vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Zaaknummer: 11729568 \ CV EXPL 25-3045 Vonnis van 12 februari 2025 in de zaak van NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,, te Den Haag, eisende partij, hierna te noemen: Nationale Nederlanden, gemachtigde: mr. J.A.A. van Beek, tegen: [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. R.J. Laatsman. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 mei 2025 met tweeëntwintig producties; - de conclusie van antwoord van 25 juli 2025; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; en - de stukken die door eiser op de mondelinge behandeling zijn overgelegd met twee producties. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Op 9 december 2022 is bij Nationale Nederlanden op naam van [gedaagde] een verzekeringsaanvraag ingediend voor een autoverzekering van een Mercedes met kenteken [kenteken] . 2.
- Bij deze aanvraag is als geboortedatum van [gedaagde] [geboortedatum] 1971 en als adres [adres 1] in [plaats] ingevuld. [gedaagde] is geboren op [geboortedatum] 1972 en woont op de [adres 2] in [plaats] . Daarnaast is bij de aanvraag aangegeven dat [gedaagde] in de afgelopen 5 jaar geen verzekering is geweigerd en dat er door haar ook in de afgelopen vijfjaar geen schades zijn geclaimd. 2.
- Op 11januari 2023 heeft [gedaagde] een schademelding gedaan, omdat zij op een rotonde over een baksteen is gereden. Nationale Nederlanden heeft vervolgens een bedrag van € 10.498,32 aan [gedaagde] vergoed. 2.
- Op 17juli 2023 heeft [gedaagde] opnieuw een schademelding gedaan, omdat er was ingebroken in de auto. Nationale Nederlanden heeft vervolgens geconstateerd dat in de aangifte van vernieling door [gedaagde] bij de politie een andere (de juiste) geboortedatum en een ander (het juiste) adres was opgenomen. Nationale Nederlanden heeft vervolgens schademelding opnieuw het externe verwijzingsregister (hierna: EVR) voor verzekeraars geraadpleegd. 2.
- Uit het EVR bleek dat vanuit het adres van [gedaagde] in [plaats] , in de periode van 2 augustus 2019 tot en met 6 oktober 2022 dertien claims zijn ingediend bij particuliere schadeverzekeraars, waarvan vier op naam van [gedaagde] staan. Verder kwam [gedaagde] op basis van de geboortedatum in 1972, alsmede het adres in [plaats] , meerdere malen naar voren in het EVR. Nationale Nederlanden is vervolgens een nader onderzoek gestart. 2.
- Uit dit nadere onderzoek is naar voren gekomen dat aan [gedaagde] vóór de aanvraag van de verzekering van 9 december 2022 bij drie andere verzekeraars een verzekering is geweigerd en is opgezegd, omdat [gedaagde] de mededelingsplicht had geschonden door onjuiste informatie te verstrekken. 2.
- Nationale Nederlanden heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst haar mededelingsplicht had geschonden, dat de verzekering daarom werd beëindigd, er geen schadebedrag zou worden uitgekeerd voor de schademelding van 17juli 2023 en dat het reeds uitgekeerde bedrag van € 10.498,32 in verband met de schademelding van 11januari 2023 moest worden terugbetaald. 3Het geschil 3.
- Nationale Nederlanden vordert -samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.182,24, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- Aan de vordering legt Nationale Nederlanden ten grondslag dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan verzekeringsfraude. [gedaagde] heeft zich niet aan de mededelingsplicht in artikel 7:928 BW gehouden en heeft dit opzettelijk gedaan om Nationale Nederlanden te misleiden (artikel 7:930 lid 5 BW). Daardoor heeft Nationale Nederlanden onterecht een verzekeringsdekking aan [gedaagde] afgegeven en zijn er onterecht gelden uitgekeerd aan [gedaagde] . Nationale Nederlanden heeft daarom de verzekering beëindigd en vordert de onterecht betaalde schadevergoeding terug. 3.
- [gedaagde] betwist de foutieve geboortedatum en het foutieve adres op de aanvraag niet, maar voert aan dat haar (verstandelijk beperkte) zoon deze gegevens heeft ingevoerd. Ook voert zij aan dat zij persoonlijk niet geweigerd is voor andere verzekeringen, omdat ook die door haar (verstandelijk beperkte) zoon zijn afgesloten. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Het gaat in deze zaak om de vraag of er sprake is van verzekeringsfraude. De kantonrechter concludeert dat dat het geval is. Dat wordt hierna uitgelegd. 4.
- De zaak wordt beoordeeld aan de hand van de volgende wettelijke regels. In lid 1 van artikel 7:928 BW staat dat een verzekeringnemer verplicht is om vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst de feiten mee te delen die van belang zijn voor het sluiten van de verzekering. Dit artikel gaat over de mededelingsplicht. Als niet aan de mededelingsplicht is voldaan, bestaat er alleen een recht op uitkering indien de niet of onjuist medegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals het zich heeft verwezenlijkt, aldus lid
- Op grond van lid 4 is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben afgesloten. In lid 5 van artikel 7:930 BW staat dat geen uitkering is verschuldigd aan de verzekeringnemer die niet heeft voldaan aan die mededelingsplicht als de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet om de verzekeraar te misleiden. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de mededelingsplicht heeft geschonden. Vast staat dat er een verkeerde geboortedatum en een verkeerd adres op het aanvraagformulier staan. Er is ook niet sprake is van één enkele verschrijving of typfout, zoals [gedaagde] betoogt, waardoor je zou kunnen spreken van een vergissing. [gedaagde] heeft in totaal vier keer verkeerde informatie gegeven (adres, geboortedatum, twee keer ‘nee’ op vragen betreffende weigering en eerdere schade claims). Naar het oordeel van de kantonrechter staat in het onderhavige geval daarmee vast dat [gedaagde] opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan om daarmee Nationale Nederlanden te misleiden. [gedaagde] was bekend met het feit dat zij door drie andere verzekeringsmaatschappijen was afgewezen vanwege een schending van de mededelingsplicht en dat zij daarom was opgenomen in het EVR. Nationale Nederlanden heeft onbetwist gesteld dat de verzekeringsmaatschappij de mededeling dat een aanvrager wordt aangemeld voor vermelding in het EVR op grond van het toepasselijke protocol aangetekend moet verzenden. Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat zij daarom bij het aangaan van de verzekering bij Nationale Nederlanden bewust onjuiste informatie aan Nationale Nederlanden heeft verstrekt om te voorkomen dat deze registratie bij Nationale Nederlanden bekend zou worden. [gedaagde] wist namelijk, althans behoorde te weten, dat NN geen verzekering, althans niet onder dezelfde voorwaarden, met [gedaagde] zou hebben afgesloten als zij op de hoogte was geweest van de registratie in het EVR. Het verweer van [gedaagde] dat dit per ongeluk fout is gegaan doordat haar (verstandelijk beperkte) zoon de aanvraag heeft ingevuld, wordt gepasseerd. Deze stelling is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk uiterst ongeloofwaardig. [gedaagde] heeft immers meerdere kinderen. Het is dan ook uiterst ongeloofwaardig dat zij verstandelijk beperkte zoon heeft gevraagd om deze autoverzekering af te sluiten in plaats van haar dochter [A] (zeker nu het adres van dochter ( [adres 1] in [plaats] ) zou zijn ingevuld omdat zij contactpersoon zou zijn voor de verzekeringsmaatschappij) of haar andere zoon [B] die in kader van het PGB haar verstandelijke zoon dagelijks begeleidt.De kantonrechter verwerpt ook het verweer van [gedaagde] dat de onjuist opgegeven geboortedatum niet relevant is voor het afsluiten van de verzekering. Nationale Nederlanden heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat de check in het EVR en FISH plaatsvindt aan de hand van naam, geboortedatum en adres. [gedaagde] heeft deze stelling onvoldoende weersproken. 4.
- Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat als [gedaagde] al niet opzettelijk haar mededelingsplicht had geschonden, Nationale Nederlanden een geslaagd beroep had kunnen doen op lid 4 van artikel 7:930 BW. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende: Uit artikel 7:930 lid 4 BW volgt dat een verzekeraar geen uitkering verschuldigd is indien deze bij de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Nationale Nederlanden heeft in haar dagvaarding aangegeven dat zij bij de ware stand van zaken geen verzekering had afgesloten. Immers, bij de aanvraag van een nieuwe verzekering voert Nationale Nederlanden (net als alle andere verzekeraars) altijd een zogenaamde FISH-check uit. Daarbij wordt onder meer gecontroleerd of de aanvrager een registratie in het EVR heeft. Omdat [gedaagde] op het aanvraagformulier een onjuiste geboortedatum en een onjuist adres heeft opgegeven, kwamen er bij de controle van Nationale Nederlanden geen registraties in het EVR naar voren. Daarnaast heeft [gedaagde] op het aanvraagformulier ten onrechte niet aangegeven dat zij in de vijfjaren voorafgaand aan het aangaan van deze verzekering was geweigerd door andere verzekeraars en ook niet dat zij vier claims heeft ingediend bij andere schadeverzekeraars terzake voertuigschade. Als [gedaagde] aan Nationale Nederlanden de juiste geboortedatum en het juiste adres zou hebben opgegeven en Nationale Nederlanden op juiste wijze zou hebben geïnformeerd, was Nationale Nederlanden op de hoogte geweest van de eerdere schademeldingen bij andere verzekeraars, de eerdere weigeringen en de registratie in het EVR van 30 april
- Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Nationale Nederlanden voldoende aannemelijk gemaakt dat Nationale Nederlanden de verzekering in dat geval niet had afgesloten. Gelet op de door Nationale Nederlanden gegeven toelichting is voldoende aannemelijk geworden dat het opvallend hoge aantal recente schadeclaims, de geweigerde verzekeringen en de registratie in het EVR voor Nationale Nederlanden, als redelijk handelend verzekeraar, voldoende reden geweest om geen verzekering af te sluiten. Het verweer van [gedaagde] dat per ongeluk onjuiste gegevens zijn doorgegeven doordat haar (verstandelijk beperkte) zoon de aanvraag heeft ingevuld, is in het voorgaande al als uiterst ongeloofwaardig bestempeld. Als het al zo zou zijn geweest dat ze haar verstandelijk beperkte zoon heeft gevraagd om een verzekering voor haar aan te vragen en deze daarbij een fout heeft gemaakt, dan komt dat voor ook haar eigen rekening. De handelingen van deze (verstandelijk beperkte) zoon kunnen haar worden toegerekend nu hij bevoegd was haar te vertegenwoordigen en zij heeft nagelaten om de door hem ingevulde gegevens te controleren. 4.
- Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Nationale Nederlanden het terzake het schadevoorval van 11 januari 2023 aan [gedaagde] uitgekeerde bedrag van € 10.498,32 onverschuldigd heeft betaald. [gedaagde] is over dit Nationale Nederlanden heeft voorts een bedrag van € 1.151,92 gevorderd vanwege de externe kosten en een bedrag van € 532,00 aan interne kosten die zijn gemaakt om de verzekeringsclaims van [gedaagde] te onderzoeken. De gevorderde wettelijke rente over voornoemde bedragen zal worden toegewezen zoals hierna te melden. 4.
- Nationale Nederlanden vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat is voldaan aan de eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Nationale Nederlanden heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 1.085,15 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. 4.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Nationale Nederlanden worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 119,40 - griffierecht € 1.461,00 - salaris gemachtigde- nakosten €€ 812,00135,00 (2 punten × € 406,00)(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.527,40 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Nationale Nederlanden te betalen een bedrag van € 12.182,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € € 10.498,32 met ingang van 1 maart 2022 tot de dag van volledige betaling en over € 1.683,91 met ingang van 16 november 2023 tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Nationale Nederlanden te betalen een bedrag van € 1.085,15 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 16 november 2023, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.527,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar hij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.