beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer : C/01/396059 / FA RK 23-3432 Uitspraak : 6 februari 2025 Beschikking over afstamming, gezag en omgang in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. O. Sarac, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vrouw, De rechtbank merkt aan als belanghebbenden: mr. I. van Meeteren, advocaat, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch, in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige: [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van 21 september
- en, ten aanzien van het verzoek over de omgang: de STICHTING JEUGSBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI). In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken: de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de raad. Deze beschikking volgt op de beschikking van de rechtbank van 20 maart
- 1De verdere procedure 1.
- Bij de hiervoor genoemde beschikking van 20 maart 2024 heeft de rechtbank een voorlopige regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vastgesteld die inhoudt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur. Verder heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld de rechtbank te informeren over: welk rechtsstelsel binnen Nigeria gelet op de afkomst van de man van toepassing is op de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; of en zo ja binnen welke termijn de man naar dat recht om erkenning kan verzoeken; wat dat recht bepaalt met betrekking tot de erkenning als de moeder van het kind zich tegen erkenning verzet; wat naar dat recht de juridische gevolgen zijn van het door erkenning vaststellen van een familierechtelijke band tussen de man en het kind, waarna de vrouw, de bijzondere curator en de raad de gelegenheid zullen krijgen te reageren op de van de man te ontvangen informatie. Daarnaast heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met inachtneming van de in die beschikking genoemde vragen over de omgang, met het verzoek aan partijen om de rechtbank schriftelijk te berichten over hun standpunten aangaande het raadsadvies, wat dit in hun visie moet betekenen voor de verzoeken in deze procedure en over de door hen gewenste voortgang van de procedure. Iedere verdere beslissing op de verzoeken over de erkenning, de omgang en het gezag heeft de rechtbank aangehouden. 1.
- De rechtbank merkt de GI in deze procedure, voor wat betreft het verzoek over de omgang, aan als belanghebbende omdat de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 27 september 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht heeft gesteld van de GI met ingang van 30 september 2024 voor de duur van een jaar, dus tot 30 september
- 1.
- Na de beschikking van 20 maart 2024 heeft de rechtbank nog kennisgenomen van: een F9-formulier met bijlagen van mr. Sarac van 13 mei 2024; een brief van de raad van 17 juli 2024 met als bijlage een raadsrapport van 16 juli 2024; twee F9-formulieren van mr. Sarac van 11 september 2024; een F4-formulier van de bijzondere curator van 1 oktober 2024; een F9-formulier van de bijzondere curator van 8 november 2024; een F9-formulier van mr. Sarac van 2 december 2024; een F9-formulier met bijlage van mr. Sarac van 6 december 2024; een F9-formulier van mr, Sarac van 8 december 2024; een brief van de bijzondere curator van 10 december
- 1.
- Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag. 2De verdere beoordeling Vervangende toestemming erkenning 2.
- Zoals is overwogen in de beschikking van 20 maart 2024, kon de rechtbank op dat moment op basis van de stellingen van de man niet vaststellen welk recht van toepassing is op de bevoegdheid van de man om de kinderen te erkennen en de voorwaarden daarvoor. De man heeft de Nigeriaanse nationaliteit en het Nigeriaanse recht kent geen eenvormig rechtsstelsel. Naast het Nigeriaanse “Common Law” geldt gewoonterecht dat per plaats en bevolkingsgroep (stam) kan verschillen. De man was er in zijn verzoekschrift niet op in gegaan tot welke stam hij behoort en wat dit betekent voor het toepasselijke recht. Ook bij de mondelinge behandeling kon hij dat niet toelichten. In rechtsoverweging 4.10 van de beschikking van 20 maart 2024 is al overwogen dat op de toestemming van de moeder voor de erkenning Nederlands recht van toepassing is. Hierna kan er dus van worden uitgegaan dat voor de erkenning van de kinderen door de man de toestemming van de vrouw vereist is. 2.
- De man heeft bij zijn F9-formulier van 13 mei 2024 gebruik gemaakt van de gelegenheid die de rechtbank hem heeft gegeven om de rechtbank nader te informeren over de privaatrechtelijke aspecten in deze zaak in de vorm van een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te Den Haag van 2 mei
- Dit rapport geeft de rechtbank voldoende informatie om te kunnen beoordelen welk recht van toepassing is op de bevoegdheid van de man om de kinderen te erkennen en wat de voorwaarden daarvoor zijn. De rechtbank gaat er daarbij, net als het IJI, van uit dat de situatie van de man sinds de beschikking van 20 maart 2024 niet is veranderd, in die zin dat hij geen verblijfstitel heeft in Nederland. De rechtbank heeft namelijk niet van de man vernomen dat zijn situatie op dat punt is gewijzigd. 2.
- Uit het IJI rapport blijkt dat de man behoort tot de Bini bevolkingsgroep uit Edo State. Het IJI schrijft op pagina 5 van het rapport dat als de moeder van het kind niet tot dezelfde bevolkingsgroep of stam behoort en zich evenmin uitdrukkelijk heeft geassimileerd met die bevolkingsgroep of stam, het gewoonterecht van die bevolkingsgroep of stam niet zal worden toegepast. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, behoort niet tot de Bini bevolkingsgroep en heeft zich ook niet uitdrukkelijk geassimileerd met de Bini cultuur. Dit betekent dat in deze zaak het gewoonterecht van de Bini niet van toepassing is en dat het Nigeriaanse Common Law van toepassing is. Op grond van dat recht is erkenning van een buiten huwelijk geboren kind door de biologische vader wel mogelijk. De rechtsfiguur van de erkenning is in de Nigeriaanse Child’s Right Act 2003 niet geregeld, maar die leemte is opgevuld in de rechtspraak. Volgens die rechtspraak kan de biologische vader een buiten huwelijk geboren kind erkennen en is die erkenning vormvrij. Om vast te kunnen stellen dat de man inderdaad de biologische vader is, kan DNA-onderzoek worden uitgevoerd. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat nog onvoldoende vast staat dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat de vrouw jegens de bijzondere curator heeft bevestigd dat de man de biologische vader is van de kinderen is onvoldoende. Dit temeer, omdat de vrouw in de procedure over de ondertoezichtstelling heeft betwist dat de man de verwekker is van de kinderen. De vrouw heeft in die procedure verklaard dat zij al in verwachting was van [minderjarige 1] toen zij en de man een affectieve relatie kregen. De rechtbank moet met voldoende mate van zekerheid kunnen vaststellen dat de man de verwekker is van de kinderen. De beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 23 oktober 2023, die de bijzondere curator bij de mondelinge behandeling op 24 januari 2024 heeft overgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot bewijs te dienen. In die beschikking wijst de IND een aanvraag van de man tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER af. Uit de beschikking blijkt dat de man in het kader van die procedure de uitslag van een DNA-onderzoek heeft overgelegd dat is uitgevoerd in Duitsland. Uit dat DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar dat onderzoek is niet uitgevoerd door een geaccrediteerd DNA-laboratorium. Ook de rechtbank stelt in deze procedure als eis voor een rechtsgeldig DNA-onderzoek dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007). Een dergelijk DNA-onderzoek ontbreekt. 2.
- Om met voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is dus aanvullend bewijs nodig. Dat bewijs kan worden geleverd door een voldoende deugdelijk en betrouwbaar DNA-onderzoek. De rechtbank zal een dergelijk onderzoek gelasten, uit te voeren door Verilabs te Gouda. 2.
- De rechtbank zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, omdat aan de man op grond van de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend. In de eindbeschikking zal de rechtbank aan de hand van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden een definitieve beslissing nemen over de vraag ten laste van wie deze kosten moeten worden gebracht. 2.
- In afwachting van de uitkomst van het deskundigenbericht houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over de vervangende toestemming voor de erkenning aan tot de hierna bij beslissing vermelde datum. 2.
- Omdat in deze procedure al een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank beslissen dat na de afronding van het DNA-onderzoek geen nadere mondelinge behandeling plaatsvindt. Als partijen wel behoefte hebben aan een nadere mondelinge behandeling, moeten zij daar in hun schriftelijke reactie op het rapport DNA-onderzoek gemotiveerd om verzoeken. Daarna zal de rechtbank het verdere verloop van de procedure bepalen. Omgang 2.
- Bij de beschikking van 20 maart 2024 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld die inhoudt dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot omgang met elkaar iedere zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur. 2.
- In het raadsrapport van 16 juli 2024 adviseert de raad de voorlopige omgangsregeling definitief vast te stellen met de toevoeging dat onder professionele begeleiding van BOR Humanitas wordt toegewerkt van begeleid contact (onder toezicht van de vrouw) naar onbegeleid contact. De raad maakt zich zorgen over de mogelijkheden die de kinderen nu hebben om op een onbelaste manier de contacten met de man aan te gaan. Er is geen communicatie en samenwerking tussen de man en de vrouw en het vertrouwen in elkaar ontbreekt. Gedurende het raadsonderzoek heeft de vrouw er blijk van gegeven dat zij geen rol ziet voor de man in het leven van de kinderen. Zij heeft zich jegens de raad enkel negatief uitgelaten over de man. Volgens de vrouw zijn de kinderen angstig voor de man. De man merkt dat de kinderen meer afstandelijk zijn naar hem toe. De raad heeft gedurende het raadsonderzoek geen contra-indicaties gezien voor omgang tussen de man en de kinderen, anders dan de belemmeringen door het wantrouwen van de vrouw en het gebrek aan communicatie en afstemming tussen de man en de vrouw. Dit is volgens de raad echter geen reden om geen contact tussen de man en de kinderen te laten plaatsvinden. De vrouw heeft wel omgang toegestaan, maar alleen op straat onder haar toezicht. De raad vindt deze wijze van omgang niet wenselijk voor de kinderen. Dit enerzijds omdat de kinderen zich dan mogelijk niet vrij voelen in hun contact met de man uit loyaliteit aan de vrouw en anderzijds omdat de kinderen geconfronteerd worden met de spanningen tussen de man en de vrouw. De raad vindt dat de ouders professionele begeleiding nodig hebben door BOR Humanitas, om van begeleide omgang toe te kunnen werken naar onbegeleide omgang tussen de man en de kinderen. 2.
- De man heeft in zijn schriftelijke reactie verklaard dat hij zich kan vinden in het advies van de raad. De vrouw heeft in deze procedure niet gereageerd op het advies van de raad. 2.
- De rechtbank stelt vast dat uit het raadsonderzoek niet is gebleken van contra-indicaties voor omgang tussen de vader en de kinderen. Zij hebben op grond van het family life tussen hen recht op contact met elkaar. Dat moet dan wel een onbelast contact zijn. Daarvan is op dit moment geen sprake. De voorlopige omgangsregeling die is vastgesteld bij de beschikking van 20 maart 2024 leidt tot spanningen en escalaties tussen de man en de vrouw, ook in het bijzijn van de kinderen. Uit de beschikking van 30 september 2024, waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken, blijkt bijvoorbeeld dat de politie betrokken is geweest bij een incident met fysiek geweld tussen de man en de vrouw op 30 juli 2024 bij de woning van de vrouw. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren toen in de woning aanwezig. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de kinderen aan deze spanningen worden blootgesteld. Dat de man en de vrouw professionele begeleiding nodig hebben om de kinderen in staat te stellen op een onbelaste wijze contact te hebben met de man staat daarom voor de rechtbank wel vast. Gezien de spanningen en escalaties die al hebben plaatsgevonden tussen de man en de vrouw rondom de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling, vraagt de rechtbank zich af of begeleiding door BOR Humanitas voldoende is om de omgang op een voor de kinderen onbelaste manier te kunnen invullen. De rechtbank ziet hierin een rol voor de GI als uitvoerder van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal daarom het advies van de raad overnemen en een omgangsregeling vaststellen die inhoudt dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per week op zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur, maar de rechtbank zal daarbij bepalen dat die omgang plaatsvindt onder begeleiding van een professionele instantie zoals BOR Humanitas of een andere door de GI in overleg met de ouders te bepalen professional, totdat de GI vindt dat de omgang onbegeleid kan plaatsvinden. 2.
- De man stelt in zijn F9-formulier van 8 december 2024 dat de voorlopige omgangsregeling niet wordt uitgevoerd omdat de vrouw geen contact toestaat en dat de man de kinderen al langere tijd niet heeft gezien. De rechtbank wijst beide ouders er op dat zij allebei verplicht zijn uitvoering te geven aan de omgangsregeling die de rechtbank vaststelt. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de ouders ook verplicht de aanwijzingen van de GI op te volgen, zodat de omgang op een voor de kinderen onbelaste wijze kan worden vormgegeven. Gezag 2.
- Zoals al is overwogen in de beschikking van 20 maart 2024 onder rechtsoverweging 4.
- is de man op dit moment nog niet bevoegd tot het gezag. De rechtbank zal daarom de beslissing op het verzoek over het gezag hierna bij de beslissing andermaal aanhouden totdat een beslissing is genomen op het verzoek van de man over de erkenning. 3De beslissing De rechtbank 3.
- stelt een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast die inhoudt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur, welk contact wordt begeleid door een professionele instantie zoals BOR Humanitas of een andere door de GI in overleg met de ouders te bepalen professional, totdat de GI vindt dat de omgang onbegeleid kan plaatsvinden; 3.
- verklaart deze beschikking, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- beveelt een deskundigenonderzoek omtrent de vraag of de heer [de man] de biologische vader is van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 1] , [minderjarige 2] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 2] ; 3.
- benoemt daartoe tot deskundige: een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11-D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-1054115), teneinde zelfstandig een onderzoek in te stellen met betrekking tot voormelde vraag; 3.
- bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op tijd en plaats als door de deskundige in overleg met partijen nader te bepalen; 3.
- wijst de deskundige er op dat: na aanvaarding van de benoeming de verplichting bestaat de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen; bij het onderzoek partijen door de deskundige in de gelegenheid moeten worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan; van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken in het schriftelijk bericht melding moet worden gemaakt; 3.
- wijst partijen er op dat, indien zij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan meteen een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken; 3.
- bepaalt dat geen voorschot wordt opgelegd; 3.
- bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal doen toekomen; 3.
- bepaalt dat de deskundige het schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het afschrift van deze beschikking ter griffie van de rechtbank moet indienen; 3.
- bepaalt dat, nadat het schriftelijk bericht van de deskundige bij de griffie is ingediend, partijen door de griffier in de gelegenheid worden gesteld daar schriftelijk op te reageren, waarbij de vrouw het eerst aan het woord is; 3.
- houdt iedere verdere beslissing over de erkenning en het gezag pro forma aan tot 6 mei 2025; 3.
- compenseert de, tot zover, gemaakte proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door, mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 februari
- Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.