RECHTBANK Oost-Brabant Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/420864 / KG ZA 25-590 Vonnis in kort geding van 23 december 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., te [plaats] ,2. [eiser 2] B.V., te [plaats] ,3. [eiser 3] B.V., te [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , waar nodig worden eiseressen afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] genoemd, advocaten: mr. H.C.W. Geffroy en mr. C.J. van Dijk, tegen JUMBO SUPERMARKTEN B.V., te Veghel, gedaagde partij, hierna te noemen: Jumbo, advocaat: mr. J. Bedaux. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 november 2025 met 27 producties - de conclusie van antwoord van 8 december 2025 met 9 producties- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eisers]- de pleitnota van Jumbo. 1.2. Tenslotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [eiser 3] is een holdingmaatschappij voor haar dochtermaatschappijen: [eiser 1] , [eiser 2] , [A] B.V. en [B] B.V. ( [C] ). 2.2. [C] zijn zogenaamde industriële bakkerijen die zich richten op het dagelijks leveren van dagvers brood, zogenaamd grootbrood- en klein broodproducten. 2.3. Jumbo exploiteert een landelijke supermarktketen met meer dan 700 filialen. 2.4. [eiser 3] exploiteert tezamen met een drietal andere bakkerijfamilies, de besloten vennootschap [D] B.V. (hierna: [D] ). [eiser 3] heeft in [D] een belang van 47,5%. De andere tot [D] behorende bakkerijen zijn: de besloten vennootschappen [E] (een belang van 24,5%) [F] (een belang van 14%) en [G] (een belang van 14%). De eerste inschrijving van [D] in het handelsregister vond plaats op 27 april 1998. 2.5. [H] , eveneens een industriële bakkerij met een substantieel marktaandeel, behoorde tot 2016 ook tot een van de aandeelhouders in [D] . 2.6. [D] heeft sinds haar oprichting en vanaf in ieder geval 2010 op basis van elkaar opvolgende inkoopovereenkomsten, dagelijks vers brood geleverd aan de vestigingen van Jumbo en die van haar rechtsvoorgangers. 2.7. Op 4 februari 2022 hebben Jumbo en [D] een overeenkomst gesloten voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 januari 2023. Daarin zijn Jumbo en [D] overeengekomen dat als er op 31 januari 2023 geen nieuwe afspraken zijn gemaakt, de overeenkomst ongewijzigd van kracht blijft totdat partijen nieuwe afspraken hebben gemaakt. 2.8. Medio 2023 heeft Jumbo met het bestuur van [D] gesproken over een voortzetting van de samenwerking. Jumbo heeft [D] per e-mailbericht van 4 augustus 2023 een document toegestuurd, waarin Jumbo de uitgangspunten voor de samenwerking lopende vanaf 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2025 heeft opgenomen. In dit document, overgelegd als productie 8 bij dagvaarding, is - onder meer - het volgende opgenomen: “ Looptijd contract is van 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2025. - Het betreft een contract voor bepaalde tijd en eindigt van rechtswege op de einddatum. Het contract wordt niet stilzwijgend verlengd. (…) - Beide partijen zijn derhalve na 31 maart 2025 vrij van verplichtingen jegens elkaar. Investeringen welke [D] specifiek ten behoeve van Jumbo pleegt en die qua afschrijvingstermijn de looptijd van het contract overschrijden worden voorgelegd aan Jumbo en zijn uitdrukkelijk voor eigen rekening en risico van [D] , juist ook indien de samenwerking na 31 mei 2025 [bedoeld is: 31 maart 2025]niet of niet op dezelfde wijze zou worden voortgezet. (…) - Gezien de ontwikkelingen in de verkoop van het broodassortiment, ziet Jumbo aanleiding om binnen afzienbare tijd de bakkerijketen opnieuw te beoordelen en eventueel (geheel) anders in te richten indien gewenst of noodzakelijk (mogelijk het terugbrengen van 2 leveranciers naar 1 leverancier of het terugbrengen van het aantal te beleveren winkels). Dat zou dus ook consequenties kunnen hebben voor huidige leveranciers zoals [D] . Gezien de mogelijke impact op de huidige leveranciers, zal Jumbo deze herbeoordeling en mogelijk andere inrichting van de bakkerijketen, bij voorkeur uiterlijk eind maart 2024 hebben afgerond. Mocht deze herbeoordeling en/of andere inrichting van de bakkerijketen (financiële) consequenties hebben voor [D] , dan heeft zij in ieder geval nog een jaar om zich daarop voor te bereiden en de eventuele financiële gevolgen te elimineren of in ieder geval tot een minimum te beperken. - Bij voorkeur uiterlijk 31 maart 2024 zullen beide partijen de contouren met elkaar overeengekomen zijn hoe na 31 maart 2025 de samenwerking wordt vormgegeven. (…)” 2.9. Nadat Jumbo op 24 augustus 2023 [D] berichtte dat zij nog geen akkoord heeft mogen ontvangen, heeft de heer [I] (bestuurder van [eiser 3] ), in zijn hoedanigheid van bestuurder van [D] , Jumbo diezelfde dag medegedeeld: "Nee alles is akkoord kunnen stukken opmaken en tekenen (…)". 2.10. Op 31 januari 2024 heeft Jumbo onder meer [D] een zogenaamde “Uitvraag lange termijn dagvers brood” toegestuurd met het verzoek tot het houden van een 'pitch'. De uitvraag van Jumbo was, zoals aangekondigd, gericht op het verkrijgen van één nieuwe, exclusieve, broodleverancier. 2.11. [D] heeft zich in het kader van de uitvraag door Jumbo gepresenteerd als ' [naam project 1] '. Ook [H] heeft aan de pitch meegedaan, onder de projectnaam ‘ [naam project 2] ’. 2.12. Zowel [D] als [H] hebben een voorstel ingediend bij Jumbo. Deze voorstellen zijn door Jumbo beoordeeld en daarover heeft Jumbo bij beide partijen nadere (verduidelijkings-)vragen gesteld. Naar aanleiding van die vragen van Jumbo heeft [D] zich in de zomer van 2024 tijdelijk teruggetrokken uit de onderhandelingen. 2.13. Na de zomer van 2024 heeft [D] alsnog een voorstel ingediend bij Jumbo. 2.14. Op 29 augustus 2024 heeft Jumbo besloten om niet in te gaan op het vernieuwde voorstel van [D] . Op die datum heeft zij [D] ook medegedeeld met [H] tot een afronding te gaan komen. 2.15. In de periode september tot en met december 2024 hebben Jumbo en [H] nadere overeenstemming bereikt over hun samenwerking voor de levering aan Jumbo van dagvers brood door een op te richten joint venture onder de naam ‘ [naam project 2] ”. 2.16. Bij e-mailbericht van 6 januari 2025 heeft Jumbo [D] medegedeeld dat haar keuze voor de exclusieve broodleverancier niet op [D] is gevallen. In het e-mailbericht van Jumbo (productie 13 bij dagvaarding) staat verder het volgende vermeld: "Jumbo en [D] zijn op dit moment aan elkaar verbonden door inkoopovereenkomst [nummer] . Deze inkoopovereenkomst had een looptijd tot en met 31 januari 2023. Nadien zijn partijen enerzijds overeengekomen dat de overeenkomst in ieder geval (dus zonder nadere opzegging) een looptijd had tot en met 31 maart 2025 en niet stilzwijgend kon worden verlengd. Anderzijds zou [D] in ieder geval een jaar de tijd krijgen om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden en eventuele financiële gevolgen van de beëindiging te elimineren ofte beperken. De inkoopovereenkomst eindigt dan ook per 31 maart 2025, maar niettemin zal Jumbo de overeenkomst met [D] B.V., zoals afgesproken, uitdienen tot en met 6 januari 2026, of zoveel eerder als door Jumbo en [D] B.V. wordt overeengekomen. Louter en alleen voor zover nodig, wordt [D] geacht dit bericht ook als een opzegging te kwalificeren per 6 januari 2025 met een opzegtermijn van 1 jaar, waarbij de samenwerking per 6 januari 2026 eindigt." 2.17. In die periode vanaf september 2024 hebben er ook gesprekken plaatsgevonden tussen [D] en [H] over deelname aan de joint venture, waarbij het de bedoeling was dat de aan [D] verbonden aandeelhouders hun bakkerijen in de joint venture zouden inbrengen. [eiser 3] heeft in maart 2025 aangegeven niet aan de beoogde joint venture te zullen deelnemen. 2.18. Vanaf maart 2025 zijn [D] en Jumbo in onderhandeling gegaan omtrent enkele financiële geschilpunten, die mede verband houden met het einde van de overeenkomst per 6 januari 2026. Daarbij is ook een voorstel gedaan voor een tussen [D] en Jumbo te sluiten addendum, waarbij Jumbo bereid was bepaalde kosten, waaronder afvloeiingskosten van personeel, te compenseren. 2.19. De bakkerijen [F] , [E] en [G] , die ook onderdeel uitmaakten van [D] , hebben in de periode van september 2025 overeenstemming bereikt met [H] over een samenwerking. Daarbij is overeengekomen dat [F] en [E] hun (brood)bakkerijen overdragen aan de op te richten joint venture, terwijl bakkerij Wiltink haar zelfstandigheid blijft behouden en als toeleverancier van [H] zal optreden. 2.20. In oktober 2025 heeft Jumbo de heer [J] als bemiddelaar aangewezen. In het kader van deze bemiddeling heeft de heer [J] bij brief van 16 oktober 2025 namens Jumbo een voorstel gedaan aan [D] , waarbij Jumbo onder andere bereid was om bij wijze van inspanningsverbintenis de afvloeiingskosten van [D] tot een bedrag van € 1.044.000,00 te mitigeren en waarbij is voorgesteld om de samenwerking tussen [eiser 1] en Jumbo vanaf 6 januari 2026 gefaseerd af te bouwen. Dit voorstel hield in dat [eiser 1] vanaf die datum wekelijks een deel van de door haar aan Jumbo beleverde winkels niet langer zou bevoorraden, terwijl de e-commerceleveringen en aanverwante activiteiten onmiddellijk, dat wil zeggen met ingang van 6 januari 2026, zouden eindigen. Na een periode van twee maanden zouden de leveringen daarmee volledig zijn afgebouwd. In het voorstel is opgenomen dat gezien de overgangsdatum van 6 januari 2026 en de daarbij behorende leadtimes om te komen tot een soepele overgang, een akkoord nodig is uiterlijk vrijdag 17 oktober 14.00 uur. 2.21. [eiser 3] heeft op dit voorstel afwijzend gereageerd. De overige bakkerijen van [D] hebben wel met het onder 2.18 voorgestelde addendum ingestemd. 2.22. Bij brief van 5 november 2025 heeft de advocaat van [eisers] Jumbo aangeschreven en daarin verzocht om [eisers] alsnog een transitieperiode te gunnen na 6 januari 2026 en open te staan voor constructief overleg. 2.23. Jumbo heeft aan deze sommatie niet voldaan. 3Het geschil 3.1. [eisers] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair: Ten aanzien van [eiser 1] Jumbo te veroordelen om over de periode 7 januari 2026 tot en met 30 juni 2026, tegen betaling van de thans bestaande prijzen, 1.700.000 stuks klein brood en 260.000 stuks grootbrood, althans volume aantallen die in goede justitie zullen worden vastgesteld, op weekbasis van [eiser 1] af te nemen, Jumbo te veroordelen om over de periode 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026, tegen betaling van de thans bestaande prijzen, 800.000 stuks klein brood en 120.000 stuks grootbrood, althans volumeaantallen die in goede justitie zullen worden vastgesteld, op weekbasis van [eiser 1] af te nemen, Ten aanzien van [eiser 2] Jumbo te veroordelen om over de periode 7 januari 2026 tot en met 30 april 2026, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen periode, tegen betaling van de thans bestaande prijzen, de broodproducten van [eiser 2] af te nemen op dezelfde wijze waarop Jumbo thans deze broodproducten van [eiser 2] afneemt, subsidiair: Jumbo te veroordelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, over te gaan tot het voeren van constructief overleg met [C] over de totstandkoming van een overeenkomst vóór 7 januari 2026 die zal voorzien in een transitie vanaf 7 januari 2026, waarbij de gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst voor [eiser 1] en [eiser 2] zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden geëlimineerd, dan wel tot een minimum worden beperkt, primair en subsidiair: Jumbo te veroordelen tot betaling van de proceskosten. 3.2. [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Gelet op de duur, aard en omvang van de rechtsverhouding tussen [eisers] en Jumbo is de opzegging van Jumbo van de overeenkomst met een opzegtermijn van 12 maanden zonder transitievoorziening onrechtmatig ten opzichte van [eisers] en tevens in strijd met de redelijkheid en billijkheid. In verband met de door de jaren heen ontstane rechtsverhouding, de uitbreiding daarvan en de wederzijdse afhankelijkheid, had Jumbo jegens [eisers] zorgvuldig moeten handelen en moeten voorzien in de mogelijkheid van het doorvoeren van een concrete transitie, dan wel het doen van een aanbod tot schadevergoeding. [eisers] mochten erop vertrouwen dat zij door Jumbo daadwerkelijk in de gelegenheid zouden worden gesteld om de schadelijke gevolgen van de beëindiging van de tussen partijen bestaande overeenkomst te beperken. Door de opzegging door Jumbo en het per 7 januari 2026 stilvallen van de leveringen aan Jumbo, hebben [eisers] inmiddels [eiser 2] “voor een spreekwoordelijke appel en ei” aan een derde moeten verkopen om de werkgelegenheid van de medewerkers van [eiser 2] te behouden. De aandelenoverdracht vindt op 7 januari 2026 plaats; reden waarom de onder 3 genoemde vordering ten aanzien van [eiser 2] wordt ingetrokken.Het is voor [eiser 1] , waar ruim 160 medewerkers werkzaam zijn, van levensbelang dat de in dit kort geding gevorderde transitieperiode wordt toegewezen. Een reële afbouw kan alleen bestaan door na afloop van de opzegtermijn bepaalde productgroepen nog enige tijd, maar op basis van lagere volumes, uit te leveren. Alleen dan kan [eiser 1] blijven bestaan, in de hoop dat tussen medio en ultimo 2026 een leveringsovereenkomst met Albert Heijn kan worden gesloten. De door Jumbo verlangde 100 % uitvoering van de leveringsovereenkomst tot en met 7 januari 2026 brengt mee dat [eisers] tot en met de laatste dag aan haar leveringsverplichting en Jumbo’s hoge kwaliteitsnormen dient te voldoen. Het niet voorzien in een transitie na 7 januari 2026 leidt tot het abrupt en gedurende een zekere tijd stilleggen van een industriële bakkerij met alle daarbij behorende personele, technische en grote financiële gevolgen. [eisers] hebben dan ook een spoedeisend belang bij de door hen ingestelde vorderingen. 3.3. Jumbo voert verweer. 4De beoordeling 4.1. [eisers] vorderen na eisvermindering in dit kort geding dat Jumbo wordt veroordeeld om vanaf 7 januari 2026 een bepaalde periode, tot en met eind december 2026, op weekbasis bepaalde volume aantallen van stuks (klein en groot) brood, af te nemen van [eiser 1] , tegen de thans geldende prijzen. [eisers] voeren daarvoor als grondslag aan dat de beëindiging van de overeenkomst door Jumbo onrechtmatig is dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat tussen partijen sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet, zonder inachtneming van een reële transitieperiode dan wel een aanbod tot betaling van schadevergoeding, kan worden opgezegd. 4.2. Jumbo heeft primair het verweer gevoerd dat uitsluitend tussen Jumbo en [D] een overeenkomst bestaat op grond waarvan [D] gehouden is bakkersproducten te leveren aan Jumbo volgens de tussen [D] en Jumbo overeengekomen vergoedingen. Dit verweer slaagt. [eisers] hebben niet betwist dat [D] , sinds haar oprichting in 1998, op basis van tussen [D] en Jumbo gesloten (inkoop)overeenkomsten dagvers brood levert aan de Jumbo vestigingen en die van haar rechtsvoorgangers. Dat [eiser 3] (voor 47,5 %) aandeelhouder is in [D] en [eiser 1] feitelijk de broodproducten levert, betekent niet dat zij zich rechtstreeks op de tussen [D] en Jumbo gesloten overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.