RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/1722 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [naam] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. A.G. Hendriks). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van een woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). 1.1. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 23 februari 2023 vastgesteld op € 362.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de onroerendezaakbelasting 2023 opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2024 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarop gereageerd. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur C.L.M. van Summeren. 1.5. De rechtbank heeft op 20 mei 2025 het onderzoek heropend om de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie aan te leveren. De gemachtigde van eiseres heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt. Partijen hebben vervolgens nog over en weer gereageerd. 1.6. Vervolgens heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Partijen hebben daarop aangegeven dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting. Daarom heeft de rechtbank een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Feiten 2. Eiseres is eigenaar (en gebruiker) van de onroerende zaak. 2.1. Het betreft een in 1962 gebouwde rijwoning, gelegen in [woonplaats]. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 90 m2, twee aanbouwen van 2 m² en 33 m2 en een overkapping. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 180 m2. Beoordeling door de rechtbank 3. Partijen zijn het niet eens over de (WOZ-)waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023. De waardepeildatum is 1 januari 2022. 4. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van de woning niet te hoog is. Het beroep van eiseres is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Over de WOZ-waarde 5. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning (€ 362.000) onderbouwd met een taxatierapport, opgesteld door taxateur O. Harmsen. Daarin is de woning getaxeerd op € 378.000. 6. Eiseres stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Zij bepleit primair een waarde van € 318.000 en subsidiair van € 323.000. Eiseres heeft ter onderbouwing daarvan in beroep twee matrices overgelegd. 7. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld (bewijslast). Bij de beoordeling of de heffingsambtenaar in die bewijslast is geslaagd, betrekt de rechtbank ook wat eiseres hierover heeft aangevoerd. 8. Eiseres heeft de objectafbakening van de woning niet aan de orde gesteld. Van een onjuiste objectafbakening is ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom uit van de objectafbakening en objectkenmerken zoals opgenomen in de waardematrix van de heffingsambtenaar. 9. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met de volgende drie vergelijkingsobjecten: [adres] , [adres] en [adres] . Deze vergelijkingsobjecten zijn rij- of hoekwoningen, gelegen in [woonplaats] , in dezelfde straat dan wel dezelfde wijk als de woning. De vergelijkingsobjecten zijn alle binnen een jaar van de waardepeildatum verkocht en geïndexeerd naar de waardepeildatum. De vergelijkingsobjecten hoeven niet identiek aan de woning te zijn. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft met zijn waardematrix onderbouwd dat de vergelijkingsobjecten zeer goed vergelijkbaar zijn wat betreft woonoppervlakte, bouwjaar, ligging, kwaliteit, uitstraling en doelmatigheid en min of meer vergelijkbaar wat betreft perceeloppervlakte. Uit de waardematrix blijkt dat de taxateur van de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen in onderhoud en voorzieningen. Die verschillen zijn tot uitdrukking gebracht in de gehanteerde m2-prijs voor de woning, die is bepaald op € 2.444. De heffingsambtenaar heeft de grondwaarde vastgesteld aan de hand van de grondstaffelmethode, waarbij naarmate de grondoppervlakte groter is, de prijs per m2 lager wordt. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust. 9.1. Eiseres heeft ter betwisting van de vastgestelde waarde een alternatieve matrix overgelegd, waarin de waarde van de woning wordt onderbouwd met verkopen van zeven volgens eiseres goed vergelijkbare woningen. Het gaat om de hierboven genoemde drie vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar gebruikt, de drie door de taxateur van eiseres in de bezwaarfase genoemde referenties (te weten [adres] , [adres] en [adres] ) en daarnaast [adres] , dat volgens eiseres ook zeer dicht in de buurt van de woning ligt. In die matrix is de waarde van de woning getaxeerd op € 323.000. Bij de vraag of de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt kan volgens eiseres niet voorbij worden gegaan aan de door haar overgelegde matrix. Zij verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023. Bij de nadere gronden heeft eiseres een gewijzigd taxatierapport met een herziene matrix overgelegd. In die herziene taxatie zijn twee van de zeven referenties achterwege gelaten, namelijk de twee hoekwoningen ( [adres] en [adres] ). Volgens eiseres zijn er genoeg verkoopcijfers van tussenwoningen beschikbaar, zijn de vijf tussenwoningen zeer goed vergelijkbaar en hoeft daarom niet te worden vergeleken met hoek- of eindwoningen. Uit de door haar overlegde berekening blijkt volgens eiseres dat bij de verkopen van de tussenwoningen veel minder gecorrigeerd hoeft te worden voor de verschillen dan bij hoek- of eindwoningen. In de door eiseres overgelegde herziene matrix komt de getaxeerde waarde uit op € 318.000. 9.2. De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad niet volgt dat door belanghebbende genoemde alternatieve vergelijkingsobjecten altijd (zonder meer) moeten worden betrokken bij de waardevaststelling. De bewijslastverdeling is immers zo dat het (eerst) op de weg van de heffingsambtenaar ligt om te onderbouwen dat de vastgestelde waarde niet te hoog ligt. In die eerste stap kan echter wel waarde toekomen aan wat eiseres aanvoert als zij goed bruikbare alternatieve verkoopcijfers noemt en onderbouwd laat zien dat daaruit volgt dat de waarde van de woning lager zou moeten liggen. 9.3. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar geschreven dat de door eiseres genoemde aanvullende objecten [adres] , [adres] en [adres] niet de meest ideale vergelijkingsobjecten zijn en minder goed vergelijkbaar zijn dan de objecten die hij gebruikt. De heffingsambtenaar licht dit als volgt toe. De woning van eiseres meet in de basis 90 m² woonoppervlakte. Dit geldt eveneens voor de vergelijkingsobjecten die in het taxatierapport van de heffingsambtenaar worden gebruikt. Die drie aanvullende objecten die eiseres noemt wijken echter qua basis-woonoppervlakte af van dat van de woning. Om die reden vindt de heffingsambtenaar de door hem gebruikte vergelijkingsobjecten beter geschikt. Daarnaast geeft de heffingsambtenaar aan dat de objecten [adres] en [adres] van een andere bouwperiode zijn. Daarom ziet de heffingsambtenaar geen aanleiding de door eiseres genoemde aanvullende vergelijkingsobjecten in de taxatie te betrekken. Verder merkt de heffingsambtenaar op dat de taxateur van eiseres in diens matrix geen verschil maakt tussen de woonoppervlakte van de hoofdbouw (het gedeelte onder de kapconstructie) en eventuele aanbouwen, wat volgens de heffingsambtenaar wel gebruikelijk is. De taxateur van de heffingsambtenaar doet dit laatste wel in zijn taxatie, waarmee hij heeft laten zien dat de vergelijkingsobjecten in de basis qua woonoppervlak gelijk zijn aan de woning. 9.4. De rechtbank overweegt dat in dit geval de heffingsambtenaar niet heeft gesteld dat de door eiseres genoemde andere verkoopcijfers niet bruikbaar zijn of dat die objecten (in het geheel) niet vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft slechts gesteld dat die objecten (qua bouwjaar en basiswoonoppervlak) minder goed vergelijkbaar zijn dan de vergelijkingsobjecten die hij heeft gebruikt. Dat alleen vindt de rechtbank onvoldoende om voorbij te gaan aan wat eiseres heeft aangevoerd en overgelegd. Eiseres heeft niet alleen alternatieve vergelijkingsobjecten genoemd, maar in de matrix van eiseres zijn naast die alternatieve verkopen ook de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten betrokken en is rekenkundig inzichtelijk gemaakt hoe tot de daar getaxeerde waarde is gekomen. De heffingsambtenaar heeft de juistheid van de berekening die in de matrix van eiseres is gemaakt, inclusief de daarin toegepaste correcties vanwege de verschillen, verder niet weersproken. De enkele stelling van de heffingsambtenaar dat in de matrix van eiseres geen uitsplitsing is gemaakt in hoofdbouw en aanbouw(en), maakt niet dat die matrix niet geschikt is om de waardeonderbouwing van de heffingsambtenaar te betwisten. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres reeds met de door haar overgelegde matrix, waarin cijfermatig onderbouwd tot een lagere waarde wordt gekomen, voldoende twijfel heeft gezaaid over de waardeonderbouwing van de heffingsambtenaar. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt. 10. Aangezien het beroep reeds hierom gegrond is, ziet de rechtbank geen reden voor een bespreking van de (algemene) beroepsgrond dat de bestreden uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. 11. Omdat de heffingsambtenaar de door hem voorgestane waarde niet aannemelijk heeft gemaakt, is vervolgens de vraag aan de orde of eiseres de door haar bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank gaat hierbij alleen uit van de eerste matrix die eiseres in beroep heeft overgelegd. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval de door de heffingsambtenaar betrokken hoekwoningen, onvoldoende vergelijkbaar zijn. 11.1. Bij de beoordeling van de vraag of eiseres de door haar bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt, vindt de rechtbank in dit geval de stelling van de heffingsambtenaar over het jongere bouwjaar van de door eiseres genoemde objecten niet relevant. De heffingsambtenaar heeft immers gesteld dat een woning uit de jaren ’70 op punten beter is dan de jaren ’60. Die stelling had dan naar het de rechtbank voorkomt logischerwijs moeten leiden tot een neerwaartse correctie op de (deel)waarde van de woning. Echter, in de matrix van eiseres is hierop niet gecorrigeerd, zodat de daarin getaxeerde waarde eerder hoger dan lager uitvalt dan volgens de heffingsambtenaar eigenlijk zou moeten. Dat er in de matrix van eiseres verder geen verschil wordt gemaakt tussen hoofd- en aanbouw leidt de rechtbank evenmin tot het oordeel dat om die reden de waarde door eiseres niet aannemelijk is gemaakt. Dat is immers een keuze van de taxateur. Dat de taxateur van de heffingsambtenaar wat dat betreft een andere keuze heeft gemaakt, maakt niet dat de keuze van de taxateur van eiseres per definitie onjuist is. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de door de heffingsambtenaar genoemde aspecten hebben geleid tot een niet-marktconforme waarde in de door eiseres overgelegde matrix. De heffingsambtenaar heeft verder geen andere omstandigheden genoemd die maken dat de door eiseres overgelegde taxatie onjuist zou zijn. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat eiseres met de door haar overgelegde (eerste) matrix de bepleite waarde van € 323.000 aannemelijk heeft gemaakt. Verzoek om vergoeding van immateriële schade 12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. De termijn is aangevangen op het moment van de ontvangst van het bezwaarschrift, namelijk op 30 maart 2023. De rechtbank doet vandaag uitspraak en dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer negen maanden. Omdat het financieel belang in deze zaak minder is dan € 1.000,- volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond. Eiseres krijgt dus gelijk in haar standpunt dat de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het kalenderjaar 2023, vaststellen op € 323.000. 13.1. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Proceskosten en griffierecht 14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, in totaal € 1.875,76. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 aan haar moet vergoeden. 14.1. Op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres. 14.2. Hierna volgt een specificatie van de te vergoeden proceskosten. Rechtsbijstand in bezwaar 15. De rechtbank overweegt dat artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ op deze bezwaarfase niet van toepassing is, omdat de WOZ-beschikking dateert van voor 1 januari 2024. 15.1. De kosten voor de bezwaarfase worden daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.294 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor de (telefonische) hoorzitting, met een waarde per punt van € 647 een wegingsfactor 1). Rechtsbijstand in beroep 16. Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ is wel van toepassing op de proceskosten in de beroepsfase, omdat de uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. Eiseres vindt echter dat artikel 30a van de Wet WOZ niet op haar gemachtigde van toepassing is, omdat hij een bijzonder geval is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. 16.1. In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.