← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2026:1038

RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 24/4153 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. A. Habib-Portier), en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de Raad Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het op 17 december 2024 ingestelde beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 5 november
  2. In dit besluit is de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging gehandhaafd. De gevraagde toevoeging (1KK8249) zag op het indienen van een voorlopige voorziening connex aan een beroep van 17 juni 2024 tegen een besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtstermijn van 7 mei
  3. De Raad heeft de aanvraag afgewezen omdat sprake is van een onvoldoende belang voor indiener om de kosten van de rechtsbijstand te rechtvaardigen omdat er geen sprake zou zijn van een spoedeisend belang. Daarbij is erop gewezen dat voor het indienen van een voorlopige voorziening connex aan het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting op 8 juli 2024 een toevoeging is verleend (1KK8254) en dat deze voorziening op 8 juli 2024 is toegewezen. 1.
  4. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. De rechtbank heeft namelijk drie beroepen van eiser (naast deze zaak ook 24/4154 en 25/146) aanhangig jegens verschillende in een kort tijdsbestek genomen bestreden besluiten van de raad over geweigerde toevoegingen. In die zaken heeft de gemachtigde al op 14 januari 2025 laten weten dat eiser inmiddels niet langer in Nederland verblijft maar op een onbekend adres in Bulgarije en dat zij niet in staat is om het formulier betalingsonmacht door haar cliënt te laten ondertekenen.
  6. Vervolgens is de gemachtigde gevraagd om bewijsstukken waaruit blijkt dat eiser nog steeds contact met de gemachtigde heeft en haar gemachtigd heeft deze procedure te voeren. Tevens is verzocht om het formulier betalingsonmacht door haar cliënt zelf te laten ondertekenen. De gemachtigde heeft niet op de vragen van de rechtbank gereageerd maar wel het griffierecht betaald. Gelet op het bepaald in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag de rechtbank van een advocaat geen schriftelijke machtiging verlangen. Een advocaat die zonder opdracht procedeert kan immers tuchtrechtelijke worden aangesproken. Dit laat echter onverlet dat de advocaat met het oog op de beoordeling van het procesbelang wel gevraagd kan worden te verklaren of zij nog contact heeft met haar cliënt. Uit het uitblijven van een antwoord leidt de rechtbank af dat zij dit dus niet heeft. De vraag naar het procesbelang houdt tevens de vraag in of het doel dat eiser met deze procedure wil bereiken (een toevoeging) voor hem nog van feitelijke betekenis is. Het feit dat hij geen contact meer onderhoudt met de advocaat om wiens toevoeging hij heeft verzocht maakt dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. Daarbij komt dat indien er wel contact zou zijn, er naar het oordeel van de rechtbank ook geen procesbelang is.
  7. Eiser verzoekt namelijk om een toevoeging voor het indienen van een voorlopige voorziening tegen een verlenging van een overdrachtstermijn. De rechtbank ziet niet in dat het alsnog verlenen van een toevoeging voor die procedure voor hem van feitelijke betekenis is. Eiser kan namelijk met eventueel (alsnog) toegevoegde rechtsbijstand voor een voorlopige voorziening niet meer bereiken dat hij in Nederland mag blijven. Er heeft namelijk al definitieve besluitvorming plaatsgevonden. Feitelijk betekenis bij een toevoeging ontbreekt daarom voor hem. Verder is niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het niet verlenen van een toevoeging. Dat eiser zijn gemachtigde opdracht heeft gegeven om niet uitsluitend op toevoegingsbasis maar tegen facturering werkzaamheden voor hem te verrichten, acht de rechtbank gelet op gestelde ontbreken van inkomen niet aannemelijk. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit over de afwijzing van zijn verzoek om (gefinancierde) rechtsbijstand. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat, anders dan in de zaak 25/146, de rechtsbijstandsverlener zelf geen belanghebbende is bij deze procedure. Het ingestelde rechtsmiddel kan dus niet worden toegerekend worden aan de gemachtigde.
  8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Buijk-Ibrahimovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RVS:2014:916.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.