← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2025:8200

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23/2047 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: mr. M.G.J. Maas-Cooymans en mr. M.S. Simman), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta, het dagelijks bestuur (gemachtigden: prof. mr. G.A. van der Veen, [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de revisievergunning, als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Waterwet voor het lozen van afvalwater voor de inrichting van eiseres aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het gaat om de lozing van afvalwater via het persstation Moerdijk en de afvalwaterpersleiding (hierna ook: awp) voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) in Bath. De rwzi is in beheer bij het waterschap. Eiseres is het niet eens met een aantal vergunningvoorschriften. 1.

  1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Zij vernietigt de revisievergunning gedeeltelijk en draagt het dagelijks bestuur op om een nieuw besluit te nemen in plaats van het vernietigde gedeelte. De rechtbank treft daarbij een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit.1.
  2. Onder
  3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder
  4. staat het procesverloop. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf
  5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Vooraf Eiseres drijft op het industrie- en haventerrein in Moerdijk een chemiecomplex waar petrochemische producten worden vervaardigd, verwerkt en verhandeld. De productiefaciliteiten op het complex zijn ingedeeld in vier afdelingen: MLO, MSPO (1 en 2), MVEO productie en MVEO logistiek. Elk van de vier afdelingen bevat verschillende fabrieken. De fabrieken op dit terrein zijn voor het lozen van afvalwater via de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant aangesloten op de rwzi in Bath. Deze rwzi is in beheer bij het waterschap. Eiseres beschikte over een watervergunning voor het lozen van afvalwater op de rwzi, verleend op 4 december 2009 op grond van de destijds geldende Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De vergunning uit 2009 is daarna diverse malen gewijzigd en de geldigheidsduur is verlengd. Het laatste wijzigingsbesluit dateert van 21 juni
  6. De geldigheidsduur van de watervergunning is een aantal keren verlengd, laatstelijk tot 1 januari
  7. 2.
  8. Op 31 augustus 2021 heeft eiseres het eerste deel van een aanvraag voor een revisievergunning ingediend voor de lozing van afvalwater op de rwzi in Bath. Het laatste deel is ingediend op 28 oktober
  9. Eiseres heeft de aanvraag verschillende keren aangevuld. In de aanvraag is verder een stoffenlijst met 363 stoffen opgenomen. Eiseres heeft voor een beperkt deel van de stoffen een lozing(seis) aangevraagd. Het gaat om parameters/stoffen die tijdens de reguliere bedrijfsomstandigheden: aantoonbaar in het afvalwater aanwezig zijn, te weten 39 al eerder vergunde parameters/stoffen en 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen, aluminium, acetaldehyde, cadmium, cumeen en formaldehyde; niet-aantoonbaar in het afvalwater aanwezig zijn, te weten 37 nieuwe parameters/stoffen. Procesverloop
  10. Met het bestreden besluit van 30 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur de aangevraagde revisievergunning gedeeltelijk verleend. Aan de revisievergunning zijn voorschriften en bijlagen verbonden. De revisievergunning is op 30 juni 2023 bekendgemaakt en de dag erna in werking getreden. 3.
  11. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de revisievergunning en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Zeeland-West Brabant. Die rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep vervolgens ter behandeling doorgezonden naar deze rechtbank. 3.
  12. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 27 oktober 2023 afgewezen. 3.
  13. Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. 3.
  14. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de StAB) heeft op verzoek van de rechtbank een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen hebben daarover ieder een schriftelijke zienswijze naar voren gebracht. De StAB heeft schriftelijk gereageerd op de zienswijzen. Daarna hebben partijen ieder schriftelijk gereageerd. 3.
  15. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: - namens eiseres: haar gemachtigde mr. M.G.J. Maas-Cooymans, [naam] (senior milieuadviseur bij eiseres), [naam] (adviseur vergunningen bij [naam] ) en [naam] (milieuconsultant bij WSP);- namens het waterschap: zijn gemachtigden en [naam] (statisticus, aanwezig via een videoverbinding); - [naam] en [naam] , werkzaam bij de StAB. Beoordeling door de rechtbank
  16. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. In de loop van de beroepsprocedure heeft eiseres een aantal beroepsgronden ingetrokken. Het gaat om de gronden gericht tegen: de voorschriften 11, 12, 16.5 en 17 (brief eiseres van 6 november 2023); de voorschriften 9.1, 9.3, 10.5 onder c, 10.7, 18.1 onder f, 18.2 en 21.3 (brief eiseres van 21 december 2023); de voorschriften 3.1 en 16.7 en bijlage 2.a, 2.b en 3 (brief eiseres van 12 augustus 2024); voorschrift 3.5 in samenhang met bijlage 6 (brief eiseres van 23 september 2024); de lozingseisen voor xyleen en rest-PAK in de voorschriften 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2 en voorschrift 13.3 (zitting 15 oktober 2024). De rechtbank beoordeelt hierna de resterende beroepsgronden. 4.
  17. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het deskundigenbericht van de StAB. Zij neemt de adviezen van de StAB over, tenzij hierna anders wordt aangegeven. Beoordelingskader
  18. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om (wijziging van) een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet (watervergunning) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Eiseres heeft haar aanvraag om de watervergunning ingediend vóór 1 januari 2024, zodat in dit geval de Waterwet en de onderliggende regelgeving, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. 5.
  19. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet is de toepassing van deze wet gericht op bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 5.
  20. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, water of stoffen te brengen op een zuiveringtechnisch werk, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door het bestuur van het waterschap. 5.
  21. Ingevolge artikel 6.11, tweede lid, kunnen de in dit hoofdstuk gegeven bevoegdheden ten aanzien van handelingen als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, mede worden toegepast ter bescherming van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. 5.
  22. Ingevolge artikel 6.20, eerste lid, kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden. 5.
  23. Ingevolge artikel 6.21 wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.
  24. of de belangen, bedoeld in artikel 6.
  25. 5.
  26. Ingevolge artikel 6.26, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), dient het dagelijks bestuur bij de beslissing op de vergunningaanvraag in acht te nemen dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. 5.
  27. Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang gelezen met artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: de Mor), houdt het dagelijks bestuur bij de bepaling van de voor de lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken en monitoringseisen rekening met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bijlage bij de Mor. 5.
  28. Voor zover hier van belang zijn in de bijlage bij de Mor als informatiedocumenten over beste beschikbare technieken (hierna: BBT) opgenomen de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016 en het Handboek immissietoets. Aan de hand van onder meer deze documenten wordt beoordeeld of een lozing acceptabel is vanuit het oogpunt van waterkwaliteit. Lozing van hemelwater vanuit de rode vijver
  29. De rode vijver is bedoeld voor de opslag van blus/incidentenwater vanuit de MSPO-2, één van de twee styreen- en propeenoxidefabrieken met een technische capaciteit van 974 kton/jaar. Het gaat hierbij om opslag voor zover die niet direct via de afvalwaterriolering naar de noodopvangtanks voor het rode rioolsysteem kan worden afgevoerd. Bij hevige regenval wordt de rode vijver ook gebruikt voor de opvang van overtollig hemelwater afkomstig van de procesvloeren van MSPO-
  30. In verband met directe regenval in de vijver wordt het hemelwater uit de rode vijver incidenteel via de afvalwaterbuffertanks geloosd op het rood gemaal. Tussen partijen is niet in geschil dat geen vergunning is gevraagd en verleend voor de lozing van blus/incidentenwater uit de rode vijver. Het geschil heeft betrekking op de lozing van hemelwater uit de rode vijver. 6.
  31. Eiseres heeft bezwaar tegen de weigering om de lozing van hemelwater uit de rode vijver te vergunnen. De weigering van lozingen moet expliciet in het dictum worden opgenomen en gemotiveerd. Dat is hier niet gedaan. In bijlage 1.b van de revisievergunning is een ‘X’ (kruis) opgenomen in de afvalwaterstroom tussen 'gemaal vijver' aan de rechterkant en 'MI’/'Q’ (meetinrichting) aan de linkerkant. Eiseres begrijpt dat hierin een weigering ligt besloten, aangeduid met een kruis. Zij maakt echter al jaren geen gebruik meer van deze lozingsroute. Uit het beschrijvende deel van de aanvraag blijkt dat er een verbinding is tussen 'gemaal vijver' en 'T810/T811' (de afvalwaterbuffertanks). Het water uit de rode vijver wordt verpompt naar de afvalwaterbuffertanks, waar het water wordt bemonsterd en geanalyseerd in een meetinrichting. Het dagelijks bestuur heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de doelmatige werking van de rwzi door deze lozing wordt belemmerd. Eiseres wil dat het kruis wordt verwijderd en dat de tekening in bijlage 1.b wordt aangepast. 6.
  32. Volgens het dagelijks bestuur heeft eiseres de incidentele lozing van overtollig hemelwater uit de rode vijver niet willen aanvragen. Het is een geplande afwijkende situatie van de reguliere omstandigheden. Eiseres heeft in haar brief van 2 december 2021 aangegeven geen afwijkende situaties te willen aanvragen. In overweging 17 van de revisievergunning staat waarom lozingen van geplande afwijkende activiteiten niet zijn vergund. Bijlage 1.b is volgens het dagelijks bestuur in overeenstemming met bijlage 1.a. Dat is de rioleringstekening die eiseres zelf heeft verstrekt. De incidentele geplande afwijkende lozing van de rode vijver naar de afvalwaterbuffertanks verloopt niet via een riool. Dit afvalwater wordt verpompt en is daarom niet als reguliere lozing in bijlage 1.b opgenomen. 6.
  33. De rechtbank stelt vast dat eiseres de lozing van overtollig hemelwater uit de rode vijver via de afvalwaterbuffertanks heeft aangevraagd. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens aanvullende informatie gevraagd over onder meer het enkele malen per jaar afvoeren van hemelwater uit de rode vijver naar de awp. Daarbij heeft het dagelijks bestuur aangegeven dat de lozing niet kan worden beoordeeld en vergund als de punten niet volledig zijn uitgewerkt. Eiseres heeft in haar reactie van 2 december 2021 aangegeven dat zij geen afwijkende situaties wil aanvragen en dat incidentele situaties niet vergunbaar zijn. Zij heeft het dagelijks bestuur gevraagd of zij alle uitzonderlijke situaties moet weghalen uit de aanvraag of erin moet laten staan. Het dagelijks bestuur heeft daarop geantwoord: “In dat geval de beschreven bijzondere omstandigheden en bijbehorende incidentele lozingen weg laten uit de aanvraag.” Voor zover de rechtbank bekend is, is het daarbij gebleven en heeft eiseres de afvoer van hemelwater uit de rode vijver niet verwijderd uit de aanvraag. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit onderdeel van de aanvraag niet is ingetrokken. 6.
  34. Gelet hierop had het op de weg van het dagelijks bestuur gelegen om de lozing van hemelwater uit de rode vijver expliciet te weigeren. Dat heeft het dagelijks bestuur niet gedaan. De weigering van de lozing van hemelwater uit de rode vijver was wel opgenomen in het dictum van de ontwerp-revisievergunning. De betreffende onderdelen van het dictum zijn echter vervallen in de definitieve revisievergunning. Volgens het dagelijks bestuur is het voldoende dat het niet vergunnen van deze lozing is onderbouwd in overweging 3.
  35. De rechtbank deelt dat standpunt niet. De weigering om een aangevraagde lozing te vergunnen, moet in het dictum van het besluit worden opgenomen. Dat een weigering in de overwegingen is genoemd en onderbouwd, doet daar niet aan af. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met de rechtszekerheid. 6.
  36. Het dagelijks bestuur heeft geweigerd de lozing van hemelwater uit de rode vijver te vergunnen, omdat de gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of de doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken van het waterschap vooraf niet kunnen worden ingeschat (overweging 17 revisievergunning). De rechtbank gaat er met het dagelijks bestuur van uit dat de relevante gevolgen van deze incidentele lozing vooraf niet kunnen worden ingeschat. Gelet daarop heeft het dagelijks bestuur naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen weigeren deze lozing te vergunnen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dit niet betekent dat de lozing van hemelwater uit de rode vijver nooit is toegestaan. Eiseres dient de geplande afwijkende activiteiten met incidentele lozing, waartoe ook deze lozing behoort, uit te werken in een milieuplan en/of melding. Daarbij dient eiseres de gegevens over te leggen die in overweging 17 van de revisievergunning zijn genoemd. Met behulp van die gegevens kan het dagelijks bestuur de relevante gevolgen van een incidentele lozing van hemelwater uit de rode vijver op de rwzi wel inschatten. 6.
  37. De rechtbank constateert op grond van het deskundigenbericht van de StAB dat tekening 1.b inderdaad een foutieve weergave bevat van de route van lozingen uit de rode vijver. Op de tekening staat een lozing die niet via de afvalwaterbuffertanks loopt, maar rechtstreeks naar de awp gaat. Die lozingsroute wordt al jaren niet meer gebruikt. Op de tekening is met een kruis aangegeven dat die (niet bestaande) lozing niet mag plaatsvinden. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang bij verwijdering van het kruis, omdat zij de lozingsroute waarin het kruis is geplaatst niet gebruikt. Gelet op voorschrift 1.1 geeft bijlage 1.2 slechts afvalstromen weer die mogen worden geloosd. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de lozing van hemelwater uit de rode vijver niet in deze revisievergunning wordt vergund. Het dagelijks bestuur heeft deze lozingsroute dan ook terecht niet opgenomen in bijlage 1.b. Tussenconclusie
  38. De beroepsgronden over de lozing van hemelwater uit de rode vijver slagen ten dele. Het dictum van het bestreden besluit is niet volledig, omdat daarin niet expliciet is geweigerd om de lozing van hemelwater uit de rode vijver te vergunnen. In onderdeel II van het dictum van het bestreden besluit staat voor welke onderdelen van de aanvraag geen vergunning wordt verleend. Daaraan dient de lozing van hemelwater uit de rode vijver te worden toegevoegd. Lozing van 37 niet-detecteerbare stoffen
  39. In het afvalwater van eiseres komen 37 stoffen voor die vooralsnog niet gedetecteerd kunnen worden. De stoffen zijn in de lozing moeilijk aan te tonen vanwege de grote verscheidenheid van stoffen die in de lozing aanwezig zijn en/of de kleine hoeveelheid van de stof in de totaalstroom. Daarnaast is voor sommige stoffen nog geen analysemethode (commercieel) beschikbaar. De aanvraag voor een revisievergunning heeft ook betrekking op de lozing van deze 37 stoffen. In onderdeel II, aanhef en onder b, van het dictum van de revisievergunning is opgenomen dat geen vergunning is verleend voor zover de aanvraag betrekking heeft op andere stoffen dan bepaald in de voorschriften 3 en
  40. Deze voorschriften hebben geen betrekking op deze 37 stoffen. De rechtbank stelt vast dat het dagelijks bestuur daarmee heeft geweigerd om vergunning te verlenen voor de 37 stoffen. 8.
  41. Eiseres voert primair aan dat het dagelijks bestuur het lozen van deze stoffen had moeten vergunnen. Zij heeft in haar aanvraag lozingseisen voor deze stoffen opgenomen op basis van de best beschikbare informatie. Die lozingseisen hadden aan de revisievergunning kunnen worden verbonden. Het dagelijks bestuur had in elk geval de stoffen moeten vergunnen die de indicatieve immissietoets doorstaan. Subsidiair voert eiseres aan dat het dagelijks bestuur uit een oogpunt van rechtszekerheid een duidelijke vervolgprocedure voor de 37 stoffen in de revisievergunning had moeten opnemen. Eiseres wijst erop dat zij verplicht is om te zoeken naar betrouwbare analysemethoden om deze stoffen te detecteren. Zodra de stoffen worden gedetecteerd, is eiseres echter in overtreding. In die situatie moet op voorhand duidelijkheid bestaan over de handelwijze van het dagelijks bestuur. Eiseres wil niet het risico lopen dat het dagelijks bestuur meteen overgaat tot handhaving. 8.
  42. Het dagelijks bestuur wil geen vergunning verlenen voor de lozing van stoffen die onder reguliere omstandigheden niet aantoonbaar zijn in de totaalstroom. De aanvraag bevat volgens het dagelijks bestuur onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen of de lozing van deze 37 stoffen verenigbaar is met het wettelijk beoordelingskader. Eiseres heeft een onrealistisch hoge inschatting van de jaarvrachten gemaakt. Verder zijn de BBT niet uitgewerkt in de aanvraag. Het dagelijks bestuur kan daardoor niet beoordelen of de bronaanpak en voorbehandeling bij eiseres voldoende zijn. Daarna komt pas aan de orde of de effluentlozing van de rwzi op oppervlaktewater aan de immissietoets voldoet. Het is volgens het dagelijks bestuur in strijd met het waterkwaliteitsbeleid om een immissietoets als uitgangspunt voor de beoordeling te nemen.Het dagelijks bestuur vindt de door eiseres bedoelde meldings- en goedkeuringsprocedure voor niet-detecteerbare stoffen niet nodig. Zodra de aanwezigheid van deze stoffen in het afvalwater meetbaar is, heroverweegt het dagelijks bestuur de vergunbaarheid van deze stoffen. Het is de intentie van het dagelijks bestuur om dan met eiseres in overleg te treden. De stoffen kunnen en moeten vervolgens via een gemotiveerde wijzigingsaanvraag worden genormeerd. 8.
  43. Het dagelijks bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten om geen vergunning te verlenen voor het lozen van de 37 stoffen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 8.
  44. Uit het deskundigenrapport van de StAB volgt dat eiseres onvoldoende duidelijkheid heeft geboden over de geschatte of berekende jaarvrachten van de 37 stoffen. Dat wordt bevestigd door wat eiseres daar zelf over heeft gezegd. Zij heeft gezegd dat de aangevraagde vrachten slechts een ruwe schatting zijn van de jaarvrachten. Eiseres heeft de schatting alleen maar beknopt toegelicht. De jaarvrachten zijn dus niet duidelijk. 8.
  45. Daarbij komt dat eiseres de bronaanpak en voorbehandeling van de 37 stoffen niet heeft onderbouwd in de aanvraag. Ook daarna heeft zij dat niet gedaan. Het dagelijks bestuur mocht zich op het standpunt stellen dat eiseres daarmee onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen beoordelen of de lozing van deze stoffen in overeenstemming is met het wettelijk beoordelingskader. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 10.29a van de Wet milieubeheer uitgaat van een voorkeursvolgorde. Eerst moet worden beoordeeld of de bronaanpak en voorbehandeling bij eiseres voldoende zijn. Daarna komt pas aan de orde of de effluentlozing van de rwzi voldoet aan de immissietoets. 8.
  46. In de loop van de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur een indicatieve immissietoets verricht. Eiseres heeft kritiek op deze immissietoets. De immissietoets maakt echter geen deel uit van het bestreden besluit. Gelet op de hiervoor bedoelde voorkeursvolgorde, de onduidelijkheid over de jaarvrachten, de bronaanpak en de voorbehandeling, heeft het dagelijks bestuur niet onzorgvuldig gehandeld door geen immissietoets te verrichten voordat hij het bestreden besluit nam. De rechtbank laat de kritiek van eiseres op de indicatieve immissietoets dan ook buiten beschouwing. 8.
  47. De rechtbank komt tot de conclusie dat het dagelijks bestuur de gevraagde vergunning voor de 37 stoffen in redelijkheid heeft kunnen weigeren, omdat eiseres onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de risico’s voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van de rwzi te kunnen beoordelen. De primaire beroepsgrond van eiseres slaagt niet. 8.
  48. Vervolgens is, gelet op de subsidiaire beroepsgrond, de vraag aan de orde of de revisievergunning in strijd is met de rechtszekerheid, omdat een duidelijke meldingsprocedure voor de 37 stoffen ontbreekt. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres in de beroepsgronden over een meldings- en goedkeuringsprocedure spreekt, maar later heeft aangegeven geen goedkeuringsprocedure te willen. 8.
  49. In de revisievergunning is het volgende bepaald en overwogen over de stoffen met een indicatieve/geschatte jaarvracht die in de totaalstroom niet aantoonbaar aanwezig zijn tijdens de reguliere lozingssituatie. Op grond van voorschrift 10.5, aanhef en onder c, moet eiseres onderzoek doen naar geaccrediteerde analysemethoden voor deze stoffen. Uiterlijk 31 december 2023 dient dit onderzoek te zijn uitgevoerd en daarvan aan het dagelijks bestuur een rapport te zijn overgelegd. Op grond van voorschrift 16.7 moet eiseres jaarlijks onderzoek doen naar de samenstelling van de deelstromen en de aanwezigheid van een selectie van deze stoffen. Uiterlijk 1 november van ieder jaar moet eiseres ten behoeve van het komende kalenderjaar een voorstel voor dit onderzoeksprogramma indienen bij het dagelijks bestuur.Voor de stoffen die in de totaalstroom tijdens de reguliere lozingssituatie niet aantoonbaar aanwezig zijn, heeft eiseres in de aanvraag voorgesteld om, als een nieuwe stof meer dan eenmaal wordt aangetoond, in eerste instantie de monitoringsfrequentie te verhogen. In het geval de stof structureel in de lozing aangetoond blijft worden, zal eiseres met het waterschap in overleg treden over de dan ontstane situatie. Het dagelijks bestuur vindt het in verband met risicobeheersing nodig dat eiseres een lozing van een niet vergunde stof inclusief de geloosde vracht zo spoedig mogelijk aan het waterschap meldt. Eiseres moet de in overleg met het waterschap overeengekomen maatregelen volgens het dagelijks bestuur zo snel mogelijk uitvoeren. 8.
  50. Het beroep van eiseres op schending van de rechtszekerheid slaagt niet. Partijen gaan er beide van uit dat zij, als een nieuwe stof structureel in het afvalwater wordt aangetoond, met elkaar zullen overleggen. Dat overleg kan erin resulteren dat er maatregelen worden afgesproken. Dat overleg kan er ook in resulteren dat eiseres een gemotiveerde wijzigingsaanvraag indient, waarna de aangetoonde nieuwe stoffen genormeerd kunnen worden met lozingseisen en andere vergunningvoorschriften. Gelet op de onzekerheid over de niet vergunde stoffen, de geloosde vrachten en de daarmee samenhangende risico’s voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van de rwzi heeft het dagelijks bestuur niet al op voorhand meer duidelijkheid hoeven geven over de vervolgprocedure. Meer in het bijzonder heeft het dagelijks bestuur niet op voorhand hoeven aan te geven of het al dan niet tot handhaving overgaat. Die beslissing is immers afhankelijk van feiten en omstandigheden waarover ten tijde van de vergunningverlening nog geen duidelijkheid bestond. Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt niet. Tussenconclusie
  51. De beroepsgronden over de lozing van 37 niet-detecteerbare stoffen slagen niet. Documenten die deel uitmaken van de revisievergunning
  52. Onderdeel III van het dictum van de revisievergunning bepaalt dat de aanvraag deel uitmaakt van deze vergunning, met uitzondering van een aantal met naam genoemde documenten. Dit betekent dat alle bijlagen bij de aanvraag die hier niet zijn genoemd, onderdeel zijn van de revisievergunning. 10.
  53. Eiseres voert aan dat een aantal van haar interne documenten ten onrechte deel uitmaakt van de revisievergunning en wil dat deze documenten worden toegevoegd aan de lijst met uitzonderingen. Het dagelijks bestuur is bereid een deel van die documenten toe te voegen aan de lijst met uitzonderingen. De rechtbank geeft in overweging 19 aan hoe zij dat in de uitspraak verwerkt. 10.
  54. Het geschil spitst zich toe op de volgende documenten: Procedure beheer water; Procedure CLAB afvoer afvalstoffen vanuit het laboratorium; Procedure industrial cleaning; Saneringsplan NL-Moerdijk-P-337726-2020-10-20 C752 SO Moerdijk V10; Afleiding milieunormen (normvoorstellen); MSDS-en van 13 (hulp)stoffen die in het afvalwater kunnen raken. 10.
  55. Volgens eiseres zien deze documenten niet op de lozing van afvalwater en bestaat daarom geen noodzaak om die documenten op te nemen als onderdeel van de revisievergunning. Het aanpassen van de documenten zal niet leiden tot een wijziging van de lozing. Eiseres vindt dat zij in haar interne procedures moet kunnen vastleggen welke stappen zij volgt zonder dat daarop kan worden gehandhaafd. Ook wil zij deze interne procedures kunnen wijzigen of actualiseren zonder dat daarmee strijdigheid met de revisievergunning ontstaat. Het gaat volgens eiseres te ver om dit ook voor interne procedures dwingend voor te schrijven. 10.
  56. Het dagelijks bestuur stelt dat het in de beroepsfase te laat is om te vragen om uitbreiding van de lijst met documenten die geen deel uitmaken van de aanvraag. Volgens het dagelijks bestuur is het nodig dat de documenten a t/m f onderdeel zijn van de revisievergunning. De procedures a t/m c beschrijven de door eiseres getroffen preventieve maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het afvalwater terechtkomen. Verder gaat het om documenten die gegevens bevatten over de lozing van het afvalwater. 10.
  57. Vaststaat dat de documenten a t/m f bijlagen zijn bij de vergunningaanvraag. Eiseres vraagt, anders dan het dagelijks bestuur kennelijk meent, niet om de documenten alsnog uit te zonderen van de aanvraag. Eisers wil bereiken dat de documenten niet langer deel uitmaken van de revisievergunning. Eiseres heeft in de beroepsfase om een nadere uitbreiding van de lijst met uitgezonderde documenten gevraagd. Daarbij heeft zij meer documenten genoemd dan in de zienswijze tegen de ontwerpvergunning. De rechtbank acht dit niet ongeoorloofd. In het omgevingsrecht geldt geen zogenoemde onderdelentrechter voor besluiten die met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure tot stand zijn gekomen en die uit verschillende besluitonderdelen bestaan. Wat in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald, is voor belanghebbenden bij besluiten op het gebied van omgevingsrecht niet in overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus. De keuze om documenten al dan niet deel uit te laten maken van de revisievergunning heeft geen vrijblijvend karakter. Die documenten zijn mede bepalend voor wat is aangevraagd en vergund. Bij een relevante wijziging van de documenten die deel uitmaken van de revisievergunning, dient een wijziging van de vergunning te worden aangevraagd. Documenten die deel uitmaken van de revisievergunning kunnen bovendien een rol spelen bij handhaving. Het voorgaande brengt met zich dat het dagelijks bestuur dient af te wegen of het nodig is om documenten onderdeel te laten zijn van de revisievergunning. Bij die afweging is van belang of daarmee het doel van de bescherming van de waterkwaliteit (artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Waterwet) of de bescherming van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk wordt gediend (artikel 6.11, tweede lid, van de Waterwet). De rechtbank zal daarom hieronder de beroepsgrond van eiseres over de in overweging 10.2 genoemde documenten beoordelen. ad a t/m c: interne procedures beheer water, CLAB en industrial cleaning
  58. De interne procedure Beheer water omvat milieuaspecten van de lozingen via het gehele koelwater- en afvalwatersysteem van de site Moerdijk, inclusief de afvoer van grond- en hemelwater. Deze interne procedure gaat over communicatie tussen de betrokken afdelingen op het gebied van lozingen. Ook gaat de procedure over anticipatie op of snelle detectie van afwijkingen van het normale lozingspatroon om op deze wijze ernstige vervuiling van het water en mogelijke (productie)verliezen in de fabrieken te voorkomen. De opgenomen procedureschema's omvatten 'de bewaking van de normale situatie/lozing naar water', 'het beheer van lozingen naar water bij incidenten/overschrijdingen van normen' en 'bepalen uit te voeren metingen beoordelen resultaten'. De melding aan het waterschap maakt daar ook deel van uit. Gelet op het voorgaande heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat deze procedure acties en maatregelen bevat om te voorkomen dat afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het afvalwater terecht komen. Het dagelijks bestuur heeft op grond daarvan mogen concluderen dat het nodig is om dit document deel uit te laten maken van de revisievergunning.
  59. De interne procedure CLAB heeft betrekking op de afvoer van afvalstoffen vanuit het centraal laboratorium. De afvoer van het afvalwater uit het centraal laboratorium loopt naar het rode riool. De interne procedure CLAB gaat niet over de lozing van afvalwater, maar gaat vooral over acties en maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het afvalwater terechtkomen. Zo wordt bijvoorbeeld beschreven dat bepaalde categorieën afval door een gecontracteerde verwerker worden afgevoerd. De rechtbank volgt de StAB niet voor zover zij stelt dat deze interne procedure geen relevante gegevens bevat voor de beoordeling door het dagelijks bestuur. Gelet op de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater heeft het dagelijks bestuur deze interne procedure van belang kunnen achten om de verontreiniging van afvalwater zoveel mogelijk te beperken. Gelet daarop heeft het dagelijks bestuur ervoor kunnen kiezen om ook dit document onderdeel te laten zijn van de revisievergunning.
  60. De interne procedure industrial cleaning beschrijft stoffen in afvalwater die niet naar het rode riool mogen en stoffen in afvalwater die slechts beperkt naar het rode riool mogen. Met deze interne procedure wordt geborgd dat een aantal stoffen niet wordt geloosd op het rode afvalwatersysteem. Die stoffen worden opgeslagen in een container ten behoeve van de afvoer naar een externe verwerker. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze interne procedure preventieve maatregelen beschrijft voor de beperking van de lozing van afvalwater. Gelet daarop heeft het dagelijks bestuur ervoor mogen kiezen om deze interne procedure onderdeel te laten uitmaken van de revisievergunning. ad d. Saneringsplan Moerdijk
  61. Het saneringsplan is opgesteld in het kader van de Wet bodembescherming en is ter goedkeuring voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant. Het heeft betrekking op bodemverontreiniging die in het verleden is ontstaan op de locatie Moerdijk. Het saneringsplan houdt onder meer in dat de bodemverontreiniging niet langer door middel van grondwateronttrekking wordt beheerst. De lozing van grondwater afkomstig van het grondwaterbeheerssysteem op het persstation Moerdijk tijdens regulier onderhoud aan het Astrazandfilter zal worden gestopt. 14.
  62. Het dagelijks bestuur wil dat het saneringsplan deel blijft uitmaken van de revisievergunning totdat het grondwaterbeheerssysteem is gestopt. Tot die tijd heeft de lozing van dit grondwater volgens het dagelijks bestuur invloed op de lozing van afvalwater. Tijdens de zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat van belang is dat de lozing van het grondwater via de voorkeursvolgorde naar het oppervlaktewater gaat. 14.
  63. Het dagelijks bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom het nodig is dat het saneringsplan onderdeel is van de revisievergunning. Uit de aanvraag, de toelichting op de aanvraag en de bijlagen 16 (procesbeschrijvingen) en 18 (reductiemaatregelen), onder 11, blijkt dat het grondwater uit het grondwaterbeheerssysteem via het groene afvalwaterriool wordt geloosd op het Hollands Diep. Alleen als het zandbedfilter tijdelijk uit bedrijf is, of als in verband met storingen niet langer kan worden voldaan aan de voorwaarden voor lozing op het Hollands Diep, wordt het grondwater naar het rode afvalwaterriool geloosd. In bijlage 16 worden maatregelen beschreven om dit te voorkomen. Ook wordt daarin verwezen naar het saneringsplan en de voorgenomen beëindiging van het grondwaterbeheerssysteem. Het saneringsplan heeft geen betrekking op de lozing van afvalwater naar de rwzi en is opgesteld in een ander wettelijk kader. In het licht van het voorgaande heeft het dagelijks bestuur onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het nodig is dat het saneringsplan deel uitmaakt van de revisievergunning. ad e. Afleiding milieunormen (normvoorstellen)
  64. Het gaat om normvoorstellen voor de stoffen 1-butanol, 1-propanol, 2-butanol, 2-chloromethyl-1, 3 dioxolane (CMD), d-glycopyranose, diethyleenglycol (DEG), ethylhexaanzuur, glycolaldehyde, heptaan, hydroxytrimethylsilane (TMS), natriumbenzoaat, propaandiol en sodium-laureth-sulfaat. Dit zijn stoffen die niet aantoonbaar in het afvalwater aanwezig zijn. Voor deze stoffen heeft het RIVM nog geen indicatieve milieukwaliteitsnorm afgeleid. In de aanvraag zijn memo's opgenomen met een voorstel voor een indicatieve milieukwaliteitsnorm. Deze memo's bevatten ook informatie over de stofeigenschappen. Volgens het dagelijks bestuur is het nodig dat de normvoorstellen voor die stoffen onderdeel blijven van de revisievergunning, totdat het RIVM een indicatieve norm kan afleiden. 15.
  65. Volgens eiseres is niet duidelijk waarom de hiervoor bedoelde afleidingen van milieunormen onderdeel moeten zijn van de vergunning. Eiseres stelt dat de gegevens alleen zijn ingediend ten behoeve van het afleiden van milieunormen door het RIVM. 15.
  66. Het dagelijks bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de afleidingen een toegevoegde waarde hebben als onderdeel van de revisievergunning. Het gaat om stoffen die zijn opgenomen in bijlage 11b bij de revisievergunning. Het dagelijks bestuur heeft geen vergunning verleend voor de lozing van deze stoffen. De normvoorstellen hebben dus betrekking op stoffen waarvoor geen lozingseisen zijn opgenomen in de revisievergunning. De revisievergunning bevat geen verplichting om de normvoorstellen of de beschrijvingen in de normvoorstellen in acht te nemen. Gelet op het voorgaande heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid niet kunnen concluderen dat het nodig is om de normvoorstellen deel te laten uitmaken van de revisievergunning. ad f. MSDS-en van 13 (hulp)stoffen die in het afvalwater kunnen raken
  67. Een producent of importeur die een gevaarlijke stof of preparaat in de handel brengt, moet op grond van artikel 31, eerste lid, van de REACH-verordening een veiligheidsinformatieblad ter beschikking stellen aan de professionele gebruiker. Eiseres heeft 93 veiligheidsinformatiebladen in de aanvraag opgenomen. Het gaat hier om veiligheidsinformatiebladen die leveranciers ter beschikking hebben gesteld aan eiseres. Het dagelijks bestuur is bereid om het grootste deel van deze veiligheidsinformatiebladen toe te voegen aan de lijst van documenten die geen deel uitmaken van de revisievergunning. Dat geldt echter niet voor de veiligheidsinformatiebladen van 13 (hulp)stoffen die in het afvalwater terecht kunnen komen. Het gaat om de (hulp)stoffen die zijn genoemd in vergunningvoorschrift 18.1.d. Deze veiligheidsinformatiebladen moeten volgens het dagelijks bestuur onderdeel blijven van de revisievergunning om de gevolgen voor de rwzi en het ontvangende oppervlaktewater te kunnen beoordelen. 16.
  68. Eiseres ziet niet in waarom de 13 veiligheidsinformatiebladen onderdeel zouden moeten zijn van de revisievergunning. Veiligheidsinformatiebladen zijn voortdurend in ontwikkeling. Eiseres wil voorkomen dat zij in overtreding is, zodra één van de 13 veiligheidsinformatiebladen wordt geactualiseerd. Volgens eiseres is het voldoende dat zij de veiligheidsinformatiebladen bewaart en op verzoek beschikbaar stelt aan het waterschap. 16.
  69. De rechtbank stelt voorop dat het dagelijks bestuur de 13 veiligheidsinformatie-bladen bij de verlening van de revisievergunning heeft gebruikt om de gevolgen van de betreffende lozingen van afvalwater voor de rwzi en het ontvangende oppervlaktewater te beoordelen. Tijdens de zitting heeft het dagelijks bestuur aangegeven dat het gaat om eventuele wijzigingen van de stoffen. Als een andere stof wordt geloosd, is eiseres echter verplicht om daarvoor een nieuwe watervergunning aan te vragen. Naar aanleiding van die aanvraag krijgt het dagelijks bestuur dan de gelegenheid om de gevolgen van de lozing van die andere stof te beoordelen. Het dagelijks bestuur heeft ook aangegeven dat het de hoeveelheden van de (hulp)stoffen wil kunnen controleren. Eiseres is op grond van artikel 36, eerste lid, van de REACH-verordening in samenhang met artikel 5:17 van de Awb verplicht om alle veiligheidsinformatiebladen te bewaren, beschikbaar te houden en op verzoek te verstrekken of beschikbaar te stellen aan het waterschap. In het licht van het voorgaande heeft het dagelijks bestuur op grond van de REACH-verordening en de Awb voldoende mogelijkheden om de hoeveelheden van de (hulp)stoffen aan de hand van de veiligheidsinformatiebladen te controleren. Het dagelijks bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid kunnen concluderen dat het nodig is om de 13 veiligheidsinformatiebladen deel te laten uitmaken van de revisievergunning. Voorschrift
  70. Voorschrift 14 heeft betrekking op de interne procedures die zijn genoemd in overweging 13.a t/m 13.f van de revisievergunning. Voorschrift 14.1 bepaalt dat afvalwater slechts mag worden geloosd nadat aan de interne voorschriften met betrekking tot het terughouden van stoffen is voldaan en/of de aanwezige voorzieningen optimaal zijn benut. Eiseres dient er op grond van voorschrift 14.2 voor zorg te dragen dat de in 14.1 bedoelde voorschriften en voorzieningen zo vaak als dit in verband met gewijzigde werkzaamheden nodig is, worden aangepast.
  71. Eiseres voert aan dat dit voorschrift innerlijk tegenstrijdig is. Voorschrift 14.1 verplicht eiseres om deze procedures in stand te houden. Voorschrift 14.2 bepaalt dat eiseres die procedures zou moeten wijzigen. Dit strookt niet met elkaar en levert volgens eiseres op enig moment tegenstrijdige verplichtingen op. Verder mist eiseres een voorrangsbepaling waarmee wordt voorzien in de situatie dat de aan het bestreden besluit verbonden documenten strijdig zijn met de voorschriften. 18.
  72. Volgens het dagelijks bestuur is geen sprake van tegenstrijdige verplichtingen en is het niet nodig om een voorrangsbepaling in de revisievergunning op te nemen. Bij wijzigingen die ertoe leiden dat de feitelijke situatie niet meer correct wordt weergegeven, maar die geen gevolgen hebben voor de lozingssituatie, moet eiseres volgens het dagelijks bestuur op grond van artikel 6.26, tweede lid, van de Waterwet een wijzigingsvergunning aanvragen. 18.
  73. De voorschriften 14.1 en 14.2 bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen tegenstrijdige verplichtingen. Voorschrift 14.1 verplicht eiseres om de interne voorschriften in acht te nemen. Eiseres dient deze interne voorschriften aan te passen als dit nodig is in verband met gewijzigde werkzaamheden. In dat geval dient zij een wijziging van de vergunning aan te vragen. Een redelijke uitleg van voorschrift 14.1 brengt met zich dat eiseres na verlening van een wijzigingsvergunning aan het aangepaste document dient te voldoen. Met deze voorschriften wordt gewaarborgd dat de betreffende interne documenten actueel blijven, dat het dagelijks bestuur een aanpassing van deze documenten kan toetsen en dat eiseres vervolgens aan het aangepaste document moet voldoen. Een algemene voorrangsbepaling over de verhouding tussen de vergunningvoorschriften en de aan de vergunning verbonden documenten is naar het oordeel van de rechtbank niet nodig. Gedragingen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften zijn op grond van artikel 6.20, derde lid, van de Waterwet verboden. De vergunningvoorschriften hebben dan ook voorrang. Tussenconclusie
  74. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden die betrekking hebben op de interne procedures a t/m c en op vergunningvoorschrift 14 niet. De beroepsgronden die betrekking hebben op de documenten d t/m f slagen wel. Die documenten hadden moeten worden opgenomen bij de lijst van documenten die geen deel uitmaken van de vergunning (uitgezonderde documenten). Daarnaast heeft het dagelijks bestuur er naar aanleiding van de beroepsgronden mee ingestemd om een aantal documenten toe te voegen aan de lijst van uitgezonderde documenten. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het dagelijks bestuur heeft nagelaten de hiervoor bedoelde documenten toe te voegen aan de lijst van documenten die geen onderdeel zijn van de vergunning. De volgende documenten dienen alsnog te worden toegevoegd aan de lijst met uitgezonderde documenten in onderdeel III van het dictum: Formulier HD_reinigingsplan_02037140; Procedure/ Werkinstructie ‘standing_order_MVEO_Borging_verpomping_gele_vijver’; Rioleringstekeningen ‘TC6930001-bb’ en ‘-0003’; Uitdraai_database_WEC_vergunning_rode_riool; Alle MSDS’en (veiligheidsinformatiebladen); Alle normvoorstellen; Bijlage: Indeling_stoffen_conform_ATCN_2022-03-31; Saneringsplan Moerdijk. Voorschriften 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2: lozingseisen
  75. In de voorschriften 3.2 en 3.3 zijn lozingseisen opgenomen die gelden bij de ‘meetinrichting awp’. De voorschriften 4.1 en 4.2 bevatten lozingseisen die gelden bij de ‘meetinrichting awp slangepomp’. Het beroep is gericht tegen de lozingseisen voor aluminium, fenolen, titanium, zilver, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen, benzeen, naftaleen en tolueen (hierna ook: de negen stoffen). Eiseres voert aan dat de lozingseisen voor de negen stoffen niet zijn na te leven. Tijdens de zitting heeft eiseres haar beroepsgronden over de lozingseisen voor twee andere stoffen (xyleen en rest-PAK) ingetrokken. 20.
  76. De meeste lozingseisen zijn door het statistische adviesbureau Icastat berekend met het programma Lozingseis-assistent (LEA). LEA is een rekenprogramma dat op basis van historische lozingsgegevens naleefbare lozingseisen afleidt. Eiseres heeft lozingseisen aangevraagd voor de reguliere, beheerste bedrijfsvoering. Daarom is van belang dat LEA wordt gevoed met lozingsgegevens die representatief zijn voor de reguliere, beheerste bedrijfsvoering waarvoor de watervergunning dient te gelden. Eiseres heeft daarvoor meetgegevens aangeleverd. Het dagelijks bestuur heeft het databestand van eiseres gecontroleerd voordat de meetreeksen in LEA zijn ingevoerd. Bij het invoeren in LEA heeft het dagelijks bestuur in navolging van Icastat bepaalde uitschieters in de meetgegevens buiten beschouwing gelaten. Verder heeft het dagelijks bestuur bij bepaalde stoffen de meetwaarden uit 2016 en 2017 buiten beschouwing gelaten. De rechtbank zal eerst de algemene beroepsgronden bespreken die hierop betrekking hebben. Daarna zullen de beroepsgronden tegen de lozingseisen per stof aan de orde komen. Verwijderen van uitschieters
  77. Uitschieters zijn meetwaarden die duidelijk afwijken van de andere meetwaarden uit de reeks. Volgens de Gebruikershandleiding LEA dienen bepaalde uitschieters door de aanvrager te worden verwijderd. Het gaat om uitschieters die zijn veroorzaakt door fouten of door ongewone voorvallen. Uitschieters die zijn veroorzaakt door een extreem geval van de gebruikelijke, beheerste situatie kunnen wel worden meegenomen. Volgens de Gebruikershandleiding LEA is het raadzaam te eisen dat de aanvrager van elke uitschietende meetwaarde aantoont dat die nog de gebruikelijke, beheerste situatie vertegenwoordigt. 21.
  78. Eiseres voert aan dat het dagelijks bestuur ten onrechte uitschieters heeft verwijderd bij het afleiden van lozingseisen voor bepaalde stoffen. Volgens eiseres is het niet mogelijk om alle uitschieters te verklaren. Als een uitschieter niet verklaard kan worden, mag deze volgens eiseres niet worden verwijderd. 21.
  79. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat eiseres niet alle meetdata heeft verwijderd die door LEA als uitschieter zijn geïdentificeerd. Het dagelijks bestuur heeft de duidelijkste uitschieters verwijderd. Die uitschieters zijn alleen verwijderd als eiseres volgens het dagelijks bestuur niet inzichtelijk heeft gemaakt dat deze tot de reguliere, beheerste bedrijfsvoering behoren. Hierbij heeft het dagelijks bestuur in aanmerking genomen dat deze uitschieters een onevenredige invloed op de lozingseisen hebben. 21.
  80. De rechtbank volgt eiseres niet in deze beroepsgrond. Eiseres moet op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Eiseres heeft inzicht in de specifieke lozingssituaties en de bedrijfsomstandigheden. Het ligt op de weg van eiseres om bij de aanvraag lozingsgegevens te verstrekken die representatief zijn voor de reguliere, beheerste bedrijfsvoering. In dat kader dient zij onderscheid te maken tussen uitschieters. Uitschieters die het gevolg zijn fouten of van ongewone voorvallen behoren niet tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering en moeten worden verwijderd. Uitschieters die behoren tot de reguliere beheerste situatie behoren te blijven staan, ook als het om een extreem geval van die situatie gaat. In het NBW-rapport ‘Lozingseisen WVO-vergunningen' 2005 is duidelijk vermeld dat de aanvrager de vergunningverlener voldoende informatie dient te verschaffen over de situatie waarvoor de vergunning dient te gelden. Het is immers de informatie die de aanvrager verschaft, die mede de basis is voor de beoordeling van de aanvraag ten behoeve van vergunningverlening. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het dan ook op de weg van eiseres om inzichtelijk te maken of die duidelijke uitschieters al dan niet tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering behoren. Deze informatieplicht is een uitvloeisel van de verplichting om representatieve lozingsgegevens te verstrekken. Verwijderen meetwaarden 2016/2017
  81. Icastat heeft een statische trendanalyse toegepast op de meetreeksen van de stoffen waarvoor lozingseisen zijn afgeleid. Het doel daarvan is om te beoordelen of de hele meetreeks representatief is voor het huidige lozingsproces of slechts een deel van de meetreeks. Icastat heeft bij 43% van de op trend getoetste stoffen een statistisch relevante negatieve of positieve trend geconstateerd.Volgens Icastat wijst de negatieve trend op een structurele verandering van één of meer invloedsfactoren van het lozingsproces. In 2023 waren die sterk afwijkende kenmerken van 2016 en 2017 inmiddels ruim vijf jaar niet meer opgetreden. Volgens Icastat kan worden volstaan met de recentere deelreeks vanaf
  82. Die recentere deelreeks heeft door de lengte en grote stabiliteit alle kenmerken van een gebruikelijke, beheerste procesvoering. Icastat heeft de meetwaarden uit 2016 en 2017 voor bepaalde stoffen minder representatief geacht voor het huidige lozingsproces en bij het invoeren van gegevens in LEA buiten beschouwing gelaten. Het dagelijks bestuur heeft het advies van Icastat overgenomen. 22.
  83. Eiseres voert aan dat het dagelijks bestuur de meetwaarden uit 2016 en 2017 van vier stoffen niet buiten beschouwing had mogen laten. Volgens haar behoren die lozingen tot de gebruikelijke, beheerste bedrijfsvoering. Zij had al voor 2016 maatregelen genomen die tot een daling van de emissie van de meeste stoffen heeft geleid. In de jaren 2016 tot en met 2018 was sprake van een gebruikelijke doorzet. In 2019 vond een grote onderhoudsstop plaats en hebben stakingen plaatsgevonden. Daarna werden de marktomstandigheden in de chemie beïnvloed door de coronapandemie (vanaf eind februari 2020) en de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Deze marktomstandigheden hebben tot een beperktere doorzet geleid. Bovendien hebben de individuele fabrieken een onderhoudscyclus van ongeveer zeven jaar en beïnvloedt deze cyclus het lozingspatroon. De niet-meegenomen jaren behoren tot die cyclus en daarom had het dagelijks bestuur die jaren volgens eiseres moeten meenemen bij het afleiden van de lozingseisen. 22.
  84. Het dagelijks bestuur gaat er naar het oordeel van de rechtbank terecht van uit dat de meetwaarden die voor het afleiden van lozingseisen worden gebruikt representatief moeten zijn voor het lozingsproces waarvoor vergunning wordt verleend. Voor de beoordeling van een lozingssituatie is een zo recent mogelijke meetreeks van belang. Alleen dat deel leidt tot een lozingseis die geschikt is voor de gebruikelijke, beheerste procesvoering van dit moment en de nabije toekomst. Uit de rapporten van Icastat blijkt dat de meetreeksen van de betrokken stoffen in de jaren 2016 en 2017 een statistisch relevante dalende trend vertonen. De stelling van eiseres dat die daling al eerder is ingezet, maakt deze trend niet ongedaan. 22.
  85. Het dagelijks bestuur heeft aan deze dalende trend het vermoeden mogen ontlenen dat sprake is van feitelijke omstandigheden of aanpassingen aan de fabrieken of aan de productieprocessen die maken dat de meetwaarden uit 2016 en 2017 niet meer representatief zijn voor de gebruikelijke beheerste procesvoering ten tijde van de vergunningverlening. Dit vermoeden is gebaseerd op statistische gegevens. Eiseres moet op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als eiseres van mening is dat de meetwaarden uit 2016 en 2017 ondanks de dalende trend nog steeds behoren tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering, ligt het naar het oordeel van de rechtbank op haar weg om dat met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. De rechtbank wijkt op dit punt af van het advies van de StAB. De rechtbank ziet deze informatieverplichting als een uitvloeisel van de verplichting van eiseres om representatieve lozingsgegevens te verstrekken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het om een complex bedrijf gaat en dat eiseres beschikt over informatie over en inzicht in haar bedrijfsvoering. 22.
  86. Eiseres heeft in het algemeen aangegeven dat de dalende trend is bereikt door met name te investeren in bewustwording, monitoring en maatregelen tijdens onderhoudswerkzaamheden, onderhoudstops en een snelle reactie op onvoorzienbare voorvallen gericht op vermindering van emissie naar het rode riool. Het dagelijks bestuur heeft terecht opgemerkt dat dit impliceert dat het lozingsproces is veranderd. Een veranderd lozingsproces kan immers ook het gevolg zijn van de omstandigheden die eiseres noemt. Uit deze verklaring vloeit dan ook niet voort dat de meetwaarden uit 2016 en 2017 van de betrokken stoffen nog steeds tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering horen. 22.
  87. Anders dan eiseres meent, heeft het dagelijks bestuur ook niet hoeven aan te sluiten bij de lengte van de onderhoudscycli. Bij het afleiden van lozingseisen voor de reguliere beheerste bedrijfsvoering wordt rekening gehouden met afwijkende lozingssituaties, zoals groot onderhoud (turnarounds). Meetwaarden die als gevolg van turnarounds niet representatief zijn voor de reguliere lozingssituatie worden uit de meetreeks verwijderd. 22.
  88. De rechtbank zal hierna bespreken welke gevolgen het voorgaande heeft voor de lozingseisen van de negen stoffen. Daarbij zal de rechtbank ook ingaan op wat eiseres specifiek over de betrokken stof heeft aangevoerd. Aluminium
  89. Voorschrift 3.2 bepaalt dat de voortschrijdende jaarvracht van aluminium niet meer mag bedragen dan 200 kg/jaar. 23.
  90. Eiseres voert aan dat deze eis niet haalbaar is. Zij heeft 1.800 kg aangevraagd. Volgens eiseres blijkt inmiddels uit metingen dat een jaarvracht van 1.100 kg haalbaar zou zijn. 23.
  91. De rechtbank stelt vast dat in de voorgaande watervergunning van eiseres geen lozingseis voor aluminium was opgenomen. De lozingseis die in het bestreden besluit is opgenomen, is niet afgeleid met LEA. De lozingseis is berekend op basis van vijf meetresultaten uit
  92. Met vijf metingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beoordeeld of de metingen representatief zijn. Verder is van belang dat de vijf metingen onderling sterk verschillen. Met zo weinig metingen kan een afwijkende meting veel invloed hebben op de berekende lozingseis. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur een te beperkt aantal meetresultaten heeft gebruikt om een betrouwbare lozingseis mee te kunnen berekenen. Voor een betrouwbare lozingseis is een langere meetreeks nodig. Uit het voorgaande volgt dat de lozingseis voor aluminium niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen, voor zover in voorschrift 3.2 de eis van een voortschrijdende jaarvracht van 200 kg/jaar is gesteld. Fenolen
  93. Voor fenolen is in voorschrift 3.2 een voortschrijdende jaarvracht opgenomen van 443 kg/jaar en in voorschrift 3.3 een etmaalmonster van 2,14 kg/etmaal en een VRG-10 van 1,25 kg/etmaal. Deze lozingseisen zijn volgens eiseres niet haalbaar. Eiseres heeft alleen een VRG-10 van 2 kg/etmaal aangevraagd. Inmiddels zijn een voortschrijdende jaarvracht van 570 kg/jaar en een etmaalmonster van 3,9 kg/etmaal haalbaar gebleken. Eiseres wijt de te strenge lozingseisen met name aan het weglaten van de meetwaarden uit 2016 en
  94. 24.
  95. Tussen partijen is niet in geschil dat de meetwaarden van de emissie van fenolen voor de jaren 2016 en 2017 een statistisch dalende trend vertonen. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft het dagelijks bestuur hieraan het vermoeden mogen ontlenen dat deze meetwaarden niet meer representatief zijn voor de gebruikelijke beheerste procesvoering ten tijde van de vergunningverlening. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur in het milieujaarverslag van eiseres geen informatie heeft kunnen vinden die het vermoeden bevestigt, maakt dit niet anders. Het dagelijks bestuur heeft het aan de statistische analyse ontleende vermoeden sterk genoeg mogen achten om nadere informatie van eiseres te verlangen. Het ligt, zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, op de weg van eiseres om met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat de meetwaarden uit 2016 en 2017 nog steeds tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering horen. 24.
  96. Eiseres heeft in dit kader aangevoerd dat de lozing van fenol voornamelijk afhankelijk is van de doorzet van de MLO-fabriek. In 2020 en 2021 zijn lagere fenolwaarden gemeten als gevolg van een vermindering van de doorzet vanwege de COVID-pandemie. De opgenomen lozingseisen voor fenol zijn in 2022 en begin 2023 naleefbaar gebleken, maar eiseres verwacht dat de lozing in de toekomst zal toenemen omdat deze gerelateerd is aan de doorzet en eiseres momenteel niet op maximale doorzet opereert. Eiseres heeft de door haar genoemde verklaring echter niet geconcretiseerd en onderbouwd met gegevens. De relatief hoge emissie van fenolen in 2016 en 2017 heeft zich in de jaren daarna niet meer voorgedaan. De rechtbank kan uit de verklaring van eiseres zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet afleiden waarom die relatief hoge emissie in 2016 en 2017 ten tijde van de vergunningverlening in 2023 nog steeds representatief zou zijn voor de reguliere beheerste bedrijfsvoering. De enkele niet onderbouwde verwijzing naar de oorlog in Oekraïne, maakt dit niet anders. 24.
  97. Eiseres voert verder aan dat het dagelijks bestuur voor alle drie de normeringen de lozingseis heeft opgenomen die hoort bij de 1% overschrijdingskans. Het dagelijks bestuur bedoelde echter de 0,1% overschrijdingskans op te nemen. Ook om die reden moeten de lozingseisen voor fenol volgens eiseres worden verhoogd. 24.
  98. Anders dan eiseres meent, heeft het dagelijks bestuur niet beoogd lozingseisen voor fenolen te bepalen met een overschrijdingskans van 0,1%. In het Icastat-rapport van 19 januari 2023 en in overweging 11.2.4 van de revisievergunning is toegelicht dat voor laagfrequente metingen (12 metingen per jaar of minder) een eis met een 1% overschrijdingskans is afgeleid. De eis voor fenolen is afgeleid op basis van een laagfrequente meetreeks van 12 metingen per jaar. Gelet op het voorgaande hoort daarbij een overschrijdingskans van 1%. 24.
  99. Het dagelijks bestuur heeft de lozingseisen voor fenolen naar het oordeel van de rechtbank op de juiste wijze met toepassing van LEA berekend. Bij lozingseisen die zijn bepaald met LEA, mag er in beginsel van worden uitgegaan dat de lozingseisen naleefbaar zijn. Bovendien wordt de naleefbaarheid bevestigd door het naleefbaarheidsplot voor fenolen dat het dagelijks bestuur heeft ingebracht. Eiseres heeft geen concrete gegevens ingebracht die tot een andere conclusie over de naleefbaarheid leiden. 24.
  100. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de lozingseisen voor fenolen niet met de nodige zorgvuldigheid zijn opgesteld of niet naleefbaar zijn. De beroepsgrond tegen de lozingseisen voor fenolen slaagt daarom niet. Titanium
  101. Voor titanium is in voorschrift 3.2 een voortschrijdende jaarvracht opgenomen van 312 kg/jaar. In voorschrift 3.3 is een etmaalmonster van 1,58 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,882 kg/etmaal opgenomen. 25.
  102. Deze lozingseisen zijn volgens eiseres niet haalbaar. Zij heeft alleen een voortschrijdende jaarvracht van 400 kg/jaar aangevraagd. Volgens eiseres zijn een voortschrijdende jaarvracht van 400 kg/jaar en een etmaalmonster van 9 kg/etmaal haalbaar gebleken. Eiseres wijt de te strenge lozingseisen aan het weglaten van uitschieters die het gevolg zijn van katalysatorwisselingen. Eiseres wijst ter ondersteuning van haar standpunt op afbeelding 3.6 uit het StAB-rapport en de notitie achtergrond titaniumvracht in bijlage 1.5 bij het StAB-rapport. 25.
  103. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat het moest afgaan op de gegevens die eiseres bij haar aanvraag heeft overgelegd. In die gegevens heeft eiseres de uitschieters als gevolg van de katalysatorwisselingen zelf verwijderd. Bijlage 1.5 bij het StAB-rapport en afbeelding 3.6 uit het StAB-rapport dateren van na de gegevensverstrekking ten behoeve van de aanvraag en na de vergunningverlening. Als deze nieuwe gegevens zouden worden meegewogen, zou de grondslag van de aanvraag worden verlaten. 25.
  104. De rechtbank stelt op grond van het StAB-rapport vast dat bij lozingen pieken in de emissie van titanium ontstonden op momenten dat titanium-bevattende katalysatoren werden vervangen. Er zijn ongeveer 20 katalysatorwisselingen per jaar, waarbij het ongeveer zes keer voorkomt dat er grote hoeveelheden katalysatoren worden gewisseld en de nu vergunde etmaalvracht wordt overschreden. De piekvrachten als gevolg van katalysatorwisselingen zijn niet meegenomen bij het afleiden van de lozingseis. Katalysatorwisselingen vinden echter regelmatig en voorspelbaar plaats. Gelet hierop is de rechtbank in navolging van de StAB van oordeel dat katalysatorwisselingen tot de reguliere, beheerste bedrijfsvoering horen. Dat betekent dat uitschieters als gevolg van katalysatorwisselingen hadden moeten worden meegenomen bij het afleiden van lozingseisen voor titanium. 25.
  105. De rechtbank volgt het dagelijks bestuur niet in het standpunt dat hiermee de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Eiseres heeft een lozing aangevraagd die volgens haar gepaard gaat met een voortschrijdende jaarvracht van 400 kg per jaar Bij de berekening van de aangevraagde lozingseis zijn uitschieters als gevolg van katalysatorwisselingen meegenomen. Eiseres heeft bij haar aanvraag echter abusievelijk aangegeven dat die uitschieters waren verwijderd. Met het herstel van deze fout heeft eiseres niet de grondslag van de aanvraag verlaten, maar alleen de onderbouwing van de aangevraagde lozingseis gewijzigd. De grondslag van de aanvraag wordt immers bepaald door de aangevraagde lozingseis. Eiseres heeft ook geen nieuwe feiten in het geding gebracht. Zij heeft het herstel van de door haar gemaakte fout gebaseerd op meetwaarden die zij al eerder in het kader van haar aanvraag heeft ingebracht. 25.
  106. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond tegen de lozingseisen voor titanium, omdat deze niet met de nodige zorgvuldigheid zijn opgesteld. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen, voor zover in voorschrift 3.2 de eis van een voortschrijdende jaarvracht van 312 kg/jaar en in voorschrift 3.3 de eis van een etmaalmonster van 1,58 kg/etmaal is gesteld. Zilver
  107. Voor zilver is in voorschrift 3.3 een etmaalmonster van maximaal 0,013 kg/etmaal opgenomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat deze lozingseis niet haalbaar is. Eiseres heeft een etmaalmonster van 0,02 kg/etmaal aangevraagd, en dit is volgens haar inmiddels ook haalbaar gebleken. Zij wijt de te lage lozingseis aan het weglaten van twee uitschieters die zich eind 2020 voordeden. 26.
  108. Het dagelijks bestuur heeft de piek eind 2020, waarvan twee waarden zijn verwijderd, naar het oordeel van de rechtbank als uitzonderlijk mogen beschouwen. Het dagelijks bestuur heeft geen oorzaak gevonden voor de piek. In de gegeven omstandigheden ligt het op de weg van eiseres om te onderbouwen dat de piek ten tijde van de vergunningverlening tot de reguliere, beheerste bedrijfsvoering behoorde. Eiseres is daarin niet geslaagd. Zij heeft aangevoerd dat een katalysatorwisseling leidt tot een piek en dat de meet- en analysefrequentie is verhoogd van maandelijks naar wekelijks. Daardoor is de kans dat een katalysatorwisseling wordt opgemerkt volgens eiseres hoger. Eiseres heeft echter niet gesteld dat eind 2020 een katalysatorwisseling heeft plaatsgevonden. Zij heeft ook verder niet inzichtelijk gemaakt dat de twee uitschieters eind 2020 tot de reguliere beheerste bedrijfsvoering behoren. Het dagelijks bestuur heeft deze twee meetwaarden dan ook buiten beschouwing mogen laten bij het afleiden van de lozingseisen. 26.
  109. Het dagelijks bestuur heeft de lozingseis voor zilver op de juiste wijze met toepassing van LEA berekend. Bij lozingseisen die zijn bepaald met LEA, mag er in beginsel van worden uitgegaan dat de lozingseisen naleefbaar zijn. Bovendien wordt de naleefbaarheid bevestigd door het naleefbaarheidsplot voor zilver dat het dagelijks bestuur heeft ingebracht. De stelling van eiseres dat sinds de inwerkingtreding van het bestreden besluit meerdere meldingen zijn gedaan van overschrijdingen van de norm voor zilver leidt niet tot een ander oordeel. De StAB heeft aangegeven dat de overschrijdingen wijzen op een wijziging in het lozingspatroon ten opzichte van de voorgaande jaren. Alleen daarom al volgt uit de latere overschrijdingen niet dat de lozingseis ten tijde van het bestreden besluit niet haalbaar was. 26.
  110. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de lozingseis voor zilver niet met de nodige zorgvuldigheid is opgesteld of ten tijde van het bestreden besluit niet naleefbaar was. De beroepsgrond tegen de lozingseis voor zilver slaagt niet. 1,2,4-trimethylbenzeen (TME) en 1,3,5-TME
  111. In de voorschriften 4.1 en 4.2 is voor 1,2,4-TME een maximale voortschrijdende jaarvracht bepaald van 8,60 kg/jaar, een etmaalmonster van 0,096 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,04 kg/etmaal. Eiseres heeft alleen een VRG-10 van 0,05 kg/etmaal aangevraagd. Volgens eiseres zijn een voortschrijdende jaarvracht van 9 kg/jaar en een etmaalmonster van 0,1 kg/etmaal haalbaar gebleken. Voor 1,2,5-TME zijn de lozingseisen in deze voorschriften bepaald op een maximale voortschrijdende jaarvracht van 4,02 kg/jaar, een etmaalmonster van 0,054 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,024 kg/etmaal. Eiseres heeft alleen een VRG-10 van 0,05 kg/etmaal aangevraagd. Volgens eiseres zijn een voortschrijdende jaarvracht van 8,6 kg/jaar, een etmaalmonster van 0,4 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,1 kg/etmaal haalbaar gebleken. 27.
  112. Eiseres voert aan dat de lozingseisen voor 1,2,4-TME en 1,3,5-TME niet haalbaar zijn. Volgens eiseres zijn de gebruikte data niet onder representatieve omstandigheden verkregen. De meetgegevens dateren van eind 2019 tot en met
  113. In die periode was de productie veel lager. Eiseres heeft de beschikbare data aangevuld met meetgegevens uit 2022 en de eerste helft van
  114. De meetgegevens uit die periode leiden volgens haar tot hogere lozingseisen. 27.
  115. De rechtbank stelt voorop dat de meetgegevens die eiseres in het kader van de vergunningaanvraag heeft ingebracht, deel uitmaken van de aanvraag. De lozingseisen zijn met toepassing van LEA afgeleid op basis van metingen van eind 2019 t/m
  116. Van de jaren daarvoor zijn geen meetgegevens beschikbaar. Eiseres heeft de meetgegevens uit 2022 en 2023 pas in de fase van het beroep tegen het bestreden besluit naar voren gebracht. Met de nieuwe meetgegevens heeft eiseres de grondslag van de aanvraag verlaten. De door haar aangevraagde lozingseisen zijn immers niet gebaseerd op meetgegevens uit 2022 en
  117. Het dagelijks bestuur heeft deze meetgegevens niet kunnen beoordelen ten behoeve van de vergunningverlening. Eiseres kan op basis van de nieuwe meetgegevens eventueel een aanvraag indienen voor wijziging van de lozingseisen voor deze stoffen. De nieuwe meetgegevens kunnen echter geen rol spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De beroepsgronden van eiseres tegen de lozingseisen voor 1,2,4-TME en 1,3,5-TME slagen dan ook niet. Benzeen en tolueen
  118. Voor benzeen is in de voorschriften 4.1 en 4.2 een maximale voortschrijdende jaarvracht opgenomen van 772 kg/jaar, een etmaalmonster van 14,6 kg/etmaal en een VRG-10 van 5 kg/etmaal. Eiseres acht de VRG-10 niet haalbaar. Zij heeft een VRG-10 van 8 kg/etmaal aangevraagd en dat blijkt volgens haar inmiddels haalbaar te zijn.Voor tolueen is in de voorschriften 4.1 en 4.2 een voortschrijdende jaarvracht opgenomen van 117 kg/jaar, een etmaalmonster van 2,47 kg/etmaal en een VRG-10 van 1,1 kg/etmaal. Eiseres acht de voortschrijdende jaarvracht en de VRG-10 niet haalbaar. Voor tolueen heeft eiseres een VRG-10 van 2 kg/etmaal aangevraagd. Inmiddels is volgens eiseres een voortschrijdende jaarvracht van 150 kg en een VRG-10 van 2 kg/etmaal haalbaar gebleken. 28.
  119. Het dagelijks bestuur heeft de meetdata uit 2016 en 2017 niet meegenomen, omdat sprake was van een dalende trend in het lozingspatroon. Volgens het dagelijks bestuur zijn de gegevens uit die jaren niet representatief, omdat sprake was van een hogere lozing van monocyclische-aromatische koolwaterstoffen (waaronder benzeen en tolueen) als gevolg van de turnaround en het opstarten van de MSPO1 en van een lekkage van afvalwater uit de Zimpro. Eind 2017 zijn de riolen van de MLO schoongemaakt, wat volgens het dagelijks bestuur ook tot een hogere benzeenvracht en een hogere tolueenvracht heeft geleid. 28.
  120. Eiseres voert aan dat de meetgegevens uit de jaren 2016 en 2017 wel moeten worden meegenomen. Benzeen komt vrij bij processtromen uit de MSPO1- en MSPO2-fabrieken. Tolueen komt vrij bij MLO en ook (als bijproduct) bij MSPO. Bij MSPO komt tolueen vrij bij een aantal proces afvalwaterstromen samen met benzeen. Voor zowel benzeen als tolueen geldt dat een turnaround of onderhoudsstop van een MSPO-fabriek juist tot een lagere emissie zou leiden. De hoge emissies in 2016 zijn daar dus niet aan te wijten. In 2017 zijn de riolen weliswaar schoongemaakt, maar dat heeft alleen in de laatste maanden effect gehad op de lozing. Daarom hoeft volgens eiseres niet het hele jaar buiten beschouwing te worden gelaten. 28.
  121. De beroepsgrond tegen het buiten beschouwing laten van de meetdata uit 2016 en 2017 voor benzeen en tolueen slaagt niet. Het dagelijks bestuur mocht die meetdata buiten beschouwing laten omdat sprake was van een statistisch relevante dalende trend. De rechtbank wijst op wat zij hiervoor in overweging 22.1 – 22.5 heeft overwogen. De nadere toelichting van eiseres brengt daar geen verandering in. Uit de nadere toelichting volgt dat er geen verband bestaat tussen de hoge emissies van benzeen en tolueen en de turnaround of onderhoudsstop van de MSPO1-fabriek. Deze nadere toelichting is niet bestreden. De rechtbank gaat van de juistheid daarvan uit. Het dagelijks bestuur heeft dan ook op onjuiste gronden aangenomen dat de hoge emissies van benzeen en tolueen destijds (in 2016) geen onderdeel waren van de reguliere beheerste bedrijfsvoering. Dat doet echter niet af aan de dalende trend. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de hoge benzeen- en tolueenemissies in 2016 en 2017 in 2023 nog steeds representatief zijn voor de reguliere, beheerste bedrijfsvoering. De stelling van eiseres dat niet het hele jaar 2017 buiten beschouwing hoefde te blijven, maakt dit niet anders. Het dagelijks bestuur heeft er op grond van statistische analyse van de meetgegevens voor mogen kiezen om de sterk afwijkende meetreeks van de jaren 2016 en 2017 buiten beschouwing te laten. 28.
  122. Over de periode 2018 tot en met 2021 heeft het dagelijks bestuur negen uitschieters uit de meetgegevens van benzeen verwijderd en zes uitschieters uit de meetgegevens van tolueen. Eiseres heeft het verwijderen van de uitschieters die zich voordeden op 27 september 2019 bestreden. Die uitschieters zijn verwijderd, omdat de hoge benzeen- en tolueenemissies volgens het dagelijks bestuur samenhangen met de turnaround of onderhoudsstop van de MSPO2-fabriek in
  123. Eiseres heeft echter aannemelijk gemaakt dat dit verband ontbreekt. Het dagelijks bestuur had deze uitschieters dan ook niet buiten beschouwing mogen laten bij het afleiden van de bestreden lozingseisen. De bestreden lozingseisen zijn op dit punt niet op de juiste wijze afgeleid. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit onderdeel vernietigen. Het dagelijks bestuur dient de VRG-10 voor benzeen en de voortschrijdende jaarvracht en VRG-10 voor tolueen opnieuw af te leiden met inachtneming van de betreffende uitschieters van 27 september
  124. 28.
  125. Het voorgaande zal naar verwachting niet volledig tot de door eiseres gewenste aanpassing van de lozingseisen voor benzeen en tolueen leiden. De rechtbank zal daarom ook ingaan op de vraag of deze met LEA afgeleide vergunde lozingseisen niet naleefbaar zijn. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat het dagelijks bestuur naleefbaarheidsplots heeft opgesteld met meetgegevens tot en met
  126. Uit de betreffende naleefbaarheidsplots heeft het dagelijks bestuur mogen afleiden dat de maximale VRG-10 voor benzeen en tolueen en de voortschrijdende jaarvracht voor tolueen naleefbaar zijn gebleken. Het betoog van eiseres om tot een verdergaande aanpassing van deze lozingseisen te komen, slaagt niet.Naftaleen
  127. In voorschrift 4.1 is voor naftaleen een voortschrijdende jaarvracht van 25,1 kg/jaar opgenomen. In voorschrift 4.2 is een etmaalmonster van 0,52 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,15 kg/etmaal opgenomen. Eiseres acht de jaarvracht en de VRG-10 niet haalbaar. Zij heeft alleen een etmaalmonster van 0,4 kg/etmaal aangevraagd. Volgens haar is een voortschrijdende jaarvracht van 35 kg/jaar en een VRG-10 van 0,35 kg/etmaal haalbaar. 29.
  128. Eiseres voert aan dat de meetdata uit 2016 en 2017 ten onrechte niet zijn meegenomen. Ook is volgens eiseres ten onrechte een uitschieter verwijderd. 29.
  129. De meetgegevens uit de jaren 2016 en 2017 zijn niet meegenomen, omdat volgens het dagelijks bestuur sprake is van een statistisch relevante dalende trend. Eiseres verwijt het dagelijks bestuur dat het geen verklaring voor deze daling heeft gegeven. In de voorgaande overwegingen heeft de rechtbank al geoordeeld dat het dagelijks bestuur daartoe niet verplicht is. De dalende trend rechtvaardigt het vermoeden dat de meetwaarden uit 2016 en 2017 niet meer representatief zijn voor de gebruikelijke beheerste procesvoering ten tijde van de vergunningverlening. Het ligt op de weg van eiseres om met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat deze meetwaarden nog wel representatief zijn. Eiseres heeft dat niet gedaan. Het dagelijks bestuur mocht de jaren 2016 en 2017 dan ook buiten beschouwing laten bij het afleiden van de lozingseisen voor naftaleen. 29.
  130. Het dagelijks bestuur heeft een uitschieter van 17 januari 2022 buiten beschouwing gelaten, omdat die het gevolg zou zijn van een lekkage bij de MSPO
  131. Volgens eiseres is dat niet juist, omdat naftaleen nagenoeg niet aanwezig is in de MSPO
  132. Deze uitleg van eiseres is niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen verband is tussen een lekkage bij de MSPO2 en de hoge emissie van naftaleen. De StAB heeft geconstateerd dat daarmee niet bekend is wat de oorzaak is geweest van deze hoge emissie. Het dagelijks bestuur heeft op een onjuiste grond aangenomen dat deze uitschieter niet tot de representatieve bedrijfsvoering behoorde. De oorzaak van de hoge naftaleenemissie is niet bekend. Het dagelijks bestuur had deze uitschieter dan ook niet mogen verwijderen. De bestreden jaarvracht en VRG-10 zijn niet op de juiste wijze afgeleid. De rechtbank zal deze onderdelen van het bestreden besluit dan ook vernietigen. Het dagelijks bestuur dient de voortschrijdende jaarvracht en VRG-10 opnieuw af te leiden met inachtneming van de uitschieter van 17 januari
  133. 29.
  134. Het voorgaande zal naar verwachting niet tot de door eiseres gewenste aanpassing van de lozingseisen tot een jaarvracht van 35 kg/jaar en een VRG-10 van 0,35 kg/etmaal leiden. De rechtbank zal daarom ook ingaan op de vraag of deze met LEA afgeleide vergunde lozingseisen niet naleefbaar zijn. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat het dagelijks bestuur naleefbaarheidsplots heeft opgesteld met meetgegevens tot en met
  135. Daaruit blijkt dat deze vergunde lozingseisen voor naftaleen in het validatiedeel van 2022 zijn overschreden. Volgens het dagelijks bestuur was dit echter het gevolg van een ongewoon voorval. Ter onderbouwing wijst het dagelijks bestuur op informatie uit het milieujaarverslag 2022 van eiseres, waaruit blijkt dat door incidenten een toename van de emissie van naftaleen is opgetreden. Eiseres heeft dit onvoldoende weersproken. Zij heeft geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat de verhoogde naftaleenemissie niettegenstaande de informatie in het milieujaarverslag toch tot de gebruikelijke, beheerste bedrijfsvoering behoorde. Daarom hoefde het dagelijks bestuur in de naleefbaarheidsplots geen aanleiding te zien om de bestreden lozingseisen voor naftaleen bij te stellen. Ook verder leidt het betoog van eiseres niet tot de conclusie dat de bestreden lozingseisen voor naftaleen, afgezien van de correctie in verband met de ten onrechte verwijderde uitschieter van 17 januari 2022, niet naleefbaar zijn.Tussenconclusie
  136. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden tegen de lozingseisen voor aluminium, titanium, benzeen, tolueen en naftaleen. De rechtbank zal - voorschrift 3.2 vernietigen voor zover het de maximale voortschrijdende jaarvracht voor aluminium en titanium betreft;- voorschrift 3.3 vernietigen voor zover het de VRG-10 en het etmaalmonster voor titanium betreft;- voorschrift 4.1 voor zover het de maximale voortschrijdende jaarvracht voor tolueen en naftaleen betreft; - voorschrift 4.2 voor zover het de VRG-10 voor benzeen, tolueen en naftaleen betreft. Diversiteit parameters/normeringen Algemeen
  137. Eiseres voert aan dat voor bepaalde stoffen ten onrechte verschillende typen lozingseisen zijn geformuleerd, die zij niet heeft aangevraagd. Het toetsen van verschillende normeringen van zoveel parameters is in de praktijk lastig hanteerbaar. Het leidt tot verwarring en levert een zware en onrechtvaardige administratieve belasting voor eiseres op. Volgens eiseres dient het aantal typen lozingseisen zoveel mogelijk te worden beperkt. Zij heeft in tabel A van haar notitie aan de StAB (Bijlage 1.4 StAB-rapport, hierna: de tabel) met een oranje markering aangegeven welke normeringen volgens haar zouden moeten vervallen. 31.
  138. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat beperking van het aantal typen lozingseisen niet mogelijk is. Het dagelijks bestuur streeft bepaalde doeleinden na met verschillende combinaties van lozingseisen. Gelet op die doeleinden is gekozen voor een type tot vier typen lozingseisen per stof. Uit overleg is gebleken dat eiseres gebruik maakt van een geautomatiseerd systeem, waardoor de administratieve belasting volgens het dagelijks bestuur beperkt blijft. 31.
  139. De rechtbank volgt eiseres niet in deze algemene beroepsgrond. Het dagelijks bestuur heeft voor de vaststelling van lozingseisen gebruik gemaakt van het document “Lozingseisen Wvo-vergunning”. Dit document is in bijlage 1 van de Mor aangeduid als informatiedocument voor BBT. In dit document is toegelicht dat het doel van de lozingseis in belangrijke mate bepaalt voor welke type lozingseis wordt gekozen. Daarbij is van belang dat met een lozingseis vaak meerdere doelen worden nagestreefd. Het dagelijks bestuur is bevoegd om typen lozingseisen te stellen die niet zijn aangevraagd. Dat moet dan wel nodig zijn met het oog op de met de verlening van de revisievergunning te dienen doeleinden of de bescherming van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. Het dagelijks bestuur dient dat te onderbouwen. 31.
  140. Bij de afweging om verschillende typen lozingseisen op te leggen, dient het dagelijks bestuur ook rekening te houden met bezwaren die dit voor eiseres met zich brengt. Eiseres heeft als algemeen bezwaar aangevoerd dat de verschillende typen lozingseisen een zware administratieve belasting betekenen. Zij heeft echter niet weersproken dat zij gebruik maakt van een geautomatiseerd systeem waardoor de administratieve belasting beperkt blijft. Gelet hierop gaat de rechtbank er met het dagelijks bestuur van uit dat de enkele administratieve belasting van eiseres niet in de weg staat aan het opleggen van verschillende typen lozingseisen. 31.
  141. De rechtbank zal hierna ingaan op concrete beroepsgronden van eiseres tegen bepaalde typen lozingseisen. Dagvrachten
  142. Eiseres voert aan dat onduidelijk is welk doel de dagvrachten nog dienen, nu het dagelijks bestuur deze niet nader heeft toegelicht. 32.
  143. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de dagvrachten dienen voor het borgen van een goede werking van zuiveringstechnische voorzieningen, CPI’s en/of TPI’s, het transportstelsel, het persstation en de awp en de rwzi. Het dagelijks bestuur acht de dagvrachten ook van belang voor de snelheid van handhaving. Tijdens de zitting heeft het dagelijks bestuur aangegeven dat de snelheid van handhaving het belangrijkste doel van de dagvrachten is. 32.
  144. Eiseres stelt daar tegenover dat dagvrachten aan de eindlozing met een mengsel van allerlei interne stromen niets zeggen over de werking van individuele interne zuiveringsvoorzieningen zoals CPI/TPI’s van deelstromen. Voor de borging van de werking van het transportstelsel en persstation, de awp en de rwzi Bath is die eenduidigheid er volgens eiseres ook niet, althans niet voor alle stoffen. 32.
  145. De beroepsgrond tegen de dagvrachten slaagt niet. De rechtbank gaat er in navolging van de StAB van uit dat dagvrachten snel inzicht geven in wat dagelijks wordt geloosd. Daarmee dragen ze bij aan de snelheid van handhaving. Dit voordeel van dagvrachten is ook genoemd in bijlage 5 van het document “Lozingseisen Wvo-vergunning”. Het dagelijks bestuur heeft in het bestreden besluit naar dit document verwezen. Daarmee heeft het de noodzaak om dagvrachten op te nemen naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht. De bijdrage van lozingseisen in de vorm van dagvrachten aan de snelheid van handhaving, is al voldoende voor de conclusie dat het dagelijks bestuur tot het stellen van dagvrachten heeft kunnen komen. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan wat is aangevoerd over de relatie tussen dagvrachten en het borgen van de goede werking van interne zuiveringsvoorzieningen van eiseres, het transportstelsel, het persstation, de awp en de rwzi. Jaargemiddelde concentratie/ 10 monstergemiddelde concentratie
  146. Het dagelijks bestuur heeft lozingseisen gesteld aan de concentratie. Het gaat om een voortschrijdende gewogen jaargemiddelde concentratie of een 10 monstergemiddelde concentratie voor chroom, CZV, koper, nikkel, N-totaal, P-totaal, zink en AOX. Voor deze stoffen zijn ook lozingseisen gesteld aan de voortschrijdende jaarvracht of 10 monstergemiddelde vracht. 33.
  147. Eiseres voert aan dat een norm voor een jaargemiddelde concentratie of 10 monstergemiddelde concentratie weinig zinvol is, omdat deze direct is te herleiden uit een jaargemiddelde vracht of een 10 monstergemiddelde vracht en een gemiddeld debiet. 33.
  148. Volgens het dagelijks bestuur volgen de lozingseisen van een jaargemiddelde concentratie rechtstreeks uit de BBT-conclusie Afgas- en afvalwaterbehandeling. Dit type lozingseis is nodig om de goede werking van zuiveringstechnische voorzieningen, CPI’s en/of TPI’s te borgen. De lozingseis voor concentratie kan volgens het dagelijks bestuur iets toevoegen aan een lozingseis voor de vracht, omdat het debiet niet altijd constant is.Het dagelijks bestuur heeft de lozingseis voor een VRG-10 voor de concentratie calcium en magnesium opgenomen voor de bescherming van de goede werking van het transportstelsel, het persstation en de awp. 33.
  149. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur niet deugdelijk gemotiveerd waarom een lozingseis in de vorm van een jaargemiddelde concentratie voor de betrokken stoffen nodig is. De rechtbank overweegt met de StAB dat de BBT-conclusie Afgas- en afvalwaterbehandeling inderdaad BAT-AEL's (BBT Associated Emission Levels) vastlegt. Een BAT-AEL is een range die aangeeft wat het BBT geassocieerde emissieniveau op brancheniveau is. Het dagelijks bestuur dient dit emissieniveau in de revisievergunning te vertalen naar een emissiegrenswaarde voor het bedrijf van eiseres. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om aan de hand van deze ranges een voor het bedrijf specifieke lozingseis af te leiden. Het dagelijks bestuur hoeft dus niet voor een lozingseis in de vorm van een jaargemiddelde concentratie te kiezen. Gelet hierop ligt het op de weg van het dagelijks bestuur om toe te lichten wat de lozingseis van de jaargemiddelde concentratie toevoegt aan de andere lozingseisen. De enkele verwijzing naar de BBT-conclusie is daarvoor niet voldoende. 33.
  150. Het dagelijks bestuur heeft voor de betrokken stoffen ook lozingseisen gesteld in de vorm van een voortschrijdende jaarvracht, etmaalmonster en VRG-
  151. Het dagelijks bestuur stelt terecht dat de lozingseis voor een (jaar)gemiddelde concentratie informatie kan toevoegen aan de andere lozingseisen, omdat het debiet niet altijd constant is. Voor de bescherming van het zuiveringtechnisch werk is echter met name van belang of er pieklozingen optreden. Die zijn niet af te leiden uit een (jaar)gemiddelde concentratie. De rechtbank overweegt met de StAB dat een (jaar)gemiddelde concentratie weinig toevoegt, omdat de totale vracht niet hoger mag zijn dan is vastgelegd als voortschrijdende jaarvracht, vracht in een etmaalmonster en in een VRG-
  152. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom de lozingseis van een debietgewogen jaargemiddelde concentratie nodig is om de goede werking van zuiveringstechnische voorzieningen, CPI’s of TPI’s te borgen. 33.
  153. Het dagelijks bestuur heeft voor calcium lozingseisen gesteld in de vorm van een voortschrijdende jaarvracht en een voortschrijdende gemiddelde concentratie van 10 opeenvolgende etmaalmonsters. 33.
  154. Eiseres wil dat de lozingseis voor de voortschrijdende jaarvracht wordt verwijderd. Zij voert daartoe aan dat de lozing van calcium al (impliciet) is geregeld met voorschrift 3.6 over de scalingsindex. De scalingsindex is belangrijk als norm om afzetting van zouten te voorkomen. Het separaat normeren van calcium dient volgens haar geen doel. Verder voert zij aan dat een norm voor een 10 monstergemiddelde concentratie weinig zinvol is, omdat deze direct is te herleiden uit een jaargemiddelde vracht en een gemiddeld debiet. 33.
  155. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de twee lozingseisen voor calcium nodig zijn ter bescherming van de doelmatige werking van de zuiveringtechnische werken. Door de grote hoeveelheid bicarbonaten in combinatie met de aanwezigheid van calcium in het afvalwater is de afzetting van calcium in de persleiding een zeer groot risico. Gelet hierop is het nodig om een norm voor een 10 monstergemiddelde concentratie te stellen. De aanvullende lozingseis voor de voortschrijdende jaarvracht is volgens het dagelijks bestuur nodig om de gebruiksruimte van eiseres vast te leggen. 33.
  156. In de beleidsregels “Doelmatige werking zuiveringstechnische werken Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel” (de beleidsregels) is een toetsingswaarde voor calcium opgenomen, die is gericht op de bescherming van de doelmatige werking van de zuiveringtechnische werken. Het dagelijks bestuur heeft deze toetsingswaarde vertaald naar lozingseisen in de vorm van een voortschrijdende jaarvracht en 10 monstergemiddelde concentratie. De rechtbank kan eiseres niet volgen in de stelling dat het dagelijks bestuur daarmee een onjuiste interpretatie van zijn eigen doelmatigheidsbeleid heeft gegeven. Het dagelijks bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat er een groot risico bestaat op afzetting van calcium in de persleiding. Gelet daarop heeft het dagelijks bestuur tot de conclusie mogen komen dat het nodig is om een lozingseis voor de 10 monstergemiddelde concentratie te stellen. Het dagelijks bestuur heeft ook een lozingseis voor de voortschrijdende jaarvracht in de revisievergunning mogen opnemen om de gebruiksruimte voor eiseres vast te leggen. De omstandigheid dat het voorschrift over de maximale scalingsindex van het te lozen afvalwater (voorschrift 3.6) ook grenzen stelt aan de lozing van calcium maakt dit niet anders. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een afzonderlijke lozingseis voor calcium een toegevoegde waarde heeft voor de bescherming van de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werking.Voortschrijdende jaarvracht in combinatie met 10 monstergemiddelde vracht
  157. Het dagelijks bestuur heeft voor fenolen, Kjeldahl-stikstof en titanium naast een voortschrijdende jaarvracht en een etmaalwaarde ook een lozingseis voor een 10 monstergemiddelde vracht opgenomen. 34.
  158. Eiseres bestrijdt de combinatie van een voortschrijdende jaarvracht met een 10 monstergemiddelde vracht. Zij voert aan dat in de voorheen geldende watervergunning sprake was van een jaarvracht in plaats van een voortschrijdende jaarvracht. Daardoor had een 10 monstergemiddelde vracht (VRG-10) toegevoegde waarde als voorspeller voor het oplopen van de jaarvracht. Nu in de huidige vergunning een voortschrijdende jaarvracht staat, is een 10 monstergemiddelde vracht volgens eiseres niet meer nodig. Eiseres wil dat de lozingseisen van de 10 monstergemiddelde vracht voor deze drie stoffen vervallen. 34.
  159. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat deze combinatie van lozingseisen nodig is voor de doelmatige werking van de rwzi. De VRG-10 is van belang om de kwaliteit van het zuiveringsslib te beschermen. In een watervergunning worden in het algemeen een lozingseis voor een etmaalmonster en een VRG-10 opgenomen. Bij een significante lozing op de rwzi wordt een jaarvracht toegevoegd. De combinatie van een VRG-10 met een voortschrijdende jaarvracht is in het algemeen nodig vanwege de hogere spreiding in een VRG-10, voor de snelheid van handhaving en als een hogere vracht in de aanvraag is afgeleid dan vergund. Volgens het dagelijks bestuur is voor de stoffen fenol, Kjeldahl-stikstof en titanium een iets hogere lozingseis in de vorm van een VRG-10 opgenomen om discussie bij handhaving te voorkomen. De bijdrage van de VRG-10 aan de snelheid van handhaving geldt minder voor stoffen met een maandelijkse monitoringsfrequentie, zoals fenol. Bij fenolen is de combinatie van lozingseisen mogelijk dubbelop, aldus het dagelijks bestuur. 34.
  160. De StAB maakt uit het standpunt van het dagelijks bestuur op dat de extra lozingseis van de 10 monstergemiddelde vracht leidt tot een sneller inzicht in de lozing. Het dagelijks bestuur heeft daarbij enige ruimte willen bieden, zodat deze extra lozingseis niet leidt tot aanscherping. Voor de drie genoemde stoffen is naast een voortschrijdend jaargemiddelde echter ook een lozingseis voor de etmaalwaarde opgelegd. Het is voor de StAB niet duidelijk wat een VRG-10 aan de andere twee lozingseisen toevoegt, temeer nu de 10 monstergemiddelde vracht is afgeleid van het voortschrijdende jaargemiddelde, en daar slechts heel beperkt 'ruimte' aan is toegevoegd. 34.
  161. Gelet op het advies van de StAB heeft het dagelijks bestuur naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom het nodig is om voor deze drie stoffen een VRG-10 in de revisievergunning op te nemen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke toegevoegde waarde de VRG-10 ten opzichte van de twee andere typen lozingseisen heeft voor de snelheid van handhaving. Ten aanzien van fenolen klemt dit temeer, nu daarbij slechts sprake is van een maandelijkse monitoringsfrequentie. Het dagelijks bestuur heeft tijdens de zitting aangegeven dat de VRG-10 de dagvracht verder aanscherpt om de kwaliteit van het zuiveringsslib te beschermen. De dagvracht is echter ook verder aangescherpt in de voortschrijdende jaarvracht. Het dagelijks bestuur heeft niet toegelicht wat de toegevoegde waarde van de aanscherping in de VRG-10 is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de VRG-10 is afgeleid van het voortschrijdend jaargemiddelde en dat daar slechts heel beperkt ruimte aan is toegevoegd. Voor zover de VRG-10 toch enige toegevoegde waarde heeft, heeft het dagelijks bestuur niet duidelijk gemaakt of die toegevoegde waarde voldoende is om het opleggen van de VRG-10 naast de twee andere typen lozingseisen te rechtvaardigen. Tussenconclusie
  162. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden tegen de diversiteit aan typen lozingseisen ten dele. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij: - in voorschrift 3.3 een VGG-jaar is opgenomen voor chroom, CZV, koper, nikkel, N-totaal, P-totaal en zink;- in voorschrift 3.3 een VRG-10 is opgenomen voor fenolen, Kjeldahl-stikstof en titanium;- in voorschrift 4.2 een VGG-jaar is opgenomen voor AOX. Voorschrift 3.7: vervuilingswaarde
  163. Voorschrift 3.7 luidt: “De verhouding van de hoeveelheid te lozen afvalwater/vervuilingswaarde mag in een voortschrijdend gemiddelde van 10 opeenvolgende volume proportionele etmaalmonsters, die niet noodzakelijkerwijs aaneengesloten genomen behoeven te zijn, maximaal 386 liter per inwonerequivalenten per dag bedragen.” In dit voorschrift is bepaald dat het afvalwater van eiseres een minimale mate van vervuiling moet hebben. Het voorschrift is opgenomen om te voorkomen dat er te veel (relatief) schoon water op de rwzi wordt geloosd. Dit beïnvloedt de werking van de rwzi in negatieve zin. 36.
  164. Eiseres voert aan dat zij voorschrift 3.7 niet kan naleven bij bepaalde geplande afwijkende activiteiten (niet zijnde ongewone voorvallen), zoals onderhoud, waarbij dunner (schoner) afvalwater kan ontstaan. Het is een gegeven dat deze geplande afwijkende activiteiten plaatsvinden en niet zijn te voorkomen. Dat geldt ook voor de bijbehorende lozingen, en daarom zijn deze aangevraagd. Deze lozing is echter ten onrechte niet vergund en dus ook niet toegestaan. Eiseres wil dat de mogelijkheid om een afwijkende activiteit aan te vragen in de vergunning wordt geborgd met een vergunningvoorschrift. 36.
  165. Het dagelijks bestuur stelt dat eiseres op 2 december 2021 heeft doorgegeven geen geplande afwijkende omstandigheden van de gebruikelijke beheerste procesvoering aan te willen vragen. Afwijkende lozingssituaties zoals deze heeft eiseres dus niet aangevraagd. Wat eiseres niet heeft aangevraagd kan het dagelijks bestuur noch verlenen noch weigeren. 36.
  166. Uit het StAB-rapport volgt dat het voor kan komen dat het afvalwater van eiseres schoner is dan met voorschrift 3.7 is toegestaan, bijvoorbeeld bij onderhoudsactiviteiten. Het voorschrift biedt ruimte voor enige schommeling in de verontreiniging van het water doordat dit wordt beoordeeld op basis van een voortschrijdend gemiddelde, maar bij langere onderhoudsperiodes kan het voorschrift beperkend zijn. 36.
  167. In overweging 17 bij het bestreden besluit staat over lozingen bij geplande afwijkende activiteiten het volgende vermeld: “Daarnaast worden in de aanvraag de volgende geplande afwijkende activiteiten met een (incidentele) lozingen op het rood riool genoemd, te weten: een lozing tijdens opstart- en uit bedrijf nemen en leeg maken van fabrieken en onderhoudswerkzaamheden bij een ‘turnaround’, gemiddeld een keer per vier tot zes jaar; een lozing natriumnitriet drains vrijkomend als ‘klein equipment Butadieen services’ na onderhoudsstop in gebruik wordt genomen; een lozing van hemelwater uit rode vijver ten gevolge van directe regenval in de vijver, gemiddeld een keer per twee jaar. Deze geplande afwijkende activiteiten met (incidentele) lozingen, heeft SNC niet uitgewerkt in de aanvraag en worden door SNC uitgewerkt in een vooraf te overleggen milieuplan en/of een melding. Gegevens die het waterschap voor de beoordeling van dat milieuplan en/of melding tenminste nodig heeft, zijn: de betreffende situatie, de aanvang en de tijdsduur van de uitvoering; hoe de planning met het waterschap zal worden afgestemd; de gevolgen die de afwijkende situatie heeft voor de kwaliteit van het vrijkomende afvalwater; e voorzorgsmaatregelen die SNC neemt om nadelige gevolgen van de lozing voor het ontvangende oppervlaktewater en/of de doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken van het waterschap te voorkomen dan wel te beperken; het effect van de voorzorgsmaatregelen op de kwaliteit van het vrijgekomen afvalwater; de alternatieven die SNC heeft overwogen om nadelige gevolgen van de lozing voor het ontvangende oppervlaktewater en/of de doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken van het waterschap te voorkomen dan wel te beperken; het effect van de alternatieven op de kwaliteit van het vrijgekomen afvalwater; oe en waar de lozing extra zal worden gemonitord, gerapporteerd en geëvalueerd. Indien bij de keuze argumenten worden gebruikt die te maken hebben met kosteneffectiviteit, dienen de onderliggende gegevens aan het waterschap te worden overgelegd. Omdat de gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken van het waterschap vooraf niet kunnen worden ingeschat zijn lozingen van de geplande afwijkende activiteiten niet vergund.” 36.
  168. Tussen partijen is niet in geschil dat een voorschrift van gelijke strekking als voorschrift 3.7 ook in de voorgaande vergunning van eiseres uit 2009 was opgenomen. Volgens eiseres gold er toentertijd wel een ruimere norm, namelijk een vervuilingswaarde van 553 liter per inwonerequivalenten per dag. Volgens het dagelijks bestuur stond in de voorgaande vergunning echter ook een onderzoeks- en saneringsverplichting om uiterlijk 24 maanden na het van kracht worden van de vergunning te voldoen aan de maximale verhouding van 386 liter per inwonerequivalenten per dag. De rechtbank beschikt niet over de voorgaande vergunning en kan daarom niet beoordelen of dit juist is. De rechtbank stelt wel vast dat ook onder de oude vergunning partijen de praktijk hadden dat eiseres bij onderhoudsactiviteiten een milieuplan opstelt dat door het dagelijks bestuur wordt beoordeeld, en dat het dagelijks bestuur na beoordeling van het milieuplan de lozing door eiseres veelal toestond. De rechtbank leidt uit die praktijk af dat eiseres kennelijk ook onder de voorgaande vergunning niet altijd aan het toentertijd geldende voorschrift 3.7 kon voldoen. 36.
  169. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of eiseres nu wel lozingen voor geplande afwijkende activiteiten heeft aangevraagd, zodat het dagelijks bestuur hierover had moeten besluiten. De rechtbank leidt uit de aanvraag af dat eiseres dat niet heeft gedaan. De rechtbank leest op pagina 49 van de toelichting van eiseres op de aanvraag juist dat eiseres voor geplande afwijkende situaties met lozingen een milieuplan zal opstellen en voorleggen aan het dagelijks bestuur. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiseres kennelijk de bestaande praktijk wenst voort te zetten. Eiseres heeft ook in haar zienswijze op het ontwerpbesluit niet voldoende kenbaar gemaakt dat zij lozingen voor geplande afwijkende activiteiten heeft beoogd aan te vragen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur voorschrift 3.7 niet had kunnen stellen. Dat eiseres voorschrift 3.7 bij bepaalde geplande afwijkende activiteiten niet kan naleven, doet hieraan niet af, omdat zij die geplande afwijkende activiteiten niet heeft aangevraagd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Voorschrift 5.1, 6.1 en 7.1: lozingseisen aan deelstromen
  170. In deze voorschriften zijn lozingseisen opgenomen ter plaatse van de separate olie-waterafscheiders (5.1), de afloop van de UASB (6.1) en de afloop V801 (7.1). Het gaat om lozingseisen aan deelstromen. De lozingseis voor minerale olie ter plaatse van de afloop van de separate olie-waterafscheiders gaat onmiddellijk in. Vanaf 1 januari 2025 moeten de deelstromen ten minste voldoen aan de bovengrens van de BBT geassocieerde emissiegrenswaarden voor AOX, chroom, koper, nikkel, zink en onopgeloste bestanddelen. Deze lozingseisen zijn nieuw ten opzichte van de voorheen geldende watervergunning. Die vergunning bevatte alleen lozingseisen aan de totaalstroom. 37.
  171. Eiseres voert aan dat normering op deelstroomniveau niet geoorloofd is. De vergunningplicht heeft alleen betrekking op de lozing van de totaalstroom naar de rwzi. Met normering van die lozing is de goede werking van de rwzi en de waterkwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater al geborgd. Het dagelijks bestuur wijst ten onrechte op de BREF CWW. De daarin opgenomen lozingseisen gelden voor directe lozingen op het oppervlaktewater ná de eindbehandeling. Die lozingseisen gelden niet voor (interne) deelstromen en/of indirecte lozingen op een riool gevolgd door de eindbehandeling in een rwzi. Eiseres heeft ook aangevoerd dat onduidelijk is of de lozingseisen naleefbaar zijn. De lozingseisen die vanaf 1 januari 2025 gelden, zijn niet naleefbaar. Eiseres onderbouwt de niet-naleefbaarheid met metingen vanaf begin juni
  172. 37.
  173. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat het nodig is om lozingseisen aan deze deelstromen te stellen. De voorbehandeling op locatie leidt tot een hogere bescherming voor het milieu, omdat de rwzi niet is ontworpen voor verwijdering van deze stoffen. De BBT geassocieerde emissiewaarden voor deze stoffen uit de BBT-conclusie CWW mogen een-op-een gebruikt worden voor de deelstromen. In de revisievergunning is de bovenkant van de BBT geassocieerde emissiewaarden opgenomen. Het klopt dat een aantal deelstromen niet voldoet aan de lozingseisen. De voorschriften 9 en 10 verplichten tot onderzoek naar mogelijkheden tot reductie van de vrachten. Om te voorkomen dat (het onderzoek naar en) het treffen van maatregelen steeds wordt uitgesteld, zijn doelschriften gesteld die gelden vanaf 1 januari
  174. Dit is de termijn waarbinnen volgens de rapportages van voorschrift 9 en 10 duidelijk kan zijn of en welke maatregelen haalbaar en betaalbaar uitgevoerd kunnen worden. Volgens het dagelijks bestuur kan eiseres aan de hand van de resultaten van de rapportages zo nodig gemotiveerd vragen om de datum in de revisievergunning te wijzigen. 37.
  175. De rechtbank is van oordeel dat het niet in strijd met de tekst en/of het systeem van de Waterwet is om in het belang van de kwaliteit van het oppervlaktewater zowel lozingseisen te stellen aan de deelstromen als aan de totaalstroom. Het dagelijks bestuur heeft de normering van deelstromen van belang mogen achten om emissies aan de bron te kunnen reduceren. Daarbij is het dagelijks bestuur er terecht van uitgegaan dat emissiereductie aan de bron wordt beschouwd als BBT. Gelet op het voorgaande heeft het dagelijks bestuur ervoor mogen kiezen om lozingseisen te stellen aan de betreffende deelstromen. 37.
  176. Vervolgens is de hoogte van de betrokken lozingseisen aan de orde. In dit kader stelt de rechtbank voorop dat de emissiegrenswaarden uit BBT conclusie 12 niet van toepassing zijn op de lozingen die in de voorschriften 5.1, 6.1 en 7.1 worden bedoeld. Paragraaf 3.4 van de in de BREF Common Waste Water and Water Gas Treatment (CWW) bepaalt dat “The BAT-associated emission levels (BAT-AELs), for emissions to water given in Table 1, Table 2 and Table 3 apply to direct emissions to a receiving water body (…).” Hiermee wordt de reikwijdte van de emissiegrenswaarden beperkt tot directe lozingen op oppervlaktewater. Het bestreden besluit heeft echter geen betrekking op directe lozingen op oppervlaktewater. Het gaat immers om indirecte lozingen, waarbij het afvalwater door middel van een persleiding wordt afgevoerd naar de rwzi en pas na zuivering wordt geloosd op het oppervlaktewater. Het dagelijks bestuur heeft nog gewezen op de laatste zin van paragraaf 3.4, waarin staat: “The BAT-AEL’s apply at the point where the emission leaves the installation”. Naar aanleiding daarvan is tussen partijen een discussie over het begrip “installatie” ontstaan. Wat daar ook van zij, deze zin doet er niet aan af dat de emissiegrenswaarden in paragraaf 3.4 alleen gelden voor directe lozingen op oppervlaktewater. 37.
  177. Het dagelijks bestuur heeft aansluiting gezocht bij de emissiegrenswaarden door de bovenkant van de BBT geassocieerde emissiegrenswaarden in BBT conclusie 12 één op één over te nemen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur beoogd een niveau van milieubescherming te garanderen dat gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken als beschreven in BBT-conclusie 12 (artikel 14, vijfde lid, onder C2 van de Richtlijn Industriële Emissies). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur echter onvoldoende onderzocht of de lozingseisen in de voorschriften 5.1, 6.1 en 7.1 naleefbaar zijn. De aanvraag van eiseres bevat onvoldoende gegevens om de naleefbaarheid van deze lozingseisen te kunnen beoordelen. Ook overigens beschikte het dagelijks bestuur ten tijde van het bestreden besluit niet over gegevens om dit te kunnen beoordelen. Ten tijde van het bestreden besluit stond dus niet vast of de betrokken lozingseisen met ingang van 1 januari 2025 naleefbaar zouden zijn. Het dagelijks bestuur heeft in dit kader gewezen op onderzoeks- en rapportageverplichtingen die op eiseres rusten. Het gaat om onderzoek naar en rapporten over de voortgang van de reductie van onder meer AOX, nikkel, chroom, koper en zink (voorschrift 9.6) en de mogelijkheden om de lozing te verminderen volgens BBT van AOX, chroom, koper, lood, nikkel zink en onopgeloste bestanddelen in de deelstromen (voorschrift 10.1, onder c en 10.2, onder b). Beide rapportages moesten uiterlijk op 31 december 2023 zijn overgelegd. De rapportages waren ten tijde van het bestreden besluit echter niet beschikbaar. Op dat moment was niet bekend of het op 1 januari 2025 haalbaar zou zijn om maatregelen te treffen om de betrokken lozingseisen na te leven. Daarom heeft het dagelijks bestuur in strijd met artikel 3:2 van de Awb gehandeld door de lozingseisen aan de revisievergunning te verbinden. 37.
  178. De stelling van het dagelijks bestuur dat eiseres aan de hand van de resultaten van de rapportages zo nodig gemotiveerd kan vragen om de datum in de revisievergunning te wijzigen, leidt niet tot een ander oordeel. De indiening van een gemotiveerd verzoek betekent immers nog niet dat het wordt toegewezen. Niet uitgesloten is dat partijen van mening verschillen over de vraag of een verzoek tot uitstel terecht is. Volgens de revisievergunning treden de rechtsgevolgen van de lozingseisen in de voorschriften 5.1, 6.1 en 7.1 met ingang van 1 januari 2025 onvoorwaardelijk in. De revisievergunning bepaalt niet dat een eventueel verzoek de inwerkingtreding van de verplichting om de betreffende lozingseis(en) in acht te nemen opschort. Daarmee is een gemotiveerd verzoek tot uitstel naar het oordeel van de rechtbank geen geschikt middel om de inwerkingtreding van niet naleefbare lozingseisen te voorkomen.Tussenconclusie
  179. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden tegen de voorschriften 5.1, 6.1 en 7.
  180. De rechtbank zal deze onderdelen van het bestreden besluit vernietigen. Voorschrift 8.1: lozingseisen monsterput laboratorium
  181. Voorschrift 8.1 ziet op lozingseisen ter plaatse van monsterput laboratorium langs weg
  182. De gehalten van kwik, cadmium, overige metalen, VOX en BTEX mogen in enig steekmonster niet meer bedragen dan de in het voorschrift vermelde waarden. Voorschrift 24.28 definieert een ‘steekmonster’ als een representatief, maar op een willekeurig moment, genomen monster van het afvalwater. Deze lozingseis is nieuw ten opzichte van de voorheen vergunde situatie. 39.
  183. Eiseres voert aan dat dit voorschrift geen meerwaarde heeft. Het laboratoriumwater kan niet op een doelmatige wijze worden bemonsterd, omdat een monster niet representatief zal zijn. Het laboratoriumwater is namelijk geen constante stroom en het steekmonster wordt op een willekeurig moment genomen. Bovendien is het laboratoriumwater bij de monsterput vermengd met huishoudelijk afvalwater. 39.
  184. Volgens het dagelijks bestuur is dit voorschrift in overeenstemming met artikel 4.124 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze lozingseis moet in de revisievergunning worden opgenomen, omdat hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op vergunningplichtige inrichtingen. De herkomst van deze lozingseisen is het CIW-rapport van 1989, waarin is opgenomen dat de lozingseisen gelden voor het totale afvalwater afkomstig van een laboratorium. De vereiste representativiteit betekent volgens het dagelijks bestuur dat eiseres de bemonstering en analyse steeds op dezelfde wijze uitvoert. 39.
  185. De rechtbank gaat op basis van het StAB-rapport uit van het volgende.Het gaat om een niet constante stroom die steekproefsgewijs wordt bemonsterd. Het voorschrift is bedoeld om te voorkomen dat er vanuit het laboratorium grote vrachten vrijkomen. Als een steekmonster wordt genomen op een moment waarop geen lozing van laboratoriumwater plaatsvindt, worden echter geen stoffen gedetecteerd. Aan de hand van steekmonsters kan ook geen vracht worden bepaald. De steekproefsgewijze meting is dan ook niet representatief voor het laboratoriumwater. Het gebrek aan representativiteit wordt versterkt doordat het laboratoriumwater niet als afzonderlijke deelstroom is te bemonsteren. De stroom is alleen te bemonsteren, nadat deze is vermengd met huishoudelijk afvalwater. Dat maakt dat de concentratie aan stoffen lager is. De rechtbank stelt vast dat de revisievergunning geen verplichting bevat om de situatie zodanig te veranderen dat het laboratoriumwater als afzonderlijke deelstroom kan worden bemonsterd. Gelet op het StAB-rapport heeft het meten van deze niet constante stroom die bovendien vermengd is met een andere afvalwaterstroom als steekmonster weinig tot geen meerwaarde. Deze wijze van bemonstering van het laboratorium is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet doelmatig. De stelling van het dagelijks bestuur dat de controlevoorziening in dit voorschrift vooralsnog de enige mogelijkheid is in afwachting van onderzoek naar wat eiseres representatiever zou kunnen bemonsteren, maakt dit niet anders. Wat daarvan ook zij, daaruit volgt niet dat het voorschrift in de huidige situatie bijdraagt aan de met de verlening van de revisievergunning te dienen doelen en de daarmee te beschermen belangen. Het dagelijks bestuur heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom het er toch voor heeft gekozen om dit voorschrift op te leggen. De enkele verwijzing naar artikel 4.124 van het Activiteitenbesluit neemt dit motiveringsgebrek niet weg. Zoals het dagelijks bestuur zelf al zegt, is hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Dat neemt niet weg dat het dagelijks bestuur ervoor kan kiezen om deze lozingseisen op te leggen. Het moet die keuze echter wel deugdelijk motiveren. Daarin is het dagelijks bestuur niet geslaagd. 39.
  186. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal dit voorschrift vernietigen. Voorschrift 9.2 in samenhang met bijlage 11a
  187. Voorschrift 9.2 luidt: “Voor de lozing van niet-snel biologisch afbreekbare stoffen (ABM A-stoffen: aluminium, chroom, ethylbenzeen, koper, styreen, titaan, tolueen, vanadium, zilver, zink, 1,2,4-trimethylbenzeen en 1,3,5-trimethylbenzeen, moet de lozing door vergunninghouder worden beëindigd dan wel, indien dat niet mogelijk is, geprobeerd worden om zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen, in 2030.” Voorschrift 9.3 luidt: “Voor de lozing van afbreekbare stoffen (B-stoffen) en stoffen die van nature in het oppervlaktewater voorkomen (C-stoffen), opgenomen in bijlage 11.a stoffenlijst, moet door vergunninghouder de lozing zoveel mogelijk worden voorkomen.” Bijlage 11a bevat een lijst met stoffen die geloosd worden, met daarbij verschillende eigenschappen van de stoffen, waaronder de biologische afbreekbaarheid. 40.
  188. Eiseres voert aan dat in voorschrift 9.2 de stoffen ethylbenzeen en styreen ten onrechte als niet-snel biologisch afbreekbaar zijn aangemerkt. Volgens eiseres zijn ethylbenzeen en styreen wel goed biologisch afbreekbaar. Eiseres geeft aan hierbij de database van het European Chemicals Agency (ECHA) te hebben gevolgd. Verder is de stof cyaniden in bijlage 11a ten onrechte aangemerkt als zeer zorgwekkende stof (ZZS). 40.
  189. Het dagelijks bestuur heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat ethylbenzeen en styreen terecht als niet-snel biologisch afbreekbaar zijn aangemerkt. Het dagelijks bestuur heeft hiervoor ook de database van ECHA gevolgd, maar heeft daarbij in het bijzonder gekeken naar de uitkomst van OECD 301-testen, omdat deze expliciet in de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016 (ABM 2016) worden genoemd. Het dagelijks bestuur heeft erkend dat cyaniden ten onrechte zijn aangemerkt als ZZS. 40.
  190. Uit het StAB-rapport volgt dat uit de ABM 2016 niet eenduidig blijkt hoe stoffen moeten worden ingedeeld als er geen resultaten van een OECD 301-test beschikbaar zijn. Omdat de ABM (ook) naar bijlage 1 bij de CLP-verordening verwijst, is het volgens de StAB logisch om in dergelijke gevallen aan te sluiten bij de criteria opgenomen in de bijlage. Volgens de StAB voldoen ethylbenzeen en styreen aan de criteria genoemd onder 4.1.2.9.
  191. van bijlage 1 bij de CLP-verordening. Er kan dus op basis van de beschikbare informatie van worden uitgegaan dat ethylbenzeen en styreen volgens de ABM 2016 tot klasse B behoren (afbreekbare, waterbezwaarlijke stoffen). 40.
  192. Naar aanleiding van het StAB-rapport heeft het dagelijks bestuur voorgesteld om bijlage 11a ten aanzien van cyaniden, ethylbenzeen en styreen als volgt te wijzigen. Oude classificering: Stofnaam/ component ZZS Snel biologisch afbreekbaar Ja/Nee Verwijdering door afbraak rwzi (%) % slib % lucht ABM stof Sanerings-inspanning lijst-A/B/C/D Cyaniden Ja Nee NB NB NB Z1 D Ethylbenzeen Nee Nee 0,05% 4,32% 72% A2 C Styreen Nee Nee 0,07% 3,67% 50,32% A2 C Voorgestelde classificering: Stofnaam/ component ZZS Snel biologisch afbreekbaar Ja/Nee Verwijdering door afbraak rwzi (%) % slib % lucht ABM stof Sanerings-inspanning lijst-A/B/C/D Cyaniden Nee Nee NB NB NB A1 A Ethylbenzeen Nee Ja 51,92% 3,53% 34,34% B3 A Styreen Nee Ja 63,72% 2,57% 18,63% B3 A 40.
  193. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat cyaniden in bijlage 11a niet als ZZS geclassificeerd moeten worden, en dat ethylbenzeen en styreen in bijlage 11a als snel biologisch afbreekbaar moeten worden geclassificeerd. Deze beroepsgrond is daarom gegrond. De rechtbank zal conform het verzoek van eiseres op dit punt zelf in de zaak voorzien. Zij zal voorschrift 9.2 aanpassen door de stoffen ethylbenzeen en styreen daaruit te verwijderen. De rechtbank zal verder bijlage 11a wijzigen door cyaniden niet als ZZS te classificeren en ethylbenzeen en styreen als wel snel biologisch afbreekbaar te classificeren. 40.
  194. Het dagelijks bestuur heeft verder ten aanzien van cyaniden in zijn verweerschrift van 15 november 2023 gesteld dat cyaniden in bijlage 11a moeten worden geclassificeerd als ABM-stof B4 en als saneringsinspanningslijst A. In zijn reactie van 8 augustus 2024 op het StAB-rapport classificeert het dagelijks bestuur cyaniden echter als ABM-stof A
  195. De rechtbank kan niet zelf bepalen hoe cyaniden als AMB-stof moet worden geclassificeerd, omdat het stroomschema op pagina 15 van de ABM hierover een beoordeling door het dagelijks bestuur vergt. Eiseres heeft op dit punt geen reactie ingebracht. Het is niet in geschil dat cyaniden niet snel biologisch afbreekbaar zijn. Als cyaniden als ABM A-stof moeten worden geclassificeerd, dan dienen cyaniden ook genoemd te worden in voorschrift 9.
  196. Het beroep van eiseres strekt echter niet zover. De rechtbank zal daarom volstaan met de wijziging van cyaniden als geen ZZS in bijlage 11a, zoals eiseres heeft verzocht. Het dagelijks bestuur dient cyaniden in het nieuw te nemen besluit als ABM-stof gemotiveerd te classificeren in bijlage 11a. 40.
  197. Het dagelijks bestuur heeft verder voorgesteld om ethylbenzeen en styreen in bijlage 11a te classificeren als ABM-stof B
  198. Uit de reactie van eiseres van 23 september 2024 op de reactie van de StAB maakt de rechtbank op dat eiseres zich kan vinden in deze classificatie. Ook de StAB stelt dat ethylbenzeen en styreen volgens de ABM tot klasse B behoren. Eiseres merkt in haar reactie wel op dat voor haar niet duidelijk is waar de gewijzigde percentages van 51,92% en 63,72% op zijn gebaseerd en hoe deze zijn bepaald. Die percentages zijn volgens eiseres relevant voor het voldoen aan voorschrift 9.
  199. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de genoemde percentages voor haar akkoord zijn, als deze zijn bepaald op basis van het ECHA. Het dagelijks bestuur heeft tijdens de zitting bevestigd dat dit het geval is, maar heeft nagelaten dit te motiveren. De rechtbank draagt het dagelijks bestuur op dit punt op de percentages in een nieuw te nemen besluit opnieuw gemotiveerd vast te stellen in bijlage 11a. 40.
  200. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voorschrift 9.2 vernietigen voor zover hierin de stoffen “ethylbenzeen” en “styreen” worden genoemd. Verder blijft dit voorschrift ongewijzigd. Bijlage 11a wordt ten aanzien van cyaniden, ethylbenzeen en styreen ten aanzien van de hieronder genoemde aspecten als volgt gewijzigd: Stofnaam/ component ZZS Snel biologisch afbreekbaar Ja/Nee Verwijdering door afbraak rwzi (%) % slib % lucht ABM stof Sanerings-inspanning lijst-A/B/C/D Cyaniden Nee Nee NB NB NB A Ethylbenzeen Nee Ja 3,53% 34,34% B3 A Styreen Nee Ja 2,57% 18,63% B3 A In deze tabel zijn de wijzigingen waarover partijen het eens zijn voor de duidelijkheid met de kleur groen gemarkeerd. De onderdelen waarover geen duidelijkheid bestaat en waarover het dagelijks bestuur opnieuw moet beslissen, zijn met de kleur oranje gemarkeerd. Voorschrift 13.5 en 13.6 in samenhang met bijlage 11a
  201. Voorschrift 13.5 luidt: “Van vacuümwagens en apparatuur, die als laatste inhoud een stof bevat die voorkomt op lijst-B, lijst-C en lijst-D (kolom ‘Saneringsinspanning lijst-A/B/C/D’ in bijlage 11.a), mag het spoelwater en schoonmaakwater vanaf 1 januari 2024 niet meer worden geloosd.” Voorschrift 13.6 luidt: “De waterfase van tank T906, die als laatste inhoud een slop bevat met een stof die voorkomt op lijst-B, lijst-C en lijst-D (kolom ‘Saneringsinspanning lijst-A/B/C/D’ in bijlage 11.a), mag vanaf 1 januari 2024 niet meer worden geloosd.”Bijlage 11.a bevat een stoffenlijst aantoonbare stoffen. 41.
  202. Voorschrift 13.5 en 13.6 bevatten saneringsverplichtingen. Deze zijn gebaseerd op de stoffenindeling die het dagelijks bestuur heeft gemaakt in bijlage 11.a. Daarom zal de rechtbank eerst ingaan op de beroepsgrond tegen bijlage 11.a en daarna de voorschriften 13.5 en 13.6 bespreken. 41.
  203. Eiseres voert aan dat de stoffenindeling in bijlage 11.a is gebaseerd op de ATCN-systematiek. Deze is hier niet van toepassing. De ATCN-systematiek is namelijk een hulpmiddel bij het behandelen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van tankauto's. Gelet op de activiteiten in deze sector gaat het feitelijk om een verwerkingsmatrix voor vloeibare afvalstoffen. De te verwerken stoffen zijn immers niet afkomstig van de verwerker maar van een derde. Dit is een wezenlijk andere activiteit dan de activiteiten van eiseres en de daaraan gekoppelde lozing op de awp. Eiseres is bij de aanvraag zelf uitgegaan van de ABM/immissietoets en REACH, waaruit voor een heel aantal parameters een andere stoffenindeling volgt. De stoffenindeling in bijlage 11.a is daarom volgens eiseres niet juist. 41.
  204. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat eiseres in haar aanvraag zelf een stoffenindeling conform ATCN heeft gehanteerd. Deze stoffenbank is weliswaar opgezet voor tankautoreinigers, maar kan zinvol zijn voor andere bedrijven, mede omdat die een koppeling maakt tussen de ABM-toets en de gewenste saneringsinspanning. 41.
  205. De rechtbank overweegt dat de ATCN-stoffenbank een hulpmiddel is om het vergunningtraject voor het behandelen en lozen van complex spoelwater afkomstig van de reiniging van tankauto's, containers en spoorketels te vereenvoudigen e

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.