vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 01.206918.24, 01.377708.24 en 01.377498.24 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering na voorwaardelijke veroordeling: 08.194679.22 Datum uitspraak: 12 december 2025 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2005] , thans gedetineerd te: P.I. Grave. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 oktober 2024, 13 december 2024, 7 maart 2025, 23 mei 2025, 19 augustus 2025, 28 oktober 2025, 29 oktober 2025, 30 oktober 2025 en 28 november 2025 (sluiting). Op de zitting van 7 maart 2025 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 13 september 2024 en 29 november 2024. De tenlastelegging. Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.377708.24 (Antwerpen) tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 17 mei 2024 te Antwerpen, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
(15)minuten, na die ruzie, ik kom hem weer tegen. Hij lachte mij uit.” “Hij heeft me geslagen. Hij heeft op me gespuugd. Alles. (ntv) Als hij me niet had geslagen, had ik het niet gedaan, snap je? Je snapt wat ik bedoel, hij spuugt op mij. Oude man, jij bent een sukkel als je mij gaat slaan, geef ik ook een (ntv) Hij had meteen (ntv) geslagen, ik zat onder het bloed. En hij spuugt op mij. Hij spuugt dan is (ntv) Dat (ntv) echt niet. Maar hij moet gewoon lachen. (ntv) Lachen lachen (ntv). Anders ehh.. is niks aan de hand..” Concluderend kan wettig en overtuigend worden bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . De betrokkenheid van [verdachte] . Medeplegen? Met de officieren van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van medeplegen van moord door [verdachte] . [verdachte] heeft geen significante bijdrage geleverd aan de uitvoering van het delict. Om deze reden zal [verdachte] worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Medeplichtigheid? De kern van medeplichtigheid is dat een verdachte hulp biedt bij een strafbaar feit gepleegd door een ander of anderen. Dat kan door behulpzaam te zijn bij het misdrijf en/of door het opzettelijk verschaffen van middelen, inlichtingen of gelegenheid tot het misdrijf. De hulp die geboden wordt, moet objectief bezien ook enig effect hebben gehad. Dat wil zeggen dat er een aantoonbare bijdrage moet zijn geleverd aan het misdrijf waaraan hulp is verleend. De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde gedachtestreepjes geen handelingen zijn die hebben bijgedragen aan het plegen van de moord door [medeverdachte 1] . Weliswaar is [verdachte] met de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de auto gestapt en op zoek gegaan naar het slachtoffer, maar hij wist niet naar wie hij op zoek was. Hij kan dan ook geen bijdrage hebben geleverd aan het vinden van het slachtoffer. Dat hij met anderen dreigend/intimiderend de auto is uitgestapt, op het slachtoffer is afgegaan en daarmee de groep getalsmatig heeft versterkt, heeft evenmin bijgedragen aan het delict, te weten het doodschieten van [slachtoffer] door [medeverdachte 1] . Het vuurwapen dat [verdachte] bij zich droeg, is niet gebruikt bij de moord op [slachtoffer] . Ook het feit dat [verdachte] zich niet gedistantieerd heeft, levert naar het oordeel van de rechtbank geen medeplichtigheidshandeling op. Er is geen bewijs dat [verdachte] had kunnen voorzien dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] zou doodschieten. Nu hij hier geen wetenschap van had, kon hij [medeverdachte 1] hiervan ook niet weerhouden. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte [verdachte] vrij spreken van hetgeen onder feit 1 subsidiair is ten laste gelegd. Meer subsidiair: openlijk geweld? Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook voor hetgeen hem onder feit 1 meer subsidiair wordt verweten moet worden vrijgesproken. De aan verdachte verweten openlijke geweldpleging bestaat volgens de tenlastelegging kort samengevat uit: het samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] uit de auto stappen en dreigend/intimiderend naar [slachtoffer] te lopen; met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een getalsmatige meerderheid vormen en zich niet distantiëren; het voorhanden hebben van een vuurwapen; het schieten van een kogel in het hoofd van [slachtoffer] . [verdachte] had een vuurwapen (revolver) bij zich, maar dit vuurwapen is niet gebruikt bij de moord op [slachtoffer] . Het uitstappen en een getalsmatige meerderheid vormen of het zich niet distantiëren zijn op zichzelf geen geweldshandelingen. Met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het schieten van een kogel door [medeverdachte 1] niet aan [verdachte] kan worden toegerekend. [verdachte] heeft niet geschoten, noch heeft hij hier opzet op gehad. Hiermee staat de handeling van één persoon van de groep te ver af van de handelingen en bedoelingen van de overige leden van de groep. De enkele aanwezigheid van [verdachte] bij het incident is onvoldoende significant of wezenlijk om tot een bewezenverklaring te komen. In feite komt het erop neer dat [verdachte] en [medeverdachte 3] wel degelijk van plan waren om geweld te gaan plegen tegen het slachtoffer. Ze zouden hem namelijk klappen gaan geven. Zo ver is het echter niet gekomen doordat [medeverdachte 1] , voor de medeverdachten onverwacht, het slachtoffer direct heeft doodgeschoten. Op dat moment was er van daadwerkelijke geweldpleging door [verdachte] en [medeverdachte 3] nog geen sprake. Dat betekent dat ook de openlijke geweldpleging niet kan worden bewezen en dat verdachte integraal wordt vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Wapenbezit feit 2. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen het omgebouwde gaspistool van het merk Retay, model P114, kaliber 9mm, vanaf 17 mei 2024 (het feit in Antwerpen) in de macht van de groep was. Dit blijkt onder meer uit de aangetroffen filmpjes op de telefoon van [verdachte] waarop [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met het wapen te zien zijn. Op 23 juni 2024 was het wapen eveneens in de macht van de groep want het wapen zou gebruikt worden voor de diefstal van het horloge. Daarvoor had [medeverdachte 3] het wapen van [medeverdachte 1] gekregen. [medeverdachte 1] heeft dat wapen uiteindelijk gebruikt voor de moord op [slachtoffer] . Het medeplegen van het bezit van het omgebouwde gaspistool kan gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Ten aanzien van de revolver Bruna Bruni Milano is de rechtbank van oordeel dat blijkens de verklaring van [verdachte] het wapen vanaf 8 juni 2024 (het feit in Uden) in zijn bezit was en dat hij dit altijd bij zich droeg in zijn Gucci tasje. [verdachte] was op 23 juni 2024 ook in het bezit van de revolver. Hij heeft dit wapen tijdens zijn vlucht op het dak van een schuur achtergelaten waar het daarna op zijn aanwijzingen ook is terug gevonden door de politie. Ook het bezit van de revolver kan gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen van het bezit van de revolver. Ten aanzien van de revolver kan immers niet worden vastgesteld dat ook anderen dan [verdachte] daar de beschikkingsmacht over hadden. Slotoverweging ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten. Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van het bewijs heeft betoogd vindt weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebezigd. De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden die maken dat aan de inhoud van die bewijsmiddelen behoort te worden getwijfeld. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: Ten aanzien van parketnummer 01.377708.24: op 17 mei 2024 te Antwerpen, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [persoon 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, dat aan die [persoon 1] toebehoorde, - bij de woning aan de [adres 1] te Antwerpen heeft aangebeld en vervolgens heeft gevraagd naar “ [persoon 1] ” en - toen de voordeur door [persoon 4] dicht werd gedaan de voordeur heeft ingetrapt en - heeft geroepen: “binnen 24 uur komen we terug”, en - vervolgens een vuurwapen, heeft getoond aan [persoon 2] en [persoon 3] en daarbij tegen die [persoon 2] en [persoon 3] heeft gezegd: “wij komen terug” en “jullie gaan neer” en “betalen” en “24 uur moet je betalen” en “als hij niet betaalt, kom ik straks terug. Ik schiet jouw kanker moeder dood, wacht maar. Trek die gun en schiet zijn kanker moeder” en “24 uur, whalla ik kom jouw moeder neuken. Wacht maar” en “als je politie belt, wholla ik brand jouw kanker osso. Bel maar, zeg tegen hun allemaal”, en - toen [persoon 2] en [persoon 3] probeerden verdachte en zijn mededaders naar buiten te duwen die [persoon 3] op de grond heeft geduwd en – het incident heeft gefilmd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Ten aanzien van parketnummer 01.377498.24: op 8 juni 2024 te Uden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag dat aan [persoon 5] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon 5] en [persoon 6] , met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, - naar het appartementencomplex waar die [persoon 5] en [persoon 6] wonen is toegereden en - bij de benedendeur van bovengenoemde woning heeft aangebeld en - met gezichtsbedekkende kleding, de woning van die [persoon 5] en [persoon 6] binnen is gegaan en - dreigend aan die [persoon 5] een vuurwapen heeft getoond, en - zichtbaar voor die [persoon 6] een boksbeugel heeft gedragen, en - die [persoon 5] bij zijn t-shirt/kraag heeft vastgepakt waardoor die [persoon 5] geen lucht kreeg en - terwijl die [persoon 5] werd vastgehouden een knietje tegen het gezicht van die [persoon 5] heeft gegeven en - terwijl die [persoon 5] werd vastgehouden het vuurwapen, tegen het hoofd van die [persoon 5] heeft gehouden en - toen er vervolgens een worsteling ontstond samen met die [persoon 5] van de trap is gevallen en - dreigend tegen die [persoon 5] en [persoon 6] heeft gezegd: “waar is het geld” en/of “geld, geld”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Ten aanzien van parketnummer 01.206918.24: feit 2: in de periode van 17 mei 2024 tot en met 23 juni 2024 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Retay, model PI 14, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en in de periode van 8 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Bruna Bruni Milano, model Olympic 38, origineel kaliber .22 knal, omgebouwd naar .22 long rifle scherp, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De strafbaarheid van de feiten. Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Een kopie van de vordering van de officieren van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd om bij de strafoplegging in vergaande mate rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte en met zijn kwetsbaarheid. Hoewel geen sprake is van aanwijzingen om verdachte als een jeugdige te berechten, zegt zijn leeftijd wel iets over zijn ontwikkeling. Uit de zogenaamde ZALC-test van de psycholoog blijkt dat de identiteitsontwikkeling van verdachte nog op het niveau van iemand in de puberteit is. Hij is volgens de psycholoog sociaal-emotioneel fors achterop geraakt. Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte grotendeels heeft bekend. Verdachte wil het anders gaan doen in zijn leven. Hij wil weg uit Eindhoven, wil begeleid gaan wonen, heeft weer contact met zijn ouders en staat open voor hulp. De raadsvrouw heeft gevraagd om, indien er ruimte is, een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de voorwaarden zoals geschetst door de reclassering. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De ernst van de feiten. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot een gewapende afpersing in Antwerpen en een poging tot een gewapende woningoverval in Uden. Hierbij hebben zij steeds geweld gebruikt en zijn meerdere personen door verdachte en zijn mededaders bedreigd met een vuurwapen. Bij beide feiten waren kinderen betrokken. Verdachte en zijn mededaders hebben zich hierdoor niet laten weerhouden. Met zijn handelen heeft verdachte laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen en privacy. De woning is bij uitstek de plek waar je je veilig moet kunnen voelen. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers angst aangejaagd en hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in ernstige mate aangetast. Uit de (toelichting op
- de)vorderingen benadeelde partij en de slachtofferverklaringen blijkt welk leed de slachtoffers is aangedaan en welke gevolgen zij daar nog altijd van ondervinden. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het gedurende een langere periode voorhanden hebben van vuurwapens. Het was voor verdachte en zijn mededaders een standaard werkwijze om met vuurwapens op pad te gaan. Het bezit van wapens brengt grote risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee, hetgeen in Eindhoven op 23 juni 2024 ook is gebleken. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er niet van weerhouden nieuwe feiten te plegen binnen de proeftijd van deze veroordeling. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte uitgebrachte rapportage psychologisch onderzoek Pro Justitie van 25 juni 2025, opgesteld door H.E.W. Koornstra, psycholoog. De psycholoog heeft een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld. Deze stoornissen hadden invloed op het functioneren van verdachte, maar leidden niet tot enige wilsonvrijheid. Geadviseerd wordt hem alle ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen, volledig toe te rekenen. Er zijn geen argumenten in de persoonlijkheid en/of ontwikkeling die aanleiding geven het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 9 oktober 2025. Hieruit blijkt het volgende: “Advies Adolescentenstrafrecht Wij adviseren het volwassenenstrafrecht toe te passen. Om tot een advies te komen aangaande het al dan niet toepassen van het jeugdstrafrecht daar betrokkene ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten 19 jaar oud was, werd gebruik gemaakt van de wegingslijst Adolescentenstrafrecht. Aangaande zijn handelingsvaardigheden, gelden geen indicatiecriteria; betrokkene is een normaal intelligente jongen die in staat geacht kan worden zijn gedrag afdoende te organiseren en de risico’s van zijn handelen te overzien. Aangaande mogelijke pedagogische beïnvloeding, worden evenmin criteria van toepassing geacht, hij heeft een startkwalificatie en was al aan het werk en nam al langere tijd geen deel meer aan het gezin van herkomst en heeft ook nooit plannen gehad nog terug te gaan naar zijn ouders. De onder zijn vermijdende afweer bestaande angstige opmaak, behoeft geen begeleiding in een pedagogische setting. Er zijn kortom geen indicaties om het jeugdstrafrecht toe te passen.” Conclusies van de rechtbank. Toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en is daarom van oordeel dat het tenlastegelegde volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Jeugdstrafrecht. De wet biedt de mogelijkheid om bij jongvolwassenen tot 23 jaar die, gezien hun persoonlijkheid en ontwikkelingsleeftijd, nog vatbaar zijn voor pedagogische beïnvloeding, het jeugdsanctierecht toe te passen. Voor die groep jongeren kan een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat een persoon die strafbare feiten pleegt na zijn achttiende verjaardag volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank ziet op basis van de uitgebrachte rapportages geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank ziet wel aanleiding om rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten. Gelet op deze jonge leeftijd en daarom onvoltooide ontwikkeling kan hij niet op geheel gelijke wijze als een oudere volwassene verantwoordelijk worden gehouden voor zijn handelen en dit zal in strafmatigende worden meegewogen. Proceshouding. Tot slot weegt de rechtbank mee dat verdachte uiteindelijk grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en dat hij oprecht spijt lijkt te hebben van zijn daden. De op te leggen straf. Verdachte en zijn mededaders zijn betrokken geweest bij meerdere ernstige geweldsmisdrijven in een zeer korte periode. De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten enkel een langdurige gevangenisstraf passend. De strafeis van de officieren van justitie is in aanzienlijke mate gebaseerd op het standpunt dat sprake is van medeplichtigheid aan moord. De rechtbank acht dit echter niet bewezen, waardoor de straf ook aanzienlijk lager uitvalt. De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De vorderingen van de benadeelde partijen. Parketnummer 01.377708.24, [onderzoek 3] . De vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 2] en haar kinderen [kind 1] en [kind 2] . De benadeelde partij [persoon 2] vordert een schadevergoeding van € 7.952,80, bestaande uit € 452,80 materiële schade en € 7.500,00 immateriële schade. Namens haar kinderen heeft zij € 5.000,00 immateriële schade per kind gevorderd, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen integraal toe te wijzen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade van [persoon 2] en zij heeft gevraagd de immateriële te schade te matigen tot een bedrag van € 1.250,00. De gevorderde immateriële schade van haar kinderen dient eveneens te worden gematigd. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [persoon 2] opgevoerde materiële schade voldoende onderbouwd en de rechtbank is van oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit en daarom ook voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade ook het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partijen op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt, nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 19.1) naar billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00 voor de benadeelde [persoon 2] en een bedrag van € 3.000,00 voor ieder van haar kinderen. Voor het meer gevorderde worden de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen kunnen dit onderdeel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De vordering van de benadeelde partij [persoon 3] . De benadeelde partij [persoon 3] vordert een schadevergoeding van € 12.000,00 bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing. Subsidiair heeft zij gevraagd de vordering aanzienlijk te matigen. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het lichamelijke letsel op dit moment onvoldoende is onderbouwd. Weliswaar bevat de vordering een nadere toelichting en foto’s, maar bijvoorbeeld een doktersverklaring ontbreekt. De vordering zal op dit punt (€ 4.500,00) daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank is ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade ook het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 19.1) naar billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00. Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De vordering van de benadeelde partij [persoon 4] . De benadeelde partij [persoon 4] vordert een schadevergoeding van € 10.900,00 bestaande uit € 3.400,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de gederfde inkomsten het gevolg kunnen zijn van het gepleegde strafbare feit. De vordering dient op dit punt daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu het causaal verband onduidelijk is. Subsidiair heeft zij gevraagd de vordering te matigen tot een bedrag van maximaal € 1.250,00. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [persoon 4] opgevoerde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op dit moment het causale verband tussen de geleden schade en het bewezenverklaarde feit onvoldoende kan worden vastgesteld. Een nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 19.1) naar billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 1.500,00. Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De vordering van de benadeelde partij [persoon 8] . De benadeelde partij [persoon 8] vordert een schadevergoeding van € 6.821,72 bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [persoon 8] opgevoerde niet weersproken materiële schade voor vervanging van de voordeur voldoende onderbouwd en de rechtbank is van oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit en daarom ook voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op het gewelddadige en zeer bedreigende karakter van het gepleegde feit, acht de rechtbank het redelijk dat de benadeelde ervoor heeft gekozen de deur te vervangen door een veiligheidsdeur. De hiermee gemoeide kosten zijn daarmee een rechtstreeks gevolg van het door verdachte en zijn mededaders gepleegde feit en komen daarom ook voor hun rekening. Conclusie vorderingen benadeelde partijen Antwerpen. De rechtbank acht de vorderingen van de familieleden toewijsbaar zoals hiervoor vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Motivering van de hoofdelijkheid. De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte (of zijn mededaders) heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte (of zijn mededaders) heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Parketnummer 01.377498.24, onderzoek Fay. De vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 5] en [persoon 6] . De benadeelde partijen vorderen ieder een schadevergoeding van € 6.000,00 bestaande uit immateriële schade en daarnaast vordert [persoon 5] nog een schadevergoeding van € 169,98, bestaande uit materiële schade, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie hebben verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen integraal toe te wijzen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [persoon 5] opgevoerde materiële schade voldoende onderbouwd en de rechtbank is van oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit en daarom ook voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade ook het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partijen op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld en met de Rotterdamse schaal (onder punt 19.1) naar billijkheid integraal toewijzen. De rechtbank acht de vorderingen daarom in hun geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Motivering van de hoofdelijkheid. De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte (of zijn mededaders) heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte (of zijn mededaders) heeft/hebben voldaan aan zijn/hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. De rechtbank merkt nog op dat voor zover door de benadeelde partijen is verzocht om een contactverbod en een gebieds-/locatieverbod, dit vanwege de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf niet aan de orde is. Gijzeling. Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 60a van het Wetboek van Strafrecht, dient de rechter bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen voor welke duur gijzeling kan worden toegepast. De maximale duur van de gijzeling is gelijk aan die van de vervangende hechtenis die kan worden opgelegd, te weten één jaar. Gelet op deze maximering zal de rechtbank het aantal dagen gijzeling als volgt vaststellen: Parketnummer 01.377708.24, [onderzoek 3] . Aantal dagen gijzeling: [persoon 2] 52 dagen in plaats van 62 dagen (- 10 dagen); [kind 1] 40; [kind 2] 40; [persoon 3] 40; [persoon 4] 25; [persoon 8] 58 dagen in plaats van 69 dagen (- 11 dagen); Parketnummer 01.377498.24, onderzoek Fay. Aantal dagen gijzeling: [persoon 5] 55 dagen in plaats van 65 dagen (- 10 dagen); [persoon 6] 55 dagen in plaats van 65 dagen (- 10 dagen). Parketnummer 01.206918.24, onderzoek Nova. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [slachtoffer] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] . De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partijen betrekking heeft, te weten feit 1. De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil. Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 08.194679.22. De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officieren van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan de onderhavige strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 60a, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie. DE UITSPRAAK De rechtbank: spreekt verdachte vrij van hetgeen onder parketnummer 01.206918.24 feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd. verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: Ten aanzien van parketnummer 01.377708.24 primair: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Ten aanzien van parketnummer 01.377498.24: poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Ten aanzien van parketnummer 01.206918.24 feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III verklaart verdachte hiervoor strafbaar. legt op de volgende straf en maatregelen: Ten aanzien van parketnummer 01.377708.24 primair, parketnummer 01.377498.24 en parketnummer 01.206918.24 feit 2: een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht Ten aanzien van parketnummer 01.377708.24 Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 2] , van een bedrag van € 5.452,80, bestaande uit € 452,80 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 2] , van een bedrag van € 5.452,80. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 452,80 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [kind 1] en [kind 2] : wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partijen, [kind 1] en [kind 2] , van een bedrag van ieder € 3.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zijn en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] , van een bedrag van ieder € 3.000,00. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen voor elke verplichting. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover de bedragen door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 3] , van een bedrag van € 3.000,00 bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 3] , van een bedrag van € 3.000,00. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 4] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 4] , van een bedrag van € 1.500,00 bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 4] , van een bedrag van € 1.500,00. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 8] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 8] , van een bedrag van € 6.821,72, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 8] , van een bedrag van € 6.821,72. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Ten aanzien van parketnummer 01.377498.24 Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 5] , van een bedrag van € 6.169,89, bestaande uit € 169,89 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 5] , van een bedrag van € 6.169,89. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 169,89 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [persoon 6] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [persoon 6] , van een bedrag van € 6.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. veroordeelt veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. Maatregel van schadevergoeding: legt aan veroordeelde hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 6] , van een bedrag van € 6.000,00. Indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelde is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (één van) zijn mededader(
- s)is betaald. bepaalt dat indien en voor zover veroordeelde of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen heeft (hebben) voldaan, de andere vervalt. Ten aanzien van parketnummer 01.206918.24 Ten aanzien van feit 1: Beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [slachtoffer] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] . De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Beslissing na voorwaardelijke veroordeling: beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Oost-Brabant van 17 januari 2023, gewezen onder parketnummer 08.194679.22, te weten: een jeugddetentie voor de duur van 2 weken Dit vonnis is gewezen door: mr. S.J.W. Hermans, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders en mr. A. van der Hilst, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier, en is uitgesproken op 12 december 2025.