] is het privé bankrekeningnummer van de [gedaagde 1] vermeld. Deze facturen werden niet aangetroffen in de administratie van [A] . In de administratie van het bouwbedrijf trof de curator wel andere facturen aan met hetzelfde factuurnummer maar op naam van een andere klant, met een ander factuurbedrag en een ander projectnummer. Ter illustratie verwijst de curator naar een factuur van 11 maart 2021 met factuurnummer [nummer 1] , een factuur van 27 maart 2021 met factuurnummer [nummer 2] , een factuur van 20 januari 2021 met factuurnummer [nummer 3] en een factuur van 11 juni 2021 met factuurnummer [nummer 4] . Op basis hiervan concludeert de curator dat een groot gedeelte van de verkoopadministratie niet is verwerkt en er sprake is van een door het bestuur bewust aangelegde schaduwboekhouding met als doel deze facturen buiten de reguliere / zichtbare boekhouding te houden. Dit omleiden van omzet naar privé resulteert in een vordering van [A] op de [gedaagde 1] . Bij gebreke van enige vorm van administratieve vastlegging is het bestaan alsmede aldus de omvang van deze vordering onbekend en kunnen op dit punt niet de rechten van de vennootschap worden gekend. Voor zover de curator bekend, werd van de omgeleide omzet ook geen btw aangifte gedaan, terwijl de facturen wel btw bevatten. Hierdoor heeft [A] een latente btw schuld opgebouwd. De btw bleef achter in het privé vermogen van [gedaagde 1] . Dit heeft (weer) tot gevolg dat (btw) verplichtingen van [A] naar de Belastingdienst niet op juiste wijze blijken uit de administratie. B. Contante betalingen die niet werden verwerkt in een kasboek De curator heeft van diverse klanten van [A] vernomen dat sprake was van contante betalingen. De [gedaagde 1] bevestigde dat in ieder geval in één project contante gelden door [A] zijn ontvangen. Later verklaarde hij dat vaker sprake was van contante betalingen, bijvoorbeeld “indien het bouwdepot niet toereikend” was. Er was geen sprake van een kasboek. Volgens de heer Damen werden de gelden aangewend voor het kopen van snacks/friet voor het personeel en/of om het personeel uit te betalen voor overwerk. Het niet administreren van contante betalingen in een kasboek levert een schending van de administratieplicht op nu niet duidelijk is wat er met het kassaldo is gebeurd, waarvoor het kassaldo is aangewend en wat de actuele omvang van het kassaldo is. Hiermee is door het bestuur bewust een situatie gecreëerd waarin met de contant ontvangen gelden kon worden gefraudeerd. C. Niet bijgewerkte administratie De curator stelde, kort na het faillissement op 23 september 2021 de digitale grootboekadministratie over 2021 veilig. Deze administratie bevatte geen (bijgewerkte) rekening-courant posities met [gedaagden] en geen bijgewerkte debiteuren- en crediteurenadministratie. Op 3 november 2021 hebben [gedaagden] de bijgewerkte grootboekadministratie 2021 aangeleverd. In die versie van de grootboekadministratie is wel sprake van bijgewerkte rekening-courant posities met [gedaagden] en is tevens sprake van een bijgewerkte debiteuren- en crediteurenadministratie. Het bijwerken van de administratie na datum faillissement is te laat om nog aan de administratieplicht te kunnen voldoen. Hierdoor konden niet op ieder moment de rechten en plichten van de vennootschap worden gekend. Op grond van de grote verschillen tussen beide administraties concludeert de curator dat het bestuur van [A] in 2021 geen enkel inzicht in de debiteuren en crediteurenpositie had. 4.6. [gedaagde 3] betwist dat zij de administratieplicht heeft geschonden en voert daartoe het volgende aan: 1. Met betrekking tot de 5 facturen (van in totaal € 16.000,-) waarop het privé bankrekeningnummer van de [gedaagde 1] stond vermeld, had de [gedaagde 1] dit beter via [A] kunnen laten lopen. Hij zag er echter niets kwaads achter en dacht dat dit wel kon om 2 redenen. In de eerste plaats omdat de betreffende werkzaamheden privé door hem werden uitgevoerd of betrekking hadden op privé door hem voorgeschoten bedragen en in de tweede plaats vanwege zijn bestaande vordering op [A] . De [gedaagde 1] heeft dit niet heimelijk gedaan en er was toen ook nog helemaal geen sprake van een naderend faillissement. [gedaagden] betwisten dat 149 facturen "schaduwboekhouding" zouden zijn. 2. Er was geen kas en geen kasgeld aanwezig. [gedaagden] betwisten dat zij erkend hebben dat er sprake is geweest van het aannemen van contante betalingen, bijvoorbeeld "indien het bouwdepot niet toereikend was". Er is 1 keer aan opdrachtgever [B] € 400,- contant betaald maar dit bedrag is toegevoegd aan de envelop met handgeld waarmee gezamenlijke personeelsuitgaven werden gedaan. Verder zijn er geen contante betalingen geweest en al zouden die er wel zijn, dan ging dat om marginale bedragen en had het betrekking op privé voorgeschoten bedragen. 3. [gedaagden] betwisten dat sprake is geweest van een na datum faillissement bijgewerkte versie van de grootboekrekening die rond 3 november 2021 door de [gedaagde 1] bij de curator zou zijn aangeleverd. Kennelijk bestond er tussen de twee aangeleverde versies een verschil in de aan te vinken opties van het betreffende boekhoudsysteem. Ten tijde van datum faillissement lijken vermoedelijk de vinkjes die betrekking hebben op bankmutaties niet aangezet te zijn. Bij de versie van november 2021 was dat wel het geval. [gedaagden] en de externe boekhouder stellen dat enkel dit een verklaring kan zijn van de verschillen. Er werd dus een onjuiste stand uitgeprint in september omdat geen rekening werd gehouden met de bankmutaties in 2021 welke wel waren ingeboekt in het boekhoudsysteem. Na het faillissement hadden [gedaagden] noch de boekhouder toegang tot de administratie. Deze was op last van de curator afgesloten. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de boekhoudster. Voor zover er al gebreken in de administratie zouden zitten, betekent dit nog niet zonder meer dat de boekhoudplicht is geschonden. 4.7. Artikel 2:10 BW vereist dat het bestuur van een vennootschap een administratie dient te voeren die van zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de schuldenaren- en schuldeiserspositie op een bepaald moment. Dit volgt uit de wet en jurisprudentie. De schuldenaren- en schuldeiserspositie en de stand van de liquiditeiten moeten, gezien de aard en de omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie van de vennootschap. 4.8. Aan de hand van deze juridische maatstaf komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde 3] niet heeft voldaan aan haar administratieplicht. De rechtbank motiveert dit als volgt. 4.9. [gedaagden] zijn niet concreet ingegaan op de brief van 13 juli 2023 van de [gedaagde 1] aan de curator (productie 7 bij dagvaarding). In die brief heeft de [gedaagde 1] uitgelegd, aan de hand van een bijgevoegde tabel met specificaties en bijgevoegde bankafschriften:*dat hij € 100.681,24 voor zakelijke vorderingen op zijn privérekening heeft ontvangen*dat hij € 152.468,87 voor zakelijke kosten vanuit zijn privérekening heeft betaald*dat hij € 9.680,00 te weinig managementfee heeft gedeclareerd *dat hij € 24.000,00 voor zakelijke vorderingen op zijn privérekening heeft ontvangen. Zijn conclusie in de brief is dat hij per saldo een vordering heeft van € 37.467,63:€ 100.681,24 -/- € 152.468,87 -/- € 9.680,00 + € 24.000,00 = -/- € 37.467,63 in de onderlinge verhouding tussen [gedaagde 1] privé en de failliete onderneming, waarbij een negatief bedrag een vordering weergeeft van [gedaagde 1] privé. De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken al voldoende is voor het oordeel dat de administratieplicht is geschonden. De administratieplicht houdt in dat de vorderingen en schulden van de vennootschap worden geadministreerd in de boeken van de vennootschap. Dat is hier niet gebeurd en dat levert al een schending van de administratieplicht op. Verder hebben [gedaagden] niet gemotiveerd betwist dat de jaarrekeningen over enkele jaren niet zijn gedeponeerd. Daarom moet de rechtbank het ervoor houden dat ook de publicatieplicht is geschonden. 4.10. Het niet voldoen aan de administratieplicht en/of de publicatieplicht heeft tot gevolg dat (onweerlegbaar) wordt vermoed dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Dit bepaalt artikel 2:248 lid 2 BW. Gezien de ernst (en duur) waarmee de administratie- en publicatieplicht is geschonden, gaat het niet om een onbelangrijk verzuim in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW. Deze onbehoorlijke taakvervulling vond plaats binnen de periode van drie jaren voor het faillissement. Hiermee is voldaan aan het in artikel 2:248 lid 6 BW genoemde vereiste voor het instellen van een vordering op grond van dat artikel. Belangrijke oorzaak van het faillissement 4.11. Het niet voldoen aan de administratieplicht en/of de publicatieplicht heeft tot gevolg dat (weerlegbaar) wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Ook dit is neergelegd in artikel 2:248 lid 2 BW. Het bestuur kan dit vermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat kan een van buiten komende omstandigheid zijn, maar dat kan ook handelen of nalaten van het bestuur zijn dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. 4.12. In dit kader voeren [gedaagden] aan dat het faillissement van [A] met name is veroorzaakt door de kwestie [B] . Zij stellen hierover het volgende: Kwestie [B] 4.12.1. Als gevolg van miscommunicatie met de advocaat van [A] is tegen deze vennootschap op 3 februari 2021 verstek verleend en werd [A] veroordeeld om ruim € 255.000,00 aan [B] te voldoen. Tegen dit verstekvonnis is [A] in verzet gekomen. De schadevordering van [B] wordt door [gedaagden] nadrukkelijk betwist. Door de rechtbank werd een mondelinge behandeling bepaald voor 10 januari 2022. In de tussentijd is het faillissement van [A] uitgesproken. Op 19 januari 2022 is de zaak naar de parkeerrol verwezen ex 29 Fw en de curator heeft de procedure in reconventie niet overgenomen (het belang was volgens de curator relatief (té) beperkt) en er werd door de rechtbank ontslag van instantie verleend. Dit betekent dat de vordering van [B] van ruim € 255.000,00 tot op de dag van vandaag niet onherroepelijk is komen vast staan. Een inhoudelijke toets van een rechter ontbreekt. 4.12.2. [B] heeft zonder de uitkomst van de procedure af te wachten op basis van een verstekvonnis herhaaldelijk beslag gelegd op bankrekeningen van [A] . Hierdoor kwam [A] in de financiële problemen en kwam de bedrijfsvoering in gevaar. Op 14 juli 2021 werd een openbare verkoop aangekondigd van essentiële bedrijfsmiddelen van [A] tegen 10 september 2021. Hiermee heeft [B] aan de onderneming de doodsteek toegebracht. Pogingen om met [B] een schikking te bereiken zijn mislukt. [B] wilde van niets weten. Uiteindelijk heeft [B] een faillissementsverzoek ingediend dat is toegewezen. [gedaagden] zijn op deze zitting helaas niet verschenen omdat hun advocaat had geadviseerd niet naar de zitting te gaan. Dit was een evident onjuist advies en bovendien een beroepsfout. Indien [gedaagden] wel naar de zitting waren gegaan was de kans dat de faillissementsrechter het faillissementsverzoek van [B] toch zou hebben toegewezen uitermate klein geweest. De vordering stond niet genoegzaam vast en juist de incassomaatregelen van [B] en de gelegde beslagen leidden tot grote problemen binnen de bedrijfsvoering. 4.12.3. De vordering [B] , die door [gedaagden] nog altijd wordt betwist, is het grootste deel van de totale vordering van de (concurrente) schuldeisers in het faillissement. Wat zegt de curator over de kwestie [B] ? 4.13. De curator stelt dat de handelswijze van het bestuur tot gevolg heeft gehad dat de vennootschap een substantieel deel van de haar toekomende omzet is misgelopen, maar wel de kosten heeft gedragen waardoor de solvabiliteit van de vennootschap substantieel is afgenomen. Daardoor is [A] niet in staat is geweest om tegenvallers in de exploitatie op te vangen en bijzonder kwetsbaar geworden. Hierdoor kon zij zich geen adequate juridische bijstand veroorloven in het geschil met [B] hetgeen ook het faillissement tot gevolg heeft gehad. Het weerlegbare vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW 4.14. De rechtbank zet eerst drie basisregels uiteen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.