Rechtbank Oost-Brabant – ECLI:NL:RBOBR:2026:1037
RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/4154 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. A. Habib-Portier), en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de Raad Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het op 17 december 2024 ingestelde beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 5 november 2024. In dit besluit is de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging gehandhaafd. De gevraagde toevoeging (1KK 8247) zag op het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit ex artikel 3.1. van het Vreemdelingenbesluit 2000 waarmee de staatssecretaris een voorlopig oordeel geeft over de herhaalde asielaanvraag asiel van eiser. Volgens de raad was er onvoldoende reden voor rechtsbijstand.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. De rechtbank heeft drie beroepen van eiser aanhangig jegens verschillende in een kort tijdsbestek genomen besluiten van de raad over geweigerde toevoegingen. In die zaken heeft de gemachtigde al op 14 januari 2025 laten weten dat eiser inmiddels niet langer in Nederland verblijft maar op een onbekend adres in Bulgarije en dat zij niet in staat is om het formulier betalingsonmacht door haar cliënt te laten ondertekenen.
Eiser kan dus met eventueel (alsnog) toegevoegde rechtsbijstand niet meer bereiken dat hij in Nederland mag blijven. Feitelijke betekenis bij een toevoeging ontbreekt daarom voor hem. Gelet op de geschetste gang van zaken is verder niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het niet verlenen van de toevoeging. Dat eiser zijn gemachtigde opdracht heeft gegeven om niet uitsluitend op toevoegingsbasis maar tegen facturering werkzaamheden voor hem te verrichten, acht de rechtbank gelet op het gestelde ontbreken van inkomen niet aannemelijk. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit over de afwijzing van zijn verzoek om (gefinancierde) rechtsbijstand.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat, anders dan in de zaak 25/146, de rechtsbijstandsverlener zelf geen belanghebbende is bij deze procedure. Het ingestelde rechtsmiddel kan dus niet worden toegerekend worden aan de gemachtigde.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Buijk-Ibrahimovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RVS:2014:916.