vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummers: 01.019683.21, 01.259456.23 en 01.169116.24 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 20 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1972] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te: [verblijfplaats] . Procesverloop Vanwege de diverse eerdere afsplitsingen van het inleidende onderzoek Baraga geeft de rechtbank ter verduidelijking een korte schets van het algehele procesverloop per parketnummer. t.a.v. 01.019683.21 De twee feiten in de zaak met dit parketnummer zijn eerder samen met andere feiten in onderzoek Baraga bij dagvaarding van 27 december 2022 onder het parketnummer 01.235439.21 aangebracht. Hierna hebben in dat kader zittingen plaatsgevonden op 31 januari 2023, 25 april 2023 en 11 juli 2023. Op laatstgenoemde zitting heeft de rechtbank de afsplitsing van deze twee feiten bevolen waarna deze feiten samen met andere feiten op 4 september 2023 onder parketnummer 01.019683.21 zijn aangebracht. Vervolgens hebben onder dit parketnummer zittingen plaatsgevonden op 3 oktober 2023, 12 april 2024, 12, 13 en 14 november 2025 en 11 februari 2026. Op de zitting van 12 april 2024 heeft de rechtbank een wijziging tenlastelegging toegestaan. t.a.v. 01.169116.24 De twee feiten in de zaak met dit parketnummer zijn eerder samen met andere feiten in onderzoek Baraga bij dagvaarding van 27 december 2022 onder het parketnummer 01.235439.21 aangebracht. Hierna hebben in dat kader zittingen plaatsgevonden op 31 januari 2023, 25 april 2023, 11 juli 2023, 3 oktober 2023 (met een wijziging tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), 11 en 12 oktober 2023 en 15 november 2023, 7 februari 2024, 21 mei 2024 en 22 mei 2024. Op laatstgenoemde zitting heeft de rechtbank een wijziging tenlastelegging toegestaan en de afsplitsing van deze twee feiten bevolen. Deze feiten zijn vervolgens op 7 oktober 2025 onder het parketnummer 01.169116.24 aangebracht ten behoeve van de zittingen van 12, 13 en 14 november 2025. Op de zitting van 12 november 2025 heeft de rechtbank deze zaak gevoegd bij de zaak onder het parketnummer 01.019683.21. t.a.v. 01.259456.23 De zaak met dit parketnummer is bij dagvaarding van 7 maart 2024 aangebracht ten behoeve van de zitting van 12 april 2024. Op deze zitting heeft de rechtbank deze zaak gevoegd bij de zaak onder het parketnummer 01.019683.21. Op de zitting van 12 november 2025 heeft de rechtbank een wijziging van de tenlastelegging toegestaan. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van alle eerdere hiervoor genoemde onderzoeken ter terechtzitting, waarbij telkens het onderzoek ter terechtzitting is hervat in de stand waarin het zich op de vorige terechtzitting bevond. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte en zijn raadsman, mr. Zuketto, naar voren is gebracht. De tenlastelegging. Met inachtneming van alle hiervoor opgesomde wijzingen van de diverse tenlasteleggingen is aan verdachte het volgende tenlastegelegd: t.a.v. 01.019683.21 1. (zaaksdossier 2) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2022 tot en met 11 oktober 2022 Eindhoven, Best, Amsterdam, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van synthetische drugs, zoals (met)amfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door: - gesprekken te voeren over de vervaardiging/bewerking/verwerking van (met)amfetamine/MDMA en/of (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK, - gesprekken te voeren over de verkrijging, inkoop, verkoop, kosten, prijzen en opbrengsten van (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK, - het in ontvangst (laten) nemen, over (laten) dragen, (laten) leveren van meerdere (grote hoeveelheden) (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK; 2. (zaaksdossier 1) hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 oktober 2022 te Best, Eindhoven, althans in Nederland, als oprichter, leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten (onder andere) - verdachte, - [medeverdachte 1] - [medeverdachte 2] - [bedrijf 1 van verdachte] - [bedrijf 2 van verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gewoonte)witwassen; t.a.v. 01.259456.23 1. (zaaksdossier 1) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2017 tot en met 17 oktober 2022 te Eindhoven, Best althans in Nederland en/of Marbella, althans in Spanje, meermalen, althans eenmaal (telkens) (van) een of meer voorwerpen, te weten: (van) een of meer voertuigen, te weten: - een auto (merk Mercedes Benz SLS, kenteken [kenteken 1] ), - een auto (merk Mercedes Benz 280 SL, Pagode 1969), - een camper (merk Bürstner GMBH BUI821, kenteken [kenteken 2] ), - een motor (merk Harley Davidson, kenteken [kenteken 3] ), en/of (van) een of meer geldbedragen, te weten: - in totaal ongeveer € 150.000, aangetroffen in de kluis bij de heer [betrokkene 1] , - een of meer (grote) contante geldbedrag(en), die zijn geïnvesteerd/ingebracht in [bedrijf 2 van verdachte] , - een of meer geldbedragen, bestaande uit ontvangen winstuitkering en/of salaris uit [bedrijf 2 van verdachte] , en/of (van) een of meer horloges, te weten: - een horloge (merk Audemars Piquet Royal Oak, goednummer 745789, p. 3877), - een horloge (merk Rolex Sky-Dweller, goednummer 745788, p. 3877), - een horloge (merk Rolex GMT master II, goednummer 741305, p. 3877), - een horloge (merk Rolex Day-date, goednummer 741233, p. 3877), en/of (van) een of meer woningen en/of geldbedragen, te weten: - een appartement, gelegen aan [adres 2] te Marbella (Spanje), - een of meer (contante) geldbedragen ten behoeve van de aankoop van en/of een of meer verbouwing(
- en)aan voornoemd appartement, - een woning, gelegen aan de [adres 1] te Eindhoven, - een of meer contante geldbedrag(
- en)ten behoeve van een of meer verbouwing(
- en)van voornoemde woning, - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie die voorwerpen voorhanden hadden, - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, - en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, - en hij, verdachte, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep en/of bedrijf; 2. (zaaksdossier 3) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 te Eindhoven, Best althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het vervoeren van cocaïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het voeren van gesprekken over het transport van cocaïne, de prijzen van cocaïne, de hoeveelheid uit te voeren cocaïne, het maken van afspraken voor ontmoetingen en hebben van ontmoetingen omtrent cocaïne, - het (laten) maken en/of verstrekken van (een) kist(
- en)ten behoeve van het vervoer van cocaïne, - het voorhanden hebben van een cryptotelefoon; 3. (zaaksdossier 3) hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 14 augustus 2020 tot en met 7 november 2020 te Eindhoven, Best althans in Nederland en/of Frankrijk en/of Duitsland, meermalen althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(
- en)opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid/grote hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4. (zaaksdossier 2) hij op of omstreeks de periode van 10 maart 2022 tot en met 24 maart 2022 te Eindhoven, Best althans in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; t.a.v. 01.169116.24 1. hij op of omstreeks 11 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die voornoemde personenauto, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of garage en/of hekwerk en/of een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 11 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(
- n)en/of een of meer van diens mededader(
- s)toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of garage en/of hekwerk en/of een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was, welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 11 mei 2020, in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen en/of het geven van instructies voor het in brand te steken van die personenauto’s, en/of de wijze van brandstichting; 2. hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 13 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Porsche), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die voornoemde personenauto, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of garage en/of hekwerk en/of een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 13 mei 2020 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(
- n)en/of een of meer van diens mededader(
- s)toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Porsche) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Porsche) aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of garage en/of hekwerk en/of een nabij die personenauto geparkeerde personenauto, te duchten was, welk feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 13 mei 2020, in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen en/of het geven van instructies voor het in brand te steken van die personenauto’s, en/of de wijze van brandstichting. Door een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging onder het parketnummer 01.169116.24 staat telkens in de eerste regel van de twee subsidiair tenlastegelegde feiten ‘ [betrokkene 3] ’ in plaats van ‘ [betrokkene 3] ’. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Geldigheid dagvaardingen. De raadsman heeft een beroep gedaan op partiële nietigheid ten aanzien van het eerste gedachtestreepje van de verfeitelijking van feit 2 van parketnummer 01.259456.23. Volgens de raadsman zijn de daarin omschreven gedragingen onvoldoende geconcretiseerd, zodat niet duidelijk is waartegen verdachte zich moet verweren. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit deel van de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen zoals bepaald in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie heeft niet op dit verweer gerespondeerd. De rechtbank verwerpt het beroep op partiële nietigheid en overweegt daartoe het volgende. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering moet de dagvaarding een opgave bevatten van het tenlastegelegde feit met vermelding van tijd en plaats en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Daarbij staat centraal dat de verdachte op basis van de tenlastelegging weet tegen welke beschuldiging hij zich moet verdedigen en dat dat ook voor de rechtbank duidelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de in feit 2 van de tenlastelegging (01.259456.23) onder het eerste gedachtestreepje genoemde gedragingen voldoende duidelijk en concreet zijn omschreven, zodat verdachte zich heeft kunnen voorbereiden op zijn verdediging. In zaaksdossier 3 van onderzoek Grummor is een hoeveelheid Encrochat-berichten opgenomen die zouden zijn uitgewisseld in de tenlastegelegde periode door een door de politie aan verdachte toegeschreven account en waaraan de politie bepaalde conclusies verbindt. De inhoud van deze berichten ligt ten grondslag aan de verdenking neergelegd in genoemd feit 2 en de daarin opgenomen verfeitelijking. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde vereisten. De rechtbank is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat deze dagvaarding ook voor het overige geldig is. Dat geldt evenzeer voor de andere twee dagvaardingen. De overige formele voorvragen. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. De bewijsvraag. Hierna zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis verdachte en de medeverdachten steeds bij hun achternaam noemen zonder daaraan telkens (mede)verdachte toe te voegen. In deze zaak komen twee personen voor met dezelfde naam: [medeverdachte 1] . Een daarvan is medeverdachte bij de verdenking dat [verdachte] deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie met als doel (gewoonte)witwassen en wiens zaak gelijktijdig is behandeld met de zaak tegen [verdachte] . Deze medeverdachte wordt aangeduid met [medeverdachte 1] . De andere persoon is zijn vader, die wordt aangeduid met [medeverdachte 2] Beiden worden beschouwd als lid van de criminele organisatie. 1.Inleiding. Op 24 november 2020 werd naar aanleiding van TCI-informatie een opsporingsonderzoek onder de naam Baraga gestart. Dit onderzoek richtte zich op de productie van en/of handel in (grondstoffen voor) synthetische drugs en de deelneming aan een criminele (drugs)organisatie. Bij de start van het onderzoek kende het onderzoek Baraga een aantal verdachten, waaronder [verdachte] . In mei 2021 werd naar aanleiding van een afschermproces-verbaal met betrekking tot een drugslaboratorium in Turnhout een afzonderlijk onderzoek onder de naam Grummor tegen [verdachte] opgestart vanwege de verdenking van zijn betrokkenheid bij witwasactiviteiten, waaronder in georganiseerd verband. In november 2021 werd een bevel tot opname van vertrouwelijke communicatie (hierna OVC) gegeven ten aanzien van het bedrijfspand van [bedrijf 2 van verdachte] gelegen aan [adres 3] te Best. Hierbij waren ook camerabeelden beschikbaar. [verdachte] was vanaf 1 januari 2019 medefirmant van dat bedrijf. Uit de inhoud van deze OVC-gesprekken bleek, naast de betrokkenheid van [verdachte] bij witwasactiviteiten, tevens van (gezamenlijke) activiteiten met [betrokkene 4] ten behoeve van de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs, waaronder de handel in daarvoor benodigde grondstoffen, zoals apaan. Dit heeft geresulteerd in een observatie op 16 mei 2022 in Amsterdam waarbij de rechtstreekse betrokkenheid van [betrokkene 4] bij een overdracht van ongeveer 20 gevulde zakken aan [betrokkene 8] werd waargenomen. Deze zakken bleken later telkens 25 kilogram apaan te bevatten. Apaan wordt gebruikt voor de vervaardiging van BMK, zijnde de grondstof voor de productie van de harddrug (meth)amfetamine. In zoverre is apaan een pre-precursor in dat productieproces. Deze verdenking van betrokkenheid bij - kort gezegd - de handel in (pre-)precursoren werd bevestigd door de inhoud van ontsleutelde cryptocommunicatie. Tevens bleek uit deze communicatie de betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van cocaïne, de daadwerkelijke uitvoer van cocaïne en een tweetal brandstichtingen. Al deze onderzoeksgegevens hebben geresulteerd in de volgende beschuldigingen, kort gezegd inhoudende: - het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs; - het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen gericht op uitvoer/vervoer van cocaïne; - het (mede)plegen van het uitvoeren van cocaïne; - het verhandelen dan wel aanwezig hebben van 2 kilogram cocaïne; - het medeplegen van twee brandstichtingen dan wel de uitlokking ervan; - gewoontewitwassen; - het als leider deelnemen aan een criminele organisatie gericht op (gewoonte) witwassen. 2Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft op gronden als verwoord in zijn schriftelijke requisitoir tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten gerekwireerd. Voor wat betreft de brandstichtingen acht de officier van justitie telkens de primaire variant (medeplegen) bewezen. 3Het standpunt van de verdediging. De raadsman heeft op gronden als verwoord in zijn pleitnota vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. 4De bewijsmiddelen. De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in een bewijsbijlage die onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage geldt als hier herhaald en ingelast. Daarbij dient opgemerkt te worden dat vanwege de overlap van de bewijsmiddelen met diverse feiten één gezamenlijk bewijsmiddelenoverzicht is opgesteld dat betrekking heeft op alle feiten. 5Verweren. Voor zover de verdediging ter terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 verweren heeft gevoerd waarop de rechtbank hierna niet respondeert, vinden die verweren hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bewijsbijlage zijn opgenomen. De rechtbank heeft in wat is besproken tijdens de terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 geen aanknopingspunten gevonden die maken dat aan de betrouwbaarheid en juistheid van de inhoud van die bewijsmiddelen moet worden getwijfeld. Een aantal van die verweren bevinden zich op het snijvlak van een bewijsverweer en kwalificatieverweer. De rechtbank zal deze verweren hierna onder het kopje ‘strafbaarheid van de feiten’ bespreken. 6De beoordeling van de rechtbank. Het beschikbare bewijsmateriaal is in belangrijke mate afkomstig uit de inhoud van OVC-gesprekken en cryptoberichten (Encrochat, SkyECC en Exclu) en daarnaast - in mindere mate - tapgesprekken. De rechtbank acht het dan ook van belang om hieraan enkele inleidende overwegingen te wijden. Deze overwegingen zien op de identificatie van de gespreksdeelnemers en de gebruiker van crypto-accounts (6.1), de verslaglegging van de OVC-gesprekken en tapgesprekken (6.2), cryptodata als bewijs (6.3) en de duiding van de gesprekken en berichten (6.4). Hierna zal de rechtbank de Opiumwetdelicten bespreken (6.6, 6.7, 6.8 en 6.10) voorafgegaan door een algemene overweging betreffende het kader van artikel 10a van de Opiumwet (6.5) en met een tussentijdse overweging en beslissing over medeplegen (6.9). Dan volgt een bespreking van de ten laste gelegde brandstichtingen (6.11) gevolgd door de beschuldigingen van gewoontewitwassen (6.12) en tot slot het als leider deelnemen aan een criminele organisatie (6.13). 6.1. Identificaties OVC-gesprekken, tapgesprekken en crypto-accounts. De verantwoording van de identificatie van [betrokkene 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] als gespreksdeelnemers in OVC-gesprekken is telkens neergelegd in een op het betreffende individu toegesneden proces-verbaal stemherkenning. Deze processen-verbaal bevinden zich in hun persoonsdossiers, als volgt: t.a.v. [verdachte] op p. 5386; t.a.v. [betrokkene 4] op p. 5933-5936; t.a.v. [medeverdachte 2] op p. 5808-5809; t.a.v. [medeverdachte 1] . op p. 5576-5579. De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en dus als gespreksdeelnemer met daarmee gevoerde gesprekken is neergelegd in de combinatie van relazen van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] (p. 5265-5366, p. 5376 en p. 5385), [verbalisant 2] (p. 5367-5368) [verbalisant 3] (p. 5377-5378). De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] is neergelegd in het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] op p. 5365. De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] volgt uit het samenstel van de inhoud van de relazen van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] (p. 70-72), [verbalisant 5] (p. 73-80), [verbalisant 6] (p. 81-87) en [verbalisant 7] (p. 119-126). Alle onderstaande SkyECC-accounts hebben steeds dezelfde wachtwoorden en nicknames welke nagenoeg hetzelfde zijn als die bij Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] (p. 31-87 en 1016-1021) . De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van SkyECC-accounts [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] volgt uit het samenstel van de inhoud van de relazen van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] (p. 113-118), [verbalisant 6] (p. 81-87), [verbalisant 7] (p. 119-126) en [verbalisant 9] (p. 105-108). De verantwoording van de identificatie van [verdachte] als gebruiker van Exclu-ID [gebruikersnaam 5] is neergelegd in het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (p. 1044-1047). De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies over de identificaties gecontroleerd tegen de achtergrond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen en valide geacht. Zo vinden de identificaties van de gespreksdeelnemers in OVC-gesprekken bevestiging in de inhoud van een aantal gesprekken, daar waar de als [verdachte] , [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] . geïdentificeerde gespreksdeelnemers worden aangesproken met hun voornamen, respectievelijk [verdachte] , [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] . De rechtbank neemt alle identificerende conclusies dan ook over. De rechtbank heeft in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen geen aanwijzingen gevonden om aan deze conclusies te twijfelen. Voor wat betreft het gebruik van crypto-accounts overweegt de rechtbank verder het volgende. De aard en inhoud van de cryptocommunicatie maken dat, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, één persoon de gebruiker is van een dergelijk account. Dat volgt temeer uit de aanduiding door andere gebruikers van een soortgelijk crypto-account die er eveneens van uitgaan dat de gebruiker van een ander account steeds dezelfde persoon is. De accounts zijn ook afgeschermd met een wachtwoord, logischerwijs normaal gesproken alleen bekend bij de gebruiker van een account. Omdat in dergelijke communicatie niet zelden serieuze strafbare feiten aan de orde komen, valt ook in beginsel niet te verwachten dat derden tot die risicovolle informatie toegang zal worden verleend. Het delen van een crypto-account betreft in zijn algemeenheid een zeer ongebruikelijk fenomeen en is dus op voorhand niet aannemelijk. Tijdens het verhandelde ter terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 heeft de verdediging op geen enkel moment de identificaties van [verdachte] gemotiveerd betwist toen hem gesprekken en chatberichten werden voorgehouden met hem als gestelde gespreksdeelnemer en gebruiker. De raadsman heeft ter terechtzitting van 14 november 2025 weliswaar terloops opgemerkt dat de rechtbank ‘weet’ dat [verdachte] ontkent de gebruiker van de verscheidene SkyECC- accounts en de verzender en ontvanger van die berichten te zijn geweest (p. 106, pleitnota), maar de rechtbank leest een dergelijke betwisting door of namens [verdachte] nergens in de stukken terug. Wel heeft de rechtbank een soortgelijke opmerking van de raadsman ter terechtzitting van 22 mei 2024 in de zaak met het huidige parketnummer 01.169116.24 (destijds nog onderdeel van 01.235439.21) gezien, met dien verstande dat deze betwisting zag op het versturen van berichten vanaf het Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] in die bewuste zaak. De rechtbank kent in het gecombineerde licht van de identificerende onderzoeksbevindingen en de overweging van de rechtbank over het gebruik van crypto-accounts geen gewicht toe aan deze niet nader onderbouwde betwistingen, die niet uit de mond van verdachte komen. 6.2. Verslaglegging OVC- en tapgesprekken. Tijdens het verhandelde ter terechtzittingen is niet gesteld of gebleken van onjuistheden of onvolledigheden in de schriftelijke uitwerkingen. De rechtbank gaat dan ook uit van de betrouwbaarheid en juistheid van de schriftelijke verslaglegging van de inhoud van deze gesprekken. De juistheid van de verslaglegging is ook niet door de verdediging betwist. Het dossier bevat in zaaksdossier 1 (witwassen) en zaaksdossier 2 (handel in grondstoffen) ook relazen van bevindingen waarin OVC-gesprekken in samenvattende vorm zijn weergegeven. De rechtbank heeft de samenvattende inhoud van de OVC-gesprekken telkens gecontroleerd aan de aan hand van de tevens bij die processen-verbaal bijgevoegde onderliggende transcripties van die gesprekken en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. De juistheid van de samenvattende verslaglegging is evenmin door de verdediging betwist. De rechtbank heeft in feit 1 (01.019683.21) de samenvattende weergaven van de OVC-gesprekken als uitgangspunt in de bewijsvoering betrokken, met telkens (in de bewijsbijlage) de vermelding van de vindplaats van de onderliggende transcripties. Daar waar nodig heeft de rechtbank een samenvattende weergave aangevuld met (een) passage(
- s)uit dat onderliggende gesprek. Het voorgaande geldt eveneens voor zover de rechtbank terzake van feit 2 (01.019683.21) en feit 1 (01.259456.23) samenvattende weergaven van OVC-gesprekken in de bewijsvoering heeft betrokken. 6.3 Cryptodata als bewijs. De in het procesdossier opgenomen cryptoberichten moeten worden beschouwd als andere geschriften in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 5, van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van dat wetsartikel kunnen dergelijke geschriften alleen als bewijs gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Één ander bewijsmiddel kan volstaan en dat bewijsmiddel mag ook weer een ander geschrift zijn. Aan het verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen worden geen zware eisen gesteld, in die zin dat het verband door de rechter niet uitdrukkelijk hoeft te worden aangegeven. Dit betekent dat een bericht van de ene communicatiedienst tevens steun kan vinden in een ander bericht van diezelfde of andere communicatiedienst. De rechtbank stelt in deze voorop dat in de onderhavige beschuldigingen, daar waar sprake is van cryptodata, in de meeste gevallen niet telkens slechts één chatbericht met één ander account beschikbaar is, maar dat sprake is van grote hoeveelheden gesprekken met een aantal verschillende accounts op meerdere data, waarbij soms ook afbeeldingen zijn verstuurd die de inhoud van de chatberichten ondersteunen. In de zaak met het parketnummer 01.169116.24 is weliswaar sprake van een gering aantal chatberichten op één datum tussen twee accounts, echter deze berichten worden weer ondersteund door andersoortige bewijsmiddelen. 6.4.Duiding inhoud OVC-gesprekken, cryptoberichten en tapgesprekken. De rechtbank heeft ter waarborging van de juistheid van de interpretatie en uitleg van de inhoud van de uitgewerkte gesprekken en weergegeven cryptoberichten behoedzaamheid in acht genomen om het risico te ondervangen dat aan een gesprek of bericht een verkeerde uitleg wordt gegeven. Met name bij een belastende uitleg moet ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing kunnen worden geconcludeerd dat de inhoud van het gesprek of weergegeven bericht redelijkerwijs niet voor een andere uitleg vatbaar is dan die belastende. Bij de beoordeling of daarvan sprake is kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en inhoud van het gesprek of berichten, de betekenis van bepaalde bewoordingen, de context waarin het gesprek of bericht heeft plaatsgevonden, het verband met eventueel ander bewijsmateriaal, en ook de vraag of - en, zo ja, in welk stadium van het geding – de verdachte een plausibele uitleg over en voor het gesprek of bericht heeft gegeven. Als, zoals in dit geval, de verdachte zwijgt dan wel elke betrokkenheid ontkent en de vaststelling van de betrokkenheid van de verdachte bij een ten laste gelegd delict in grote mate zou moeten worden gebaseerd op de inhoud van opgenomen gesprekken en weergegeven berichten, dan is het belang van de hiervoor bedoelde toets des te groter. De rechtbank is - de hiervoor bedoelde behoedzaamheid in acht nemend - van oordeel dat de inhoud van de door voor het bewijs gebezigde OVC-gesprekken, cryptoberichten en tapgesprekken redelijkerwijs uitsluitend voor een voor de beoordeling van deze strafzaak belastende uitleg vatbaar is. De op momenten niet te verstane (ntv) passages in de OVC-gesprekken doen hieraan geen afbreuk. [verdachte] heeft de hierna onder de verschillende kopjes aangenomen belastende uitleg van de gesprekken en berichten ook in geen enkel geval betwist. Evenmin heeft hij een alternatieve uitleg gegeven waaruit zou kunnen volgen dat de belastende uitleg telkens onjuist is. 6.5 Kader artikel 10a van de Opiumwet. De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet is in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld vanwege het gevaarzettende karakter van deze handelingen. Het resultaat van die handelingen is daarbij niet relevant. De voorbereidingshandelingen zijn strafbaar zowel wanneer de dader in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het misdrijf waarop die voorbereidingshandelingen zien is voltooid, althans sprake is een strafbare poging tot dat misdrijf. Dat betekent dat, indien de voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht zijn op een misdrijf dat in de voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, het enkele feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen, omdat inmiddels ingetreden omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter ontneemt. Waar het om draait is of degene die handelingen als omschreven in artikel 10a van de Opiumwet verricht, daarmee beoogt een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat om de criminele intentie die uit gedragingen naar voren komt, oftewel het misdadig doel dat een verdachte voor ogen stond. Vastgesteld dient te worden dat de intentie van de voorbereider op de productie van synthetische drugs is gericht en hij aan die intentie uiting heeft gegeven door een of meer van de in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet omschreven voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten. 6.6 Voorbereidingshandelingen ten behoeve van productie synthetische drugs (feit 1, 01.019683.21). Naar het oordeel van de rechtbank is de algehele strekking van de voor het bewijs gebezigde inhoud van OVC-gesprekken en Exclu-berichten, bezien in onderling contextueel verband en samenhang, onmiskenbaar gericht op (handels)activiteiten met (pre-)precursoren ten behoeve van de productie van synthetische drugs. De inhoud van de gesprekken en berichten vindt naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze over en weer bevestiging in elkaar alsook door de inhoud van de bewijsmiddelen die zien op een overdracht van apaan op 16 mei 2022, zoals hierna onder 6.6.2 wordt besproken. Zo wordt in de OVC-gesprekken in grote lijnen gesproken over handelsactiviteiten (aan- en verkoop, bestellingen, importen, leveringen, overdrachten, hoeveelheden, kosten, opbrengsten, percentages en chauffeurs) en verwerkingsmethoden, meest in een gecombineerde context van met in het productieproces van synthetische drugs bekende:
(1)hardware, zoals: ketels, koelers, platen, pijpen, slangen, drukmeters, vriezers, afzuiging, lab, keuken; en
(2)al dan niet met versluierende termen aangeduide (grond)stoffen, zoals: waterstof, stoomolie, olie, A, B, Met-olie, AP, ammoniak, fos, fosforzuur, zout, zwavel, apaan, P-poeder, mieren, lijmblokken, amfetamine, M, P, PMK-glycidaat, poeder, meth, grondstoffen, glycidaat, de formule van B is hetzelfde voor P, olie van die A, liters B, P-ketel, kilo’s AP, vloeibare B, poedervorm, 60 M uit 100 poeder, omzetten naar P, zuivere B, formule van B, het CAS-nummer 28578-16-7 (PMK ethyl glycidaat); en
(3)scheikundige proceshandelingen, zoals: destilleren, smelten, stomen, koken, afdampen, draaien, omzetten, afwerken, oplogen, logen, afdraaien, kristalliseren, mengen, tarren, monsters, liters draaien, uithalen, hoog in de temperatuur, 100 of 200 graden. Dezelfde redenering geldt voor de inhoud van de door [verdachte] (met het account [gebruikersnaam 5] ) verstuurde Exclu-berichten met dien verstande dat deze berichten zich beperken tot handelsactiviteiten met (pre-)precursoren (PMK-glycidaat, P-poeder en PMK) ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Zo wordt in deze Exclu-chats tussen [verdachte] , [gebruikersnaam 6] , [gebruikersnaam 7] en [gebruikersnaam 8] onder meer gesproken over: ‘spullen aanpakken’, ‘onze lijm’, ‘wit’, ‘besten poeder’, ‘witte m’, ‘€ 300 voor die 100 van ons’, ‘M zakt ook steeds meer. 2500 al’, ‘200 afgeven’, ‘200 poeder aanpakken’, ‘de witten’, ‘170 kilo’, ‘ [betrokkene 6] is nu hier en kan voor ons bestellen maar wil € 200’, ‘Kan voor 165 kopen’, ‘Kunt voor 165 hebben hier als ik voor hem draai’, ‘Voor 200 moeten we wel de witte hebben. Want poeder kost nog 130 china nou’, ‘Pak er meteen 1000 van dan. Nee die bruin en we moet 200 betallen’, ‘Koop maar 200 volgende keer wel zakken’, ‘Heb 200 besteld morgen komen ze papieren op hallem’, ‘Ik ga zo die 200 st betallen’, ‘Denk dat we probleem hebben, ze zouden me 70 waterstof. Flessen geven. Maar jongen is gepakt’, ‘Ik kan er 8 st kopen voor 1350’, ’Weet je ook al we die poeder kan kopen of bestellen’, ‘Hij komt dadelijk de papieren op hallen voor die 200 en gat ze vandaag nog bestellen’, en ‘ [gebruikersnaam 9] ’. Verder bevat een bericht van [gebruikersnaam 8] aan [verdachte] een overzicht met de navolgende gegevens: ‘225 lijm, 124x2300=285200, 5625 omzet, 19950 stof, 18750 draai, de man 80.200’. De hiervoor in de Exclu-chats en OVC-gesprekken genoemde termen en afkortingen, worden in het proces-verbaal van bevindingen ‘ [gebruikersnaam 10] , ABC van het drugsjargon ’ (pv nummer 339) en het proces-verbaal van bevindingen ‘overdrachten van apaan’ (pv nummer 746) gekoppeld aan kort gezegd de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs. De rechtbank is hiermee ook overigens ambtshalve bekend uit ander drugszaken. Dat geldt evenzeer voor niet nader in deze processen-verbaal beschreven terminologie. Voor de beoordeling van deze zaak is verder van belang dat apaan (‘AP’) wordt gebruikt voor de vervaardiging van BMK (‘B’), zijnde de grondstof voor de productie van methamfetamine (‘meth’) en amfetamine (‘A’). Verder is van belang dat met de afkorting ‘P’ in versluierd taalgebruik zowel de grondstof voor PMK (dan: ‘P-poeder’ of ‘PMK-glycidezuur’) als de reeds omgezette stof PMK wordt bedoeld, zijnde de precursor voor de productie van MDMA. 6.6.1 Leveringen apaan. Het dossier bevat een schema van veronderstelde overdrachten apaan met specifieke data en hoeveelheden. Het schema gaat uit van acht overdrachten van in totaal ruim 2.000 kilo apaan en is gebaseerd op de inhoud van OVC-gesprekken in de periode van 2 februari 2022 tot en met 29 juni
- De officier van justitie acht al deze overdrachten bewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat ten aanzien van zeven gestelde overdrachten geen eenduidige vaststellingen gemaakt kunnen worden. De rechtbank constateert dat in de daaraan onderliggende gesprekken allerhande activiteiten met verschillende (pre-)precursoren ten behoeve van de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs worden besproken. De rechtbank kan uit context van die gesprekken echter telkens niet zonder gerede twijfel vaststellen of er op die zeven bewuste data daadwerkelijk overdrachten hebben plaatsgevonden dan wel een exclusieve koppeling maken met de op dat moment specifiek aan de orde zijnde grondstof. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke vaststellingen met te veel onzekerheden omgeven. Datzelfde geldt ten aanzien van de op die specifieke momenten veronderstelde hoeveelheden. Zoals hierna aan de orde komt, acht de rechtbank wel bewezen dat [verdachte] en [betrokkene 4] betrokken zijn geweest bij de overdracht van 500 kilogram apaan aan [betrokkene 8] op 16 mei 2022 te Amsterdam. Die concrete vangst heft de hiervoor genoemde onduidelijkheid weliswaar niet op, maar vormt naar het oordeel van de rechtbank wel een verankering voor de algemene vaststelling dat [verdachte] en [betrokkene 4] op momenten in de tenlastegelegde periode gezamenlijk bij de handel in apaan betrokken zijn geweest. De rechtbank baseert dat onder meer op de navolgende passages uit OVC-gesprekken: - op 8 februari 2022 spreekt [verdachte] over een Marokkaan die van de week bij hem is geweest. Hij vertelt: ‘Die pakt bij mij apaan. [betrokkene 7] en die Marokkaan die pakken mijn apaan en draaien ze af.’; - op 8 februari 2022 vraagt [verdachte] aan [betrokkene 4] : ‘En kun je wel nieuwe apaan bestellen denk je?’ [betrokkene 4] zegt: ‘Ja ik kan. Vorige week was er iemand bij mij die heeft 10.000 kilo (..)’; - op 8 februari 2022 zegt [betrokkene 4] dat hij tegen hem (derde) heeft gezegd: ‘laat die mensen P-poeder importeren, in plaats van die apaan. Apaan is er genoeg’; - op 10 februari 2022 praten [verdachte] en [betrokkene 4] over het aanpakken van AP. 6.6.
- Overdracht apaan op 16 mei
- Zoals hiervoor aangestipt, acht de rechtbank de gezamenlijke betrokkenheid van [verdachte] en [betrokkene 4] bij de overdracht van 500 kilo apaan op 16 mei 2022 in Amsterdam bewezen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de navolgende bewijsmiddelen. In OVC-gesprekken van 11 en 14 mei 2022 bespreken [betrokkene 4] en [verdachte] een aanstaande overdracht in Amsterdam op een specifieke locatie. [betrokkene 4] vraagt naar de hoeveelheid: ‘400 of 500’, waarop [verdachte] zegt: ‘Zeg maar 250 en hun 250, hun zeg maar 500 (..) Ja daarom denk ik dat je wel, 500 snap je?’ En als [betrokkene 4] dan nog een keer vraagt: ‘Hoeveel moet ik eruit pakken?’, reageert [verdachte] met ‘5’. [betrokkene 4] en [verdachte] bespreken de locatie in Amsterdam en [betrokkene 4] zegt dat hij ze met een Caddy oppikt. [betrokkene 4] en [verdachte] bespreken het tijdstip van de overdracht en komen uit op ‘tussen half 9 en 9 uur’. Op 16 mei 2022 omstreeks 09:20 uur werd door een observatieteam van de politie een overdracht van ongeveer 20 gevulde zakken op de Vuurwerkerweg te Amsterdam waargenomen. Hierbij werd gezien dat de zakken (door [betrokkene 4] ) vanuit een Volkswagen Caddy (hierna telkens: de Caddy) aan [betrokkene 8] werden aangegeven die de zakken vervolgens in een Opel Vivaro (hierna telkens: de Vivaro) voorzien van het kenteken [kenteken 6] laadde. Na de overdracht vertrok [betrokkene 8] als bestuurder van de Vivaro. De door [betrokkene 8] bestuurde Vivaro werd omstreeks 10:48 uur in Vught aan een controle onderworpen. De bij de controle betrokken verbalisanten roken een sterke chemische geur rondom het voertuig. Deze geur was in de laadruimte nog veel sterker. In de laadruimte lag een groot aantal zakken. Het bleek na onderzoek om 20 zakken van telkens 25 kilo met de stof apaan te gaan. In een OVC-gesprek van 16 mei 2022 spreken [verdachte] en [betrokkene 4] over de kort daarvoor plaatsgevonden overdracht en in de OVC-gesprekken van 17 mei 2022, 24 mei 2022 en 9 juni 2022 blikken zij terug op de onderschepping van de lading. [verdachte] vindt het ‘zwaar, zwaar kut’ en snapt niet hoe de betrokken verbalisanten iets hebben kunnen ruiken: ‘Als 4 keer verpakt is, dan kunnen hun nooit hebben geroken.’ Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank van daderkennis van [verdachte] ; hij was op de hoogte van de sterke geur van de inhoud van de door [betrokkene 8] vervoerde zakken en de wijze waarop het ten tijde van het vervoer was verpakt. 6.6.3 Conclusie rechtbank. De rechtbank komt tot de conclusie dat [verdachte] bij de hierna bewezenverklaarde activiteiten heeft gehandeld met een evidente intentie gericht op de productie van synthetische drugs en daartoe samen met anderen voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft verricht met behulp van grondstoffen voor synthetische harddrugs (apaan, BMK en PMK-(ethyl-) glycidaat). Dit oordeel vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.5 heeft vooropgesteld en onder 6.6, 6.6.1 en 6.6.2 heeft overwogen en vastgesteld. Het misdadige doel dat [verdachte] met zijn handelingen voor ogen stond volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de omstandigheid dat de stoffen waar de bewezenverklaring op ziet in hun algemeenheid zijn bestemd voor de (uiteindelijke) productie van MDMA, methamfetamine of amfetamine en een legale bestemming ervan niet is aangevoerd of aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als medepleger van deze strafbare voorbereidende activiteiten. De rechtbank komt hierop terug onder 6.
- 6.7 Voorbereidingshandelingen uitvoer-vervoer cocaïne (feit 2, 01.259456.23). De bewijsbijlage bevat Encrochat-berichten van [verdachte] ( [gebruikersnaam verdachte] ) met [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 13] , [gebruikersnaam 14] , [gebruikersnaam 15] , [gebruikersnaam 16] , [gebruikersnaam 12] en [gebruikersnaam 11] in de periode van 31 maart 2020 tot en met 9 juni
- In de periode van 31 maart 2020 tot en met 5 mei 2020 wordt in opeenvolgende chatberichten met telkens [verdachte] als gespreksdeelnemer onder meer gesproken over: ‘heeft u niemand in UK met bv’ in combinatie met ‘Braz en domi, ‘uithaal in uk’, ‘boli’, ‘aantalle 28’, ‘los verkoop ik 28,5’, ‘bolis kan ik geven voor 28€’, ‘heb 50 stks van deze’ waarbij een afbeelding wordt gestuurd van een blok met een witte substantie, ‘28 colo’, ‘wat is de prijs’, ‘wat kan jij max betale voor boli kan ik overleggen 30 stks, 27.5’, ‘zelf gekocht voor 27.250’, ‘stempel givenchy vrage ze 2775 voor albert, zijn boli’ waarbij een afbeelding wordt gestuurd van een blok met daarin de letters GVY, ‘kan pakke 27’ waarbij een afbeelding wordt gestuurd van een blok met daarin stempel A-19, ‘tp’ en ‘deklading’. In de periode van 27 mei 2020 tot en met 5 juni 2020 voert [verdachte] chatgesprekken met [gebruikersnaam 12] waarin wordt gesproken over ‘deze boten komen vaak bij ons doen ecu panama itali’, ‘haven in Napels’, ‘hoeveel blokken in je stach staan’, ‘waar moet we die laden dat stach’, ‘waar kom hij aan in it’, ‘in de buurt van napoli’, ‘laadplaats’, ‘loods’, ‘hoeveel sturen’, ‘test van 25 st.’, ‘1500 per blok met grotere hoeveelheden prijs bespreken’, ‘kom je op 37500/40000’, ‘25 doen we meestal in groupage verpakken in kist’, waarna [verdachte] zegt ‘morgen is klaar’. De dag erna (5 juni 2020) stuurt [verdachte] een afbeelding van een houten kist. In de periode van 6 juni 2020 tot en met 9 juni 2020 voert [verdachte] chatgesprekken met [gebruikersnaam 11] . [verdachte] meldt aan hem ‘die man is nu hiet van die tp en hij neemt die kisten mee’ en ‘heb die kisten mee geven, kan je zeker 50 st. kwijt’. Op 9 juni 2020 vraagt [gebruikersnaam 11] aan [verdachte] : ‘Wilt u meedoen nar UK?’ waarop [verdachte] vraagt: ‘Wat kost het en wat krijg oke terug.’ [gebruikersnaam 11] reageert met ‘blok 27, terug 5-6k’, hetgeen [verdachte] ‘oke’ vindt. [gebruikersnaam 11] zal doorgeven ‘wnr vertrekt’. Enkele uren later vraagt [verdachte] aan [gebruikersnaam 11] of er al iets is ‘afgesproken met die tp man’ waarna een afspraak voor de volgende dag wordt gemaakt. [gebruikersnaam 11] biedt nog wat aan: ‘Heb wat blokken als u wilt, toppers colo’ waarop [verdachte] reageert met: ‘Zal even kijken.’ Uit het eerder genoemde ‘ ABC van het drugsjargon ’ blijkt dat aan de hiervoor aan de orde gekomen termen, de volgende betekenis kan worden gegeven: - ‘ blokken’: hiermee wordt in zijn algemeenheid geperste blokken cocaïne bedoeld; - ‘ boli’: betreft vermoedelijk cocaïne uit Bolivia; - ‘ bouli’: betreft een cocaïnebolletje; - ‘ col(l)o’: betreft vermoedelijk cocaïne uit Colombia; - ‘ tp’: afkorting van transport. Uit overzichten van prijzen voor drugs blijken de volgende gemiddelde prijzen voor pure cocaïne (groothandel): in 2019 € 27.650,- per kilogram, in 2020 € 27.850,- per kilogram en in 2021 € 28.850,- per kilogram. De rechtbank stelt vast dat deze bedragen passen bij de in de chats genoemde bedragen ’28,5’, ‘28€’, ‘27,5’, ’27.250’ en ‘blok 27’, zoals hiervoor weergegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat het de rechtbank ambtshalve uit andere drugszaken bekend is dat een blok cocaïne een gangbaar gewicht van een kilogram heeft. Ook blijkt uit het dossier - en is de rechtbank uit andere drugszaken ambtshalve bekend - dat blokken cocaïne regelmatig worden voorzien van een stempel of opdruk op die blokken, wat een indicatie van kwaliteit is en waarmee een eigen handelsmerk aan de blokken cocaïne wordt gegeven. De rechtbank stelt op grond van de gecombineerde inhoud van de gesprekken met bijpassende afbeeldingen en geldbedragen vast dat er wordt gesproken over transporten met cocaïne naar en binnen Europa. De combinatie van de termen ‘boli’, ‘colo’ en ‘blokken’, die allen aan cocaïne te relateren zijn, en ‘Braz’, ‘Domi’ en ‘ecu’, dat de rechtbank leest als Brazilië, Dominicaanse Republiek en Ecuador, terwijl algemeen bekend is dat de cocaïne in Europa veelal uit landen in Zuid-Amerika afkomstig is, met de afbeeldingen gelijkend op blokken cocaïne en de genoemde geldbedragen passend bij de gemiddelde prijzen voor een kilogram cocaïne, rechtvaardigen de conclusie dat wordt gesproken over cocaïne. De combinatie van de bewoordingen ‘ecu-panama-itali’, ‘boten’, ‘tp’, ‘deklading’, ‘uithalen in UK’, ‘haven in Napels’, ‘sturen’, ‘test 25 st.’, dat de rechtbank in de gegeven context leest als een testzending van 25 kilogram, en ‘verpakken in kist’, duiden vervolgens ondubbelzinnig op transporten. Naar het oordeel van de rechtbank is de algehele strekking van de inhoud van deze berichten, bezien in onderling contextueel verband en samenhang, onmiskenbaar en concreet gericht op voorbereidings- of bevorderingshandelingen ten behoeve van de uitvoer en het vervoer van cocaïne. De inhoud van de berichten vindt naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze over en weer bevestiging in elkaar, met name ook nu hierbij afbeeldingen zijn verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. 6.7.
- Conclusie rechtbank. De rechtbank komt tot de bewijstechnische conclusie dat [verdachte] samen met anderen voorbereidende en bevorderende activiteiten heeft verricht met het misdadige doel om cocaïne te vervoeren en uit te voeren. Dit oordeel vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.5 heeft vooropgesteld en onder 6.7 heeft overwogen en vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als medepleger van deze strafbare voorbereidende activiteiten. De rechtbank komt hierop terug onder 6.
- Het op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gestoelde verweer van de raadsman dat de gesprekken onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van concrete voorbereidingshandelingen (ECLI: NL:GHARL:2020:6555) wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gesprekken meer dan concreet en wordt het gestelde ‘voorstadium’ van een strafbare voorbereiding ruimschoots gepasseerd. Zo volgt uit de inhoud van de berichten onder meer dat [verdachte] houten kisten ten behoeve van het transport van cocaïne heeft overgedragen. 6.8 Uitvoer van cocaïne ( feit 3, 01.259456.23). De bewijsbijlage bevat uitwerkingen van SkyECC-chats, waaronder groepsgesprekken, van [verdachte] (met opeenvolgend de accounts [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] ) met [gebruikersnaam 17] , [gebruikersnaam 18] , [gebruikersnaam 19] , [gebruikersnaam 20] , [gebruikersnaam 21] , [gebruikersnaam 22] , [gebruikersnaam 23] , [gebruikersnaam 24] , [gebruikersnaam 25] , [gebruikersnaam 26] , [gebruikersnaam 27] , [gebruikersnaam 28] in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 10 november
- Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het algehele samenstel van de inhoud van die cryptoberichten evident de betrokkenheid van [verdachte] bij 19 overdrachten van in totaal 398 blokken van een contrabande ten behoeve van de uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank neemt in dit verband de schematische weergave van de overdrachten voor wat betreft de bijbehorende data en hoeveelheden in grote lijnen over (p. 5265). Naast de in dat schema weergegeven 17 transporten van in totaal 354 blokken, heeft de rechtbank uit de chats van 6 en 7 november 2020 afgeleid dat er nog twee transporten van ieder 22 blokken hebben plaatsgevonden. Aangezien dit algehele gegeven niet uitdrukkelijk door de verdediging is weersproken volstaat de rechtbank hiermee op deze plek zonder nadere bespreking met deze vaststelling. De rechtbank is verder van oordeel dat uit diezelfde algehele constellatie van cryptoberichten, bezien in onderling contextueel verband en samenhang, buiten gerede twijfel kan worden geconcludeerd dat de uitgevoerde illegale stof telkens cocaïne betrof. De inhoud van de berichten vindt naar het oordeel van de rechtbank op dat punt op overtuigende wijze over en weer bevestiging in elkaar, met name ook nu hierbij een afbeelding is verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunt. De rechtbank stelt in dit verband vast dat in de gesprekken veelvuldig wordt gesproken over het vervoeren van ‘bricks’ en ‘blocks’ en daarnaast over ‘tops’, ‘white material’, ‘boli’ en ‘witten en donkeren’. Volgens het hiervoor genoemde ‘ ABC van het drugsjargon ’ kunnen al deze afzonderlijke termen aan cocaïne worden gerelateerd. Datzelfde geldt voor de op enig moment gebezigde termen ‘elifant’ (met een afdruk van een olifant) en ‘Elpheat stemp’. De rechtbank is er ambtshalve uit andere drugszaken mee bekend dat blokken cocaïne worden voorzien van een stempel om de herkomst of het eigendom ervan te duiden. De gezamenlijkheid van deze elkaar onderling versterkende termen gecombineerd met een verstuurde afbeelding met daarop zichtbaar een groot aantal blokken rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat in de gesprekken wordt gesproken over cocaïne. De rechtbank betrekt bij dit oordeel tevens de gelijkluidende vaststelling (cocaïne) in het kader van de hiervoor onder 6.
- besproken voorbereidingshandelingen gericht op het vervoeren en uitvoeren van cocaïne. In dat verband verdient nog uitdrukkelijke opmerking dat de cryptoberichten die aan deze voorbereidingshandelingen ten grondslag liggen op 9 juni 2020 eindigen met de vraag aan [verdachte] of hij wil ‘meedoen nar UK’ en waarbij hem ‘blokken’ worden aangeboden: ‘toppers colo’ en waaraan [verdachte] ‘5-6k’per blok zou kunnen verdienen. De rechtbank stelt vast dat dit bericht qua tijd en inhoud naadloos aansluit bij de inhoud van het eerste cryptobericht in de onderhavige beschuldiging van 14 augustus 2020 waarin [verdachte] vraagt: ‘Do you have a transfer to England? For blocks?’ Nu de rechtbank er ambtshalve uit andere drugszaken mee bekend is dat een blok cocaïne een gangbaar gewicht van een kilogram kent, gaat de rechtbank er vanuit dat er in totaal 398 kilogram cocaïne is overgedragen. 6.8.1 Conclusie rechtbank. De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij een groot aantal
(19)transporten van cocaïne via Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Nu op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet onder ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ als bedoeld in artikel 2, onder A, van de Opiumwet, mede is begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aan aanbieden, heeft [verdachte] zich 19 keer aan de uitvoer van cocaïne schuldig gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als medepleger van deze strafbare activiteiten. De rechtbank komt hierop terug onder 6.
- 6.9 Medeplegen en pleegperiode. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, waaruit blijkt van opzet op zowel de samenwerking als het plegen van het strafbare feit. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daar waar het verweer betrekking heeft op het medeplegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet overweegt de rechtbank nog het volgende. Onder het bereik van dit artikel valt onder meer (en is ook steeds ten laste gelegd) het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen. Vergelijkbare gedragingen zijn als deelnemingsvorm in beginsel te kwalificeren als medeplichtigheid in de zin van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht, maar zijn in relatie tot Opiumwetfeiten nu juist zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet. Een gedraging van beperkte aard - die in relatie tot andere strafbare feiten wellicht als medeplichtigheid zou worden gekwalificeerd - kan daarmee tot een bewezenverklaring van het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen- of bevorderingshandelingen leiden. De hierop betrekking hebbende verweren van de raadsman in zaken besproken onder 6.
- en 6.7 hiervoor worden in het licht van het voorgaande dan ook door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt verder dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende personen tot de conclusie leidt dat het feit gedurende een bepaalde periode is gepleegd waarbinnen de ten laste gelegde concrete gedragingen gelijkelijk aan alle medeplegers worden toegerekend voor alle medeplegers worden bewezen verklaard, voor zover er toereikend bewijs is dat die gedragingen door één medepleger of meerdere medeplegers zijn verricht. Dat een individuele verdachte daar niet op ieder moment in die periode een bijdrage aan heeft geleverd, betekent dan ook niet dat er geen bewezenverklaring voor de gehele periode kan volgen. Indien de rechtbank het handelen van de individuele verdachte aanmerkt als medeplegen bij het ten laste gelegde, komt zij tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode en alle, bewijsbare, binnen de samenwerking verrichte gedragingen Al hetgeen de raadsman in de zaken besproken onder 6.6 en 6.7 hiervoor in dit verband ter verweer heeft aangevoerd, waaronder de betwisting dat [verdachte] apaan voorhanden heeft gehad, wordt in het licht van het voorgaande door de rechtbank dan ook verworpen. Anders dan het uitgangspunt van de raadsman, dient niet voor iedere in de gedachtestreepjes opgenomen afzonderlijke gedragingen telkens voldoende bewijs voor het element medeplegen aanwezig te zijn. Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag voor of kan worden bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen op het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van (een) Opiumwetdelict(en) en dat volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. Ten aanzien van de handel in apaan (de zaak besproken onder 6.6) blijkt uit de OVC-gesprekken dat [verdachte] een actieve rol had in de handel. Zo vertelde hij dat anderen bij hem apaan ‘pakken’ om ‘af te draaien’ en informeerde [verdachte] bij [betrokkene 4] of hij nieuwe apaan kon bestellen. Ook bij de overdracht en transport van de 500 kilo apaan door [betrokkene 8] op 16 mei 2022 (6.6.2 hiervoor) had [verdachte] een actieve, (mede)bepalende rol. Zo bepaalde [verdachte] de hoeveelheid (‘5’, waarmee kennelijk 500kg is bedoeld) en besprak hij met [betrokkene 4] het tijdstip en de locatie van de overdracht. Ten aanzien van de voorbereiding van uitvoer/vervoer van cocaïne (de zaak besproken onder 6.7) volgt uit de in het dossier opgenomen cryptoberichten dat [verdachte] fungeerde als tussenpersoon die vraag en aanbod bij elkaar bracht. Hij werd benaderd wanneer er cocaïne te koop was en ging vervolgens op zoek naar een koper, hij informeerde voor anderen naar de status van een transport en hij faciliteerde op 28 mei 2020 een ontmoeting met anderen op de bedrijfslocatie van [bedrijf 2 van verdachte] , waarna hij met die personen een testzending van 25 blokken cocaïne naar Italië opzette en verrichtte en waarvoor hij een houten kistje regelde. Voor wat betreft de betrokkenheid van [verdachte] bij het daadwerkelijk uitvoeren van cocaïne (6.8) stelt de rechtbank op basis van de inhoud van cryptoberichten vast dat verdachte telkens op de achtergrond als initiator, intermediair en makelaar tussen de leverancier en vervoerder van de cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk heeft gefungeerd. Hij was met name verantwoordelijk voor de algehele organisatie en logistiek van de in Nederland overgedragen hoeveelheden cocaïne ten behoeve van de verdere transporten ervan naar het Verenigd Koninkrijk. Hij bracht telkens de partijen samen, maakte groepsgesprekken aan, maakte afspraken met en tussen de partijen, werd op de hoogte gehouden van de voortgang van de overdrachten en transporten en reageerde daar op, regelde de betalingen van de transporteur en streek zelf elke keer een deel van de opbrengst van een voltooid transport op. De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een repeterende en intensieve samenwerking tussen [verdachte] en de andere partijen. Al de door [verdachte] in het kader van de transporten verrichte activiteiten brengen de rechtbank tot de conclusie dat sprake is geweest van een dusdanig wezenlijke intellectuele bijdrage aan de transporten van cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk dat dit de door de raadsman gestelde medeplichtigheid van [verdachte] daaraan ver overstijgt. De rechtbank concludeert dan ook gelet op het voorgaande dat [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs heeft getroffen en (voorbereidingshandelingen voor) drugstransporten naar het buitenland heeft uitgevoerd. 6.10 Transactie 2 kilogram cocaïne (feit 4, 01.259456.23). Deze beschuldiging is gebaseerd op een enkele passage uit een OVC-gesprek van 24 maart 2022 (p. 4798). Daarmee is, nog los van de vraag of deze passage daadwerkelijk op een transactie van twee kilogram cocaïne ziet, niet voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verwoorde bewijs-minimumvoorschrift. Dit bewijshiaat kan naar het oordeel van de rechtbank niet hersteld worden met de door de officier van justitie voorgestelde schakelbewijsconstructie met de hiervoor bewezenverklaarde - kort gezegd - cocaïnefeiten onder 6.7 en 6.
- Ten aanzien van de inhoud van het gesprek kan niet worden geconcludeerd dat deze slechts voor één uitleg vatbaar is, namelijk de tenlastegelegde overdracht van 2 kg cocaïne. Bovendien is het tijdsverschil met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten te groot om te concluderen dat het hier derhalve ook onmiskenbaar over drugs, en meer specifiek cocaïne, gaat. Dat betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken voor deze verdenking. 6.11 De brandstichtingen (feiten 01.169116.25). Op 11 en 13 mei 2020 werden op de oprit van [adres 4] in Eindhoven twee personenauto’s in brand gestoken, te weten een Mini Cooper (op 11 mei 2020) en een Porsche Cayenne (op 13 mei 2020). Op dit adres woont [betrokkene 9] die hiervan (mede namens zijn partner) aangifte heeft gedaan. Op camerabeelden van 11 mei 2020 (van 01:23 tot 01:39 uur) is te zien dat een man vloeistof uit een jerrycan over de hiervoor genoemde auto’s giet, tussen beide auto’s bukt waarna er vuur verschijnt. Het vuur laait op waarna de Mini Cooper direct vlam vat. De man rent weg en kort daarop verschijnt een man (aangever) die de Porsche achteruit rijdt. Kort daarna arriveert de brandweer die de brand blust. Op camerabeelden van 13 mei 2020 (van 02:51 tot 03:03 uur) is een op het incident van 11 mei 2020 gelijkende man te zien die vloeistof uit een jerrycan over de Porsche Cayenne giet. Hierna steekt hij zijn hand uit in de richting van de Porsche waarna er vuur verschijnt en waarop de Porsche direct vlam vat. De man rent weg. Op 13 mei 2020 omstreeks 03:35 uur werd in de Mammoetstraat, op circa 350 meter afstand van de plaats delict, een handschoen met een benzinegeur aangetroffen. Op deze handschoen werd DNA van [betrokkene 2] aangetroffen met de hoogste matchgradatie (1-1 miljard). In de data van het Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] ( [verdachte] ) werd een gesprek van 11 mei 2020 met de gebruiker van het account [gebruikersnaam 13] (hierna: [gebruikersnaam 13] ) aangetroffen over onmiskenbaar de aan de orde zijnde brandstichting van de Mini Cooper. Uit dit gesprek volgt dat de verkeerde auto in brand was gestoken. Zo chat [verdachte] : ‘Sukels er is maar een gegaan en die had moeten gaan niet’, waarop [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Mini en porsch moesten gaan tog’. [verdachte] : ‘die porsche is niet gedaan’, ‘die is niet gebrand’. [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Ja was niet uitgebrand, alleen schade’. Volgens [verdachte] is dat niet het geval: ‘Nee ook geen schade ik heb iemand laten kijken die porsche was niets aan hebben ze niet aan gestookt’, ‘Sukels’, ‘Die Porsche was het belangrijst’, ‘Die mini kost 10k en die porsche 75k’. [gebruikersnaam 13] chat: ‘Wist ik niet’, ‘Hijs alleen gegaan’, ‘Anders had ik het wel tege hem gezegt’, ‘Dacht zijn even belangrijk’, ‘Dacht dat het om hun ging’. [verdachte] chat: ‘Nee, ik heb je gezecht die porsche en die ander mag ook staan tog langs elkaar.’ [gebruikersnaam 13] kan zich dit niet herinneren: ‘Wanneer???’, ‘Dit heb ik niet meegekregen’, ‘Dat die mini exstra was’, ‘En porsch als eerst aanmoest’. [verdachte] : ‘Ja toen ik je dat vroeg.’ [gebruikersnaam 13] reageert: ‘Heb ik niet gehoord andsrs had ik het wel tege hem gezegt’, ‘dat die porsch als eerst aanmoet’. [verdachte] reageert: ‘Ja maar ze hebben het eerst die mini gedaan’. [gebruikersnaam 13] : ‘Die porsch heeft niet genoeg vlammen gepakt is overheen gegoten’, ‘Maar als porsch er staat’, ‘Kan hij die gwn doen’, ‘Vanavond’, waarop [verdachte] reageert: ‘Oke’. [gebruikersnaam 13] : ‘Mn broertje zegt garantie’, ‘Porsch is kapot’, ‘Hij zegt zegt op ed staat ook verdere schade voorkomen’, ‘Hij zegt die porsch komt daar niet meer voor de deur want heel die voorkant is weg’. De rechtbank leidt uit de inhoud van deze chats af dat [verdachte] de opdracht aan [gebruikersnaam 13] heeft gegeven om de Porsche in brand te steken en dat [gebruikersnaam 13] deze klus aan zijn broertje heeft uitbesteed. Eerdergenoemde [betrokkene 2] heeft twee oudere broers, waaronder [betrokkene 3] en deze zat tijdens een controle in november 2019 samen met [verdachte] in een auto. In een Encrochat-gesprek van 1 april 2020 bericht [gebruikersnaam 13] aan [verdachte] ( [gebruikersnaam verdachte] ) dat hij een boete van 400 euro heeft gekregen. Uit politiesystemen blijkt [betrokkene 3] op 1 april 2020 een boete te hebben gekregen van 390 euro exclusief administratiekosten. De rechtbank leidt uit dit alles af dat de gebruiker van het account [gebruikersnaam 13] [betrokkene 3] was en dat [betrokkene 2] in opdracht van zijn broer de branden heeft gesticht. Dat past ook naadloos bij de zojuist besproken DNA-match. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe de betrokkenheid van [verdachte] bij de brandstichtingen moet worden geduid. Volgens de officier van justitie is hij medepleger en volgens de verdediging kan hij noch als medepleger noch als uitlokker van de brandstichtingen worden beschouwd. Op grond van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht worden medeplegers en uitlokkers gelijkelijk als daders gestraft. Uit vaste jurisprudentie volgt vervolgens dat medeplegen en uitlokken elkaar niet uitsluiten als vormen van daderschap. Er zijn gevallen denkbaar waarin de feiten zowel de kwalificatie medeplegen als de kwalificatie uitlokking kunnen dragen. De feitenrechter heeft een zekere vrijheid bij het maken van die keuze. Er is sprake van een dunne scheidslijn. De rechtbank leidt uit het hiervoor uitgewerkte chatgesprek in grote lijnen af dat sprake is van een opdrachtgever ( [verdachte] ) die inlichtingen en instructies aan een derde heeft gegeven om op een bepaalde locatie een bepaalde auto in brand te steken, deze derde ter verantwoording heeft geroepen toen bleek dat de verkeerde auto is brand was gestoken en tot slot heeft ingestemd met het alsnog uitvoeren van de oorspronkelijke opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank levert de hiervoor geschetste intellectuele bijdrage van [verdachte] zonder verdere uit het dossier blijkende bemoeienis over de organisatie, planning, feitelijke werkwijze en uitvoering van de brandstichting geen voor het aannemen van medeplegen nauwe en bewuste samenwerking bij de brandstichtingen op. Dit betekent dat de rechtbank [verdachte] in beide feiten zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde. De rechtbank dient zich vervolgens over de vraag te buigen of [verdachte] als uitlokker van de brandstichtingen moet worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring van uitlokking moet vast komen te staan dat:
(1)de uitlokker de uitgelokte heeft aangezet het delict te plegen;
(2)de uitlokker opzet heeft gehad op de uitlokking én op het delict waartoe de ander is aangezet;
(3)de uitlokker gebruik heeft gemaakt van één of meer in de wet genoemde uitlokkings- middelen;
(4)het uitgelokte delict moet zijn begaan; en
(5)degene die is uitgelokt strafbaar is. Niet is vereist dat de uitlokker en de uitgelokte elkaar kennen of rechtstreeks contact hebben gehad. Uitlokking kan ook via een tussenpersoon plaatsvinden. Ook is niet vereist dat precies vast komt te staan wie het contact met de uitgelokte heeft gehad, op welke manier het contact met de uitgelokte heeft plaatsgevonden en met welke bewoordingen hij tot het plegen van het strafbare feit is aangezet. Verder is niet uitgesloten dat de uitgelokte op verschillende opeenvolgende momenten tot het plegen van het strafbare feit wordt aangezet, zoals bijvoorbeeld doordat hem opeenvolgende inlichtingen worden verschaft. Ook maakt voor het bewijs van uitlokking niet uit dat er bij de uitgelokte al een zekere bereidheid aanwezig was tot het plegen van (mogelijk soortgelijke) strafbare feiten. Tot slot omvat opzet op uitlokken ook het voorwaardelijk opzet op het medeplegen van de uitvoering van het feit. De uitlokker hoeft de medeplegers niet te hebben uitgelokt als vaststaat dat hij, de uitlokker, het delict heeft uitgelokt. Naar het oordeel van de rechtbank is in de gegeven situatie zonder meer voldaan aan de hiervoor onder
(2),
(3),
(4)en
(5)genoemde voorwaarden. Dat volgt rechtstreeks uit de hiervoor geschetste toedracht en daaraan ten grondslag liggende inhoud van de bewijsmiddelen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat voor wat betreft het onder
(3)vereiste uitlokkingsmiddel sprake is van het ‘verschaffen van inlichtingen’. Dat betreffen mededelingen die geschikt zijn om er in de specifieke situatie voor te zorgen dat het delict ook daadwerkelijk wordt gepleegd. Daarbij valt in dit geval te denken aan adresgegevens en het subject van de brandstichting (de Porsche). Enkel de hiervoor onder
(1)genoemde voorwaarde behoeft verdere bespreking. Naast [verdachte] hadden [betrokkene 3] en in mindere mate [betrokkene 2] hierover uitsluitsel kunnen geven. Echter, [betrokkene 2] heeft als verdachte bij de politie geen antwoorden op inhoudelijke vragen willen geven en zich als getuige bij de rechter-commissaris op het verschoningsrecht beroepen en [betrokkene 3] heeft vooraf aan de rechter-commissaris te kennen gegeven zich als getuige op het verschoningsrecht te zullen beroepen waarop is volstaan met het opstellen van een proces-verbaal van bevindingen met die strekking. In deze situatie kan dan alleen nog [verdachte] enig inzicht over dit punt te verschaffen. Immers, de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden wijzen zodanig op zijn betrokkenheid als uitlokker bij de brandstichtingen dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd om die betrokkenheid te weerleggen. Hij heeft zich echter bij alle gelegenheden, ook tijdens de terechtzittingen van 12, 13 en 14 november 2025 op vragen over zijn betrokkenheid op het zwijgrecht beroepen en geen enkele uitleg willen geven. Bij deze stand komt de rechtbank tot het oordeel dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [verdachte] [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft aangezet tot het plegen van de brandstichtingen. De rechtbank ziet in het dossier noch het verhandelde ter terechtzittingen aanknopingspunten voor een mogelijk reeds bestaande bereidheid bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] tot het plegen van die strafbare feiten. In dit verband wenst de rechtbank nog te benadrukken dat de opdracht tot de brandstichting van de Porsche is blijven bestaan nadat in eerste instantie de verkeerde auto in brand was gezet. Voor wat betreft het gevaarzettende karakter van de brandstichtingen merkt de rechtbank op dat zij niet beschikt over het in het requisitoir in noot 49 vermelde proces-verbaal van bevindingen. Desondanks is de rechtbank in staat gebleken om zich een goed beeld van de feitelijke situatie ter plaatse en het gevaarzettende karakter van de brandstichtingen te vormen. Zo bevatten de twee aangiftes van Meulensteen gedetailleerde beschrijvingen van de feitelijke situatie ter plaatse ten tijde van de brandstichtingen, waaronder de situering van de twee voertuigen op de oprit ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de woning, de garage en het hekwerk. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. De informatie past ook bij de afbeelding van het vooraanzicht van de woning van aangever op pagina 19 van het zaaksdossier. Verder bevat het dossier beschrijvingen van camerabeelden van de brandstichtingen, waaruit de rechtbank in grote lijnen afleidt dat bij beide brandstichtingen telkens twee auto’s kort bij elkaar op de inrit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning en een daarbij horende houtopslag geparkeerd stonden en in beide gevallen de voertuigen (op 11 mei 2020 beide auto’s, op 13 mei 202 enkel de Porsche) met een brandbare vloeistof werden overgoten waarna met open vuur de branden werden gesticht. Ook volgt uit deze beschrijvingen dat bij de eerste brand de brandweer de brand heeft geblust. De rechtbank acht op basis van deze informatie in combinatie met het naar algemene ervaringsregels bekende onvoorspelbare en grillige karakter van een uitslaande brand het gemeen gevaar voor goederen bewezen. Daarbij strekt het gemeen gevaar voor goederen zich telkens niet uit tot de brandstof die zich in de tank van het in brand gestoken voertuig bevindt. De rechtbank beschouwt een brandstoftank met inhoud als een onlosmakelijk deel van het voertuig. Nu uit bestendige jurisprudentie volgt dat het gemene gevaar zich niet uitstrekt tot het goed dat in brand wordt gestoken, kan dit onderdeel van de gevaarzetting in beide gevallen niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte in beide feiten van dit onderdeel van de tenlastelegging, voor zover uitdrukkelijk ten laste gelegd, partieel vrijspreken. Resumerend acht de rechtbank ten aanzien van beide feiten de uitlokkingsvariant van de brandstichtingen bewezen. 6.12 Gewoontewitwassen ( feit 1, 01.259456.23). 6.12.1 Juridisch kader witwassen zonder gronddelict. Aan [verdachte] wordt verweten dat hij in de tenlastegelegde periode voertuigen, geldbedragen, horloges en woningen (een en ander zoals gespecificeerd in de tenlastelegging) heeft witgewassen. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater, eerste lid, onder a/b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Weliswaar komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan (onder meer) verschillende Opiumwetfeiten en is [verdachte] ook in onderzoek Baraga veroordeeld voor diverse overtredingen van de Opiumwet - waar [verdachte] zonder meer veel geld aan heeft verdiend -, maar kan de rechtbank niet specifiek duiden uit welke concrete misdrijven de bepaalde (in de tenlastelegging genoemde) vermogensbestanddelen van [verdachte] (middelijk of onmiddellijk) verkregen zijn. Dat betekent dat geen sprake is van, althans geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bekend gronddelict. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. 6.12.2 Witwasvermoeden. De rechtbank is van oordeel dat de hierna te bespreken feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het is allereerst een feit van algemene bekendheid dat met de handel in harddrugs en (pre-)precursoren voor de productie van synthetische drugs, veel (contant) geld wordt verdiend. Het dossier bevat enkele OVC-gesprekken waarin [verdachte] drugsgerelateerde gesprekken voert en waarin hij uit de doeken doet hoe hij veel geld heeft verdiend met de handel in drugs. Verder blijkt uit de hierna te bespreken kenbare inkomstenbronnen van [verdachte] en zijn partner [partner van verdachte] (6.12.3) en hun (gezamenlijke) vermogen (6.12.4) gedurende de tenlastegelegde periode, dat [verdachte] de beschikking moeten hebben gehad over zeer grote hoeveelheden contant geld en andere vermogensbestanddelen die niet verklaard worden door het bekende, legale inkomen van [verdachte] en zijn partner. 6.12.3 Kenbare inkomstenbronnen [verdachte] is sinds 26 januari 2012 aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1 van verdachte] . Op1 januari 2019 is hij medevennoot geworden bij [bedrijf 2 van verdachte] . [verdachte] is getrouwd met [partner van verdachte] en vormt met haar een economische eenheid. In het jaar 2019 ontving [verdachte] een netto inkomen (winst uit onderneming) van € 79.857,-, terwijl er over de jaren 2016, 2017, 2018 en 2020 geen winst uit onderneming of inkomen bekend is. Tot en met 2016 is er vanuit [bedrijf 1 van verdachte] . geen loonbelasting betaald. In de jaren 2017-2019 had [verdachte] gemiddeld € 23.840,70 aan bezittingen en € 64.596,- aan schulden, terwijl over de jaren 2016 en 2020 geen bezittingen en schulden bekend zijn. In 2017 had [verdachte] vastgoed ter waarde van € 575.000,- in zijn bezit, terwijl hij dat in de jaren 2018, 2019 en 2020 niet had. [verdachte] heeft samen met [partner van verdachte] een woning aan de [adres 1] in Eindhoven, waarvan de WOZ-waarde over de jaren 2013-2020 gemiddeld € 36.625,- bedroeg. Op dit adres staan twee ondernemingen inschreven: [bedrijf 1 van verdachte] . en [bedrijf 1] . Dit laatste bedrijf staat sinds 26 maart 2018 op naam van [partner van verdachte] . In 2013 heeft [verdachte] van zijn vader [vader van verdachte] een erfenis ontvangen van € 278.560,-. [verdachte] beschikt over twee bankrekeningen: [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Wat opvalt aan de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] is dat het saldo van eind 2017 naar eind 2018 toeneemt van € 13.496,- naar € 48.091,-. Daarnaast is het opvallend dat het saldo op deze bankrekening verder toeneemt naar € 45.448,- eind 2019 en € 115.655,- eind
- Opvallend is ook dat op deze rekening € 111.065,- contante stortingen worden gedaan, waarvan de herkomst niet bekend is. Wat opvalt aan de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] is dat het saldo van deze rekening eind 2017 € 8.606,- bedraagt en toeneemt naar € 43.108,- eind
- Het saldo van deze bankrekening bedraagt eind 2019 € 36.084,- en eind 2020 € 3.979,-. Verder bezit [verdachte] Bitcoins. Van 20 december 2017 tot en met 30 december 2017 is vanaf de ABN Amro rekening van [verdachte] in totaal € 32.415,98 overgemaakt aan [bedrijf 2] , een platforms voor Bitcoins. Op 17 december 2020 werd € 84.930,17 ontvangen van dit platform. Uit de stukken blijkt dat de investering in Bitcoins afkomstig is uit gelden van [bedrijf 1 van verdachte] . , nu kort voor de investering bedragen van € 10.000,- en € 20.000,- naar de rekening van [verdachte] werden overgemaakt vanuit de bankrekening van [bedrijf 1 van verdachte] . 6.12.4 Vermogensvergelijking inkomsten en uitgaven. Er is een zichtbaar vermogen volgens bankrekeningen, aangiften inkomstenbelasting en jaarrekeningen dat voor de jaren 2017 tot en met 2021 varieert tussen de € 240.338,- en € 361.885,-. Ook zijn er op basis van deze bronnen zichtbare inkomsten en uitgaven. [verdachte] benoemt in een groot aantal vastgelegde Encrochat-aantekeningen de waarde van bezittingen over de periode 7 november 2018 tot en met 23 februari
- Deze bezittingen zijn niet weergegeven in de bankrekeningen, aangiften inkomstenbelasting en jaarrekeningen. De bezittingen per 1 januari 2019 volgens de Encrochat-aantekeningen zijn opgenomen in de vermogensvergelijking per deze datum. Op 2l januari 2022 vertelt [verdachte] aan zijn zoon [zoon 1 van verdachte] wat de waarde is van zijn bezittingen, verdeeld over klokken, geld en auto's. Het totaal bedraagt € 3.700.000-. In de vermogensvergelijking is het totaalbedrag dat [verdachte] op 2l januari 2022 noemt als eindvermogen per 31 december 2021opgenomen en opgeteld bij het geschatte bekende vermogen uit zichtbare bronnen, afgerond € 311.000,-. [verdachte] vertelt aan zijn zoon [zoon 2 van verdachte] en aan [medeverdachte 1] . dat hij geld heeft gestort in [bedrijf 2 van verdachte] . Dit is niet zichtbaar in fiscale aangiften, bankrekeningen en jaarrekeningen. Voor de waarde van dit geld en de waarde van auto's die hier ter sprake komen wordt voor de vermogensvergelijking ervan uitgegaan dat deze waarden inbegrepen zijn in het bedrag van € 3.700.000,-. De door [verdachte] in deze gesprekken genoemde geldbedragen en auto's die op zijn naam hebben gestaan of concreet naar hem zijn te herleiden ondersteunen het concrete bestaan van dit vermogen. Het verschil tussen het bekende vermogen plus de bedragen die [verdachte] op 21 januari 2022 noemt (€ 4.011.000,-) min het bekende vermogen plus de waarde volgens de Enchrochat-aantekeningen die [verdachte] per 31 december 2018 noemt (€ 2.917.470,-) bedraagt € 1.093.530,-. De negatieve uitkomsten voor netto-privé bestedingen bedragen: 2017: € 23.559 -/- 2018: € 2.526.278 -/- 2019: € 307.993 -/- 2020: € 238.236 -/- 2021: € 360.679 -/- Over de jaren 2017 tot en met 2021 bedraagt het totaal aan negatieve uitkomsten: € 3.456.
- De negatieve resultaten uit de vermogensvergelijking kunnen niet toe te rekenen zijn aan de schoonheidssalon van [partner van verdachte] . Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in deze periode € 3.456.745,- meer is uitgegeven dan er is binnen gekomen. 6.12.5 De in de tenlastelegging genoemde vermogensbestanddelen. De rechtbank zal hierna ten aanzien van ieder in de tenlastelegging genoemd vermogensbestanddeel beoordelen of sprake is van witwassen. A) Geld A).1 Geld aangetroffen in de kluis bij [schoonvader van verdachte] Bij de doorzoeking op 17 oktober 2022 op het adres [adres 5] te Geldrop (de woning van de schoonvader van [verdachte] , [schoonvader van verdachte] is in een kluis, die stond in de wasruimte, achter een houten schot, een geldbedrag aangetroffen van € 150.000,-. Dit geld was verpakt in een sealbag met 11 pakketjes van € 100,-. Elk pakketje bestond uit 100 briefjes. Verder zat in de kluis een sealbag met 4 pakketjes van briefjes van € 50,- met in totaal 200 briefjes. [schoonvader van verdachte] heeft verklaard dat de twee pakketten met geld niet van hem zijn en dat [verdachte] ergens na 2019 aan hem had gevraagd om iets in de kluis te leggen. [verdachte] had de sleutel van de kluis. In Enchrochat-aantekeningen van 11 februari 2020 en 4 december 2019 noteerde [verdachte] ‘fet nog liggen € 715.850’ en in de berichten van november 2022 staat ‘fret nog á 12.500’. Aangezien de roepnaam van [schoonvader van verdachte] ‘ [schoonvader van verdachte] ’ is en ook in de berichten wordt gesproken over ‘ [schoonmoeder van verdachte] ’ (de roepnaam van de vrouw van [schoonvader van verdachte] is [schoonmoeder van verdachte] ), gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] het steeds over het adres aan de [adres 5] in Geldrop heeft. Het had op de weg van [verdachte] gelegen om hierover duidelijkheid te geven, maar hij heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat het aangetroffen geldbedrag van € 150.000,- aan [verdachte] toebehoorde. [verdachte] heeft geen verklaring gegeven over de (legale) herkomst van dit geldbedrag. Aan de verklaring van de raadsman van [verdachte] dat het gaat om ‘een groot gedeelte van het kasgeld van [bedrijf 1 van verdachte] . ’, gaat de rechtbank voorbij omdat het een kale, niet onderbouwde stelling betreft die niet door verdachte zelf is gegeven. De rechtbank betrekt hierbij tevens het tijdstip dat deze verklaring is gegeven, namelijk pas bij pleidooi op de terechtzitting van 14 november
- Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het in de kluis van de schoonvader van [verdachte] aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Door dat geld in de kluis van Krosse te plaatsen heeft [verdachte] het geld overgedragen, de vindplaats ervan verhuld en verhuld wie de werkelijke rechthebbende was. A).2 Geld geïnvesteerd in en ontvangen uit [bedrijf 2 van verdachte] Omdat dit onderdeel een sterke overlap kent met de criminele organisatie in witwassen, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover in 6.13 is overwogen. B) Voertuigen B).1 Algemeen Vanaf 2016 verandert er iets in de aanschaf en verkoop van auto’s bij [bedrijf 2 van verdachte] . In de boekhouding is te zien dat er auto’s werden ingekocht (veelal uit Duitsland) door de [bedrijf 2 van verdachte] , maar dat deze in de Enchrochat-aantekeningen van [gebruikersnaam verdachte] ( [verdachte] ), beschreven staan als ‘zijn’ auto’s en ook (gedurende een of meerdere periodes) op zijn naam staan. Er zijn geen financiële transacties te zien van aan- en verkoop van de auto’s door de [bedrijf 2 van verdachte] aan [verdachte] of omgekeerd. In de Enchrochat-aantekeningen van [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 staat een aantekening van [verdachte] over met name auto’s en motoren die hij benoemt als ‘van mijn zelf [gebruikersnaam verdachte] ’. In de OVC-gesprekken gevoerd in het kantoor van [bedrijf 2 van verdachte] vertelt [verdachte] hoe hij te werk gaat met de aankoop van auto’s (marge/BTW auto’s). In een gesprek op 28 april 2022 zegt hij tegen [medeverdachte 1] . dat hij beter geen marge auto’s in kan boeken, omdat anders bij verkoop aan het eind van de week BTW afgedragen moet worden. [verdachte] zegt: ‘ik ben daar niet heel blij mee. Dat kost mij gewoon geld, dat is hetzelfde met de BTW die ik dadelijk moet afrekenen’. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘die BTW krijgen we wel terug deze maand he (..) en dan verstop je dat geld en dan bende klaar’. In een gesprek op 11 februari 2022 zegt [verdachte] tegen [zoon 2 van verdachte] dat de auto’s van de [bedrijf 2 van verdachte] eigenlijk van hem zijn. [verdachte] : ‘moet je heel erg mee op… als politie, belasting komt.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘dan pakken ze alles af.’ [verdachte] ‘kijk je moet zo tellen, alles wat hier staat. En wat was er. Hun hadden zeg maar niks.’ [zoon 2 van verdachte] : ‘op papier stond hier een miljoen’. [verdachte] : ‘Dat hadden ze opgemaakt, dus ik heb rustig aan geld gegeven 50 rooien, 20, 30, zo opgebouwd, dat er weer zeg maar 5, 6 ton terug was. En dat we daarmee konden handelen. ga maar tellen wat er staat’. [verdachte] noemt daarbij een aantal auto’s en een boot, die op naam van [bedrijf 2 van verdachte] stonden. B).2 Mercedes Benz SLS [kenteken 1] Op 17 oktober 2022 (de actiedag) zijn diverse goederen en voertuigen in beslag genomen op het terrein van [bedrijf 2 van verdachte] . Onder de voertuigen bevond zich deze Mercedes. Deze auto heeft op naam van [verdachte] gestaan in de periode van 9 april 2020 tot 21 september
- [verdachte] is op 24 juli 2020 ook aangetroffen door de politie in deze auto. De auto is volgens de factuur van [bedrijf 3] op 21 februari 2019 verkocht aan [bedrijf 2 van verdachte] voor € 130.000,-. Opvallend is dat in een aantekening in het Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 staat vermeld ‘Mercedes SLS AMG 2012 a 130.000 ex BTW plus bpm a 10.620’. Dat is hetzelfde bedrag als op genoemde factuur staat vermeld. Volgens het LIV/RDW werd deze auto op 4 april 2019 op naam van [bedrijf 2 van verdachte] gezet. Vanaf 10 april 2019 tot 11 september 2019 stond de auto op naam van [verdachte] om daarna weer op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] te staan tot 9 april
- Vanaf dat moment tot 21 september 2020 stond de auto weer op naam van [verdachte] . Vervolgens is de tenaamstelling weer over gegaan op de [bedrijf 2 van verdachte] . [verdachte] heeft de [bedrijf 2 van verdachte] gemachtigd om de tenaamstelling voor dit voertuig te verrichten. Er is geen enkele transactie te vinden in de bankrekeningen van [bedrijf 2 van verdachte] , [bedrijf 1 van verdachte] . of [medeverdachte 1] . of [verdachte] die een relatie heeft met dit voertuig; ook niet met betrekking tot de wijzigingen van de tenaamstelling. [verdachte] heeft over het voorgaande geen verklaring willen geven, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat deze auto door [verdachte] is gekocht en ter verhulling van het daadwerkelijke eigendom is ingebracht in het vermogen van [bedrijf 2 van verdachte] . B).3 Mercedes Benz 280 SL, Pagode 1969 Ook deze auto is op 17 oktober 2022 in beslag genomen bij [bedrijf 2 van verdachte] . Deze auto is op 18 mei 2018 door [bedrijf 4] verkocht aan de [bedrijf 2 van verdachte] voor € 60.000,-. Op diezelfde dag zijn van rekening [rekeningnummer 3] (op naam van [bedrijf 2 van verdachte] ) twee betalingen verricht van € 15.000,- en € 45.000,- aan [bedrijf 4] voor de aankoop van deze Mercedes. Voorafgaand aan die betalingen zijn meerdere contante kasstortingen gedaan: op 15 mei 2018 € 9.950,- en € 10.000,- en een dag later € 14.700,-. Op de grootboekrekening van [bedrijf 2 van verdachte] zijn twee boekingen te zien van kas naar bank, namelijk € 19.950,- en € 14.700,-. Opvallend is dat [bedrijf 2 van verdachte] normaal geen klassieke auto’s inkocht en dat de auto al sinds de aankoop tot aan de actiedag op 17 oktober 2022 in de showroom heeft gestaan. In een aantekening in het Enchrochat-account [gebruikersnaam verdachte] op 18 augustus 2019 is vermeld: ‘auto’s en motors van mijn zelf [gebruikersnaam verdachte] : MC Pagode 280 SL 1969 a 86.500’. De auto stond in februari 2022 te koop aangeboden op autowereld.nl met dezelfde specificaties die [verdachte] in zijn aantekeningen noemt voor een nader te bepalen bedrag. Ook over deze auto heeft [verdachte] geen uitleg willen geven, zodat de rechtbank, gelet op het voorgaande, de conclusie trekt dat ook deze auto in werkelijkheid aan [verdachte] toebehoort en ook voor deze auto de daadwerkelijke eigendom is verhuld. B).4 [bedrijf 5] BUI821 [kenteken 2] Onder de op 17 oktober 2022 in beslag genomen voertuigen op het terrein van [bedrijf 2 van verdachte] bevond zich ook deze camper. Volgens de gegevens van het LIV-RDW heeft [verdachte] deze camper van 30 juli 2020 en tot 21 september 2020 op zijn naam gehad. Vervolgens heeft de camper tot 9 juni 2021 op naam gestaan van [bedrijf 2 van verdachte] om daarna tot 30 september 2021 weer op naam van [verdachte] te staan. Vanaf die datum ging de tenaamstelling weer over op [bedrijf 2 van verdachte] . Uit een inkoopverklaring van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt dat [naam 1] de camper met Belgisch kenteken [kenteken 4] op 30 juni 2020 verkocht heeft aan [bedrijf 2 van verdachte] voor een bedrag van € 64.500,- en dat de [bedrijf 2 van verdachte] een aanbetaling heeft gedaan van € 24.500,- , waarbij het restant bedrag van € 40.000,- per bank is betaald op 17 juli
- Uit de grootboekrekening van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt dat een bedrag van € 24.500,- contant vanuit de kas aan [naam 1] is betaald. In de administratie van [bedrijf 2 van verdachte] zijn geen transacties te zien met betrekking tot een wisseling van tenaamstelling, terwijl de camper, zoals hiervoor beschreven, diverse malen op naam van [verdachte] heeft gestaan en dat volgens de RDW [verdachte] de eerste Nederlandse tenaamgestelde was. In een OVC-gesprek op 11 februari 2022 tussen [verdachte] en zijn zoon [zoon 2 van verdachte] zegt [verdachte] : ‘Ga maar tellen wat er staat. Ik bedoel (…) camper staat op [medeverdachte 1] zijn naam, alles’. Daarop zegt [zoon 2 van verdachte] : ‘dat is toch eigenlijk wel kut als je stopt dan’. [verdachte] antwoordt: ‘Nee, ik heb zelf ook verantwoord.’ [verdachte] heeft voor het vorenstaande geen verklaring willen geven, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat [verdachte] de daadwerkelijke rechthebbende van deze [bedrijf 5] was en aldus de werkelijke eigendom heeft verhuld. Motor Harley Davidson [kenteken 3] Deze motor stond sinds 28 december 2012, ruim vier jaar voor de start van de tenlastegelegde periode, op naam van [bedrijf 1 van verdachte] . Op 9 oktober 2017 is de tenaamstelling gewijzigd naar [bedrijf 2 van verdachte] . In het dossier zit een factuur waaruit blijkt dat deze motor op 6 oktober 2017 door [bedrijf 1 van verdachte] . is verkocht aan [bedrijf 2 van verdachte] voor € 7.750,-. In de grootboekrekeningen van [bedrijf 1 van verdachte] . en [bedrijf 2 van verdachte] is vermeld dat op 6 oktober 2017 een bedrag van € 7.750,- per kas is voldaan door [bedrijf 2 van verdachte] aan [bedrijf 1 van verdachte] . Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot deze specifieke motor niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het een legale herkomst heeft. De rechtbank zal [verdachte] daarom partieel vrijspreken van de witwasbeschuldiging voor zover het ziet op deze motor. C) Horloges Tijdens de actiedag op 17 oktober 2022 zijn bij een doorzoeking in de woning van [verdachte] en [partner van verdachte] aan de [adres 1] in Eindhoven op verschillende plekken 30 dure horloges aangetroffen en in beslag genomen. Onder deze horloges bevonden zich onder andere de horloges die in de tenlastelegging zijn vermeld: - Audemars Piquet Royal Oak (goednummer 745789); - Rolex Sky-Dweller (goednummer 745788); - Rolex GMT master III (goednummer 741305); - Rolex Day-date, (goednummer 741233). In een op de Iphone 6 van [verdachte] (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) aangetroffen Whatsapp-gesprek met [naam 2] op 17 december 2021 zegt [verdachte] dat hij klokken nodig heeft onder andere van Rolex en dat hij er vorige week nog een verkocht heeft voor ‘21’. Vervolgens lijkt het erop dat [naam 2] een horloge voor ‘21,5’ aan [verdachte] probeert te verkopen. Hij heeft onder andere een [gebruikersnaam 29] liggen van Platina, daar wil hij ‘100’ voor hebben. [verdachte] vraagt wat hij voor die 3 wil hebben. [naam 2] zegt ‘142’, waarop [verdachte] ‘135’ zegt. In een tapgesprek van 14 december 2021 praat [verdachte] met [naam 3] over onder andere een Rolex [gebruikersnaam 29] en in een OVC-gesprek bij [bedrijf 2 van verdachte] op 15 april 2022 tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . en [zoon 2 van verdachte] zegt [verdachte] dat hij 5 Rolexen kan kopen en 115.000 heeft geboden, waaronder type [gebruikersnaam 29] . [verdachte] noemt hierbij de naam [alias naam 3] , waarmee hij waarschijnlijk [naam 3] bedoelt. In een tapgesprek met [gebruikersnaam 30] op 13 september 2022 zegt [verdachte] dat hij een Rolex GMT Master heeft gehad van 40 ruggen en verkocht heeft voor € 45.000,-. Ook worden andere bedragen genoemd voor een Rolex GMT, die liggen tussen de € 37.500,- en € 47.500,-. Ten aanzien van een Rolex Day-date zijn diverse e-mails gevonden van [bedrijf 6] in Zwitserland, die zien op de vervanging van een wijzerplaat Rolex Day-date
- De kosten daarvan waren 7204 CHF (rechtbank: ongeveer € 7.753,-). In een tapgesprek van 20 oktober 2021 met ene [betrokkene 7] , die een Day-Date op Marktplaats heeft staan voor € 51.500,-, vraagt [verdachte] hoe [betrokkene 7] het betaald wil hebben, cash of op de bank. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] over een langere periode en op grote schaal handelde in dure en luxe horloges. Hij heeft geen bedrijf ingeschreven in de Kamer van Koophandel betrekking hebbend op de handel in horloges. Vast staat dat [verdachte] niet het legaal vermogen had om deze dure horloges te betalen. [verdachte] heeft niet verklaard hoe hij deze handel heeft kunnen bekostigen, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat hij deze handel gefinancierd heeft met gelden afkomstig van enig misdrijf. D) Woningen D).1 Aankoop en verbouwing appartement in Marbella (Spanje) D).1.1 Aankoop Op 16 september 2021 werd [verdachte] gebeld door [betrokkene 10] van [bedrijf 7] [verdachte] vertelde dat hij in Spanje was om appartementen te bezichtigen, dat hij er geen verstand van heeft en dat hij kijkt naar objecten van ongeveer 3 ton. Uit een tapgesprek op 22 september 2021 tussen [verdachte] en [betrokkene 11] van [bedrijf 8] blijkt dat [verdachte] een appartement heeft gekocht voor € 260.000,-, dat hij een aanbetaling van € 6.000,- moet doen en dat dat geen probleem is. Op 22 september 2021 is € 6.000,- afgeschreven van de bankrekening van [verdachte] naar de bankrekening van [naam 4] onder vermelding van ‘aankoop appartement [adres 2] ’. In oktober 2021 is door [verdachte] € 538,45 overgemaakt op een Spaanse bankrekening van [naam 5] onder vermelding van ‘OFA21-0381’. Dit bedrijf legt zich toe op de waardering van alle soorten onroerend goed. Op 4 november 2021 werd [verdachte] gebeld door [betrokkene 11] van [bedrijf 8] . Hij vertelde dat hij goedkeuring van de hypotheek had op basis van het inkomen van [verdachte] . Het aanbod was 60% van de aankoopsom, dus hij kon € 156.000,- loskrijgen met een looptijd van 20 jaar en een rente van 1,75 %. [verdachte] zou ongeveer € 132.500,- moeten inleggen, als wordt uitgegaan van 11% kosten koper. [verdachte] vertelde dat hij dat wel kon regelen en dat hij privé geld zat heeft. Uit de gegevens van de Spaanse bankrekening van [verdachte] en zijn vrouw blijkt dat tussen 16 december 2021 en 24 januari 2022 in totaal € 105.000,- is ontvangen van een Nederlandse bankrekening van [verdachte] ( [rekeningnummer 1] ) en dat daarvan kosten voor de aankoop van de woning en hypotheek zijn betaald. Uit een analyse van die Nederlandse bankrekening van [verdachte] blijkt dat deze overboekingen worden gevoed door: - een overboeking van [naam 6] van € 45.000,- op 28 oktober 2021 o.v.v. 'aankoop Rolex'; - in de periode van 13 januari 2022 tot en met 23 januari 2022 10 overboekingen van € 5.000,- met een totaal van € 50.000 van [bedrijf 1 van verdachte] . De gelden bij [bedrijf 1 van verdachte] . zijn vervolgens weer afkomstig van een overboeking van [bedrijf 2 van verdachte] naar [bedrijf 1 van verdachte] . op 13 januari 2022 van € 50.000,- o.v.v. terugbetaling lening. Hieraan voorafgaand is geen verstrekkende lening op de rekening te zien; - overboeking van [partner van verdachte] (rekeningnummer [rekeningnummer 4] ) van € 20.000,- op 20 januari
- Op 4 november 2021 werd [verdachte] gebeld door zijn vrouw. Hij vertelde haar dat de financiering rond was. Op haar vraag wanneer zij delen moest betalen, antwoordde [verdachte] dat ze binnen een paar dagen die 20 % of die 10% moesten gaan aanbetalen. Desgevraagd vertelde [verdachte] dat dit ‘€ 20.000,00 of zoiets’ was. [verdachte] vertelde dat het rond was, omdat de bank hem een mail gestuurd had, waarop zijn vrouw antwoordde: ‘Ja dan moet ik toch gaan storten, hahaha’. [partner van verdachte] heeft tegenover de politie als getuige verklaard dat zij en [verdachte] in Marbella een appartement hebben gekocht, maar dat ze niet weet voor welk bedrag, [verdachte] had dat geregeld via de bank in Spanje. Er zijn wat aanpassingen gedaan, waaronder aan de badkamer, maar ze kan niet exact noemen wat. Volgens haar is grotendeels per bank betaald. Tijdens een tapgesprek op 22 september 2021 tussen [verdachte] en zijn vrouw lijkt het er op dat voor het appartement in werkelijkheid € 35.000,- meer is betaald dan de koopprijs van € 260.000,-. [partner van verdachte] vraagt aan [verdachte] of de advocaat weet van de prijs, waarop [verdachte] zegt: ‘gewoon zeggen wat wij hebben besproken, gewoon die 250’. Zijn vrouw antwoordt: ‘Het is 260 he. Dat was ons laatste bod’. [verdachte] : ‘260 en 35?’, wat zijn vrouw vervolgens bevestigt: ‘Ja’. Dat [verdachte] bovenop de verkoopprijs van € 260.000,- ook € 35.000,- contant heeft betaald voor de aankoop van het appartement, vindt bevestiging in het OVC-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . op 31 januari
- [medeverdachte 1] . vroeg aan [verdachte] : ‘en moest je die 35 rooien van te voren (ntv) of niet’. [verdachte] vertelde dat ze van te voren bij het appartement een afspraak hadden. De makelaar heeft toen het geld geteld en heeft gezegd dat [verdachte] 25 aan die vrouw (rechtbank: verkoopster) en 10 aan hem (rechtbank: de makelaar) moest betalen. Op 17 februari 2022 zegt [verdachte] in een OVC-gesprek met een onbekend persoon dat hij op papier ‘260’ heeft betaald, dat hij 35 bij heeft moeten lappen en dus ‘295’ betaald heeft. In een OVC-gesprek van 1 februari 2022 zegt [verdachte] tegen [naam 7] dat hij ‘105, 140’ zelf heeft betaald. Deze bedragen stemmen overeen met het bedrag dat [verdachte] op zijn Spaanse bankrekening heeft overgemaakt voor de aankoop van het appartement (€ 105.000,- ) plus het contant betaalde deel van € 35.000,-. Voor de aflossing van de hypotheek is van 28 juni 2022 tot en met 28 september 2022 maandelijks een bedrag van € 1.250,- overgeboekt naar de Spaanse bankrekening [rekeningnummer 5] t.n.v. [verdachte] en [partner van verdachte] o.v.v. 'aflossing appartement Spanje'. Op 17 oktober 2022 was een totaalbedrag van € 5.000,- afgelost. D).1.2 Verbouwing Op 31 januari 2022 vertelde [verdachte] in een tapgesprek aan [medeverdachte 1] . over het appartement waarvoor hij afgelopen weekend heeft getekend. Hij wil het hele appartement verbouwen. Hij wil de slaapkamers allemaal aan één kant. Hij wil een open keuken en twee losse badkamers. Daarnaast wil hij nog een washok en woonkamer. [verdachte] denkt dat de verbouwing 80/90 rooie kost. Op de vraag van [medeverdachte 1] . of hij dat zo kan betalen, antwoordde [verdachte] dat hij dat heeft en dat hij meteen vroeg ‘als ik het niet zo kan betalen dan..’. Vervolgens vertelde [verdachte] : ‘Hij zei hoe kom je aan zoveel cash geld? lk zei ik heb een autobedrijf, ik krijg alleen maar cash geld’. Ook vertelde [verdachte] tijdens dit gesprek aan [medeverdachte 1] . dat hij hoopte dat de verbouwing van het appartement voor de zomer klaar zou zijn. Hij had met een klusjesman afgesproken en die gaf aan dat de verbouwing € 28.000,- zou kosten. Ook had [verdachte] een aannemer gesproken die het op zou kunnen leveren met beddengoed en alles erin, voor € 60.000,-. In een OVC-gesprek op 29 april 2022 is te horen dat [verdachte] tegen (onder meer) zijn zoon [zoon 1 van verdachte] vertelt over de verbouwing van het appartement. Daaruit volgt dat [verdachte] die verbouwing contant betaalt. Zo zegt [verdachte] dat hij hem (rechtbank: de aannemer) pas 40 van de afgesproken 89 ruggen heeft betaald en tegen hem heeft gezegd dat [verdachte] weer geld geeft als hij weer komt. Ook zegt [verdachte] in dit gesprek dat de hele verbouwing ‘115 rooien’ heeft gekost. [verdachte] : ‘Maar dan moet je zo tellen dan is van voor tot achter alles. Nieuwe airco's, nieuwe kozijnen, nieuwe badkamer, nieuwe keuken, nieuwe vloeren, nieuwe dak, ledverlichting. Overal is ledverlichting en kast.. inbouwkasten en nog in de woonkamer een extra kast voor spullen weet je niet? Gewoon echt alles, verlaagd plafond met ledstrip erachter, buiten led verlichting, onder op het terras van die ledlampjes voor 's avonds. Echt alles. Nieuwe stopcontacten.’ In een tapgesprek van 24 mei 2022 zegt [verdachte] dat hij voor zeker € 25.000,- aan meubels en andere spullen heeft gekocht. Uit de doorzoeking van het appartement in Spanje blijkt ook dat het appartement luxueus is verbouwd en ingericht. Bij de doorzoeking is verder een factuur aangetroffen van [bedrijf 9] waarop is vermeld dat het ziet op werkzaamheden voor de renovatie van appartement ‘ [adres 2] ’. Op de factuur zijn werkzaamheden genoemd als metselwerk, sanitaire voorzieningen, elektriciteit, licht en timmerwerk. De factuur heeft een totaalbedrag van € 9.105,06 exclusief BTW. Op 10 augustus 2022 is een overboeking te zien van een Nederlandse bankrekeningen van [verdachte] aan de Spaanse bankrekening [rekeningnummer 6] t.n.v. [bedrijf 9] met een bedrag van € 25.277,50 o.v.v. ‘verbouwing/renovering /appartement Spanje [adres 2] ’. Daarnaast zijn tijdens de doorzoeking allerhande facturen aangetroffen die betrekking hebben op de aanschaf van goederen ten behoeve van de inrichting van een woning (zoals meubels en elektronica) waaruit blijkt dat deze contant zijn betaald. Het gaat om een totaalbedrag van meer dan € 19.000,-. D).1.2 Conclusie mbt appartement in Marbella De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte] het appartement op papier voor € 260.000,- heeft gekocht. Van die koopprijs plus de met de aankoop gemoeide kosten koper heeft [verdachte] zelf een substantieel deel, ten minste € 105.000,-, betaald. Over de herkomst van dat geld heeft [verdachte] geen verklaring willen geven. Zo blijft bijvoorbeeld onduidelijk wat de reden is geweest voor de overboeking van in totaal € 50.000,- van [bedrijf 2 van verdachte] aan [bedrijf 1 van verdachte] . op 13 januari 2022 en is een ander deel afkomstig uit de handel in dure horloges (waarvan de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld dat deze handel niet valt te verklaren uit de legale inkomstenbronnen van [verdachte] ). Daarnaast heeft [verdachte] nog € 35.000,- contant betaald voor de aankoop, waarvan de herkomst ook onverklaard is gebleven. Verder is het appartement grondig verbouwd. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij voor € 115.000,- heeft verbouwd. Dat het appartement is verbouwd (zoals door [verdachte] is verklaard) vindt bevestiging in de bevindingen van de politie bij de doorzoeking van het appartement; het verweer van de raadsman dat het bewijs enkel op de verklaring van verdachte zou rusten, stuit hier op af. Het lijkt erop dat een groot deel van de verbouwing cash is betaald, nu buiten de hiervoor genoemde betaling aan [bedrijf 9] ad € 25.277,50 niet blijkt van girale betaling van deze kosten. Dit vindt bevestiging in de tijdens de doorzoeking in Spanje aangetroffen facturen en in wat [verdachte] heeft gezegd in het OVC-gesprek van 29 april
- Uit de stukken is niet gebleken hoe [verdachte] al deze bedragen heeft betaald. [verdachte] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen, zodat niet inzichtelijk is hoe hij al deze kosten heeft kunnen betalen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat hij het contant betaalde (niet uit bankfinanciering afkomstige) deel van de aankoopprijs van dit appartement en de verbouwing daarvan heeft betaald met criminele gelden uit enig misdrijf afkomstig en dus op deze manier heeft witgewassen. D).2 Verbouwing woning in Eindhoven [verdachte] en [partner van verdachte] woonden gedurende de gehele tenlaste gelegde periode samen in de woning op het adres [adres 1] in Eindhoven. Van de bankrekening van [verdachte] werd vanaf maart 2015 tot en met oktober 2021 maandelijks € 140,- overgemaakt aan [bedrijf 10] . Dat komt nagenoeg overeen met een tapgesprek op 17 september 2021 tussen [betrokkene 11] van [bedrijf 8] en [verdachte] waarin hij zegt dat hij ‘voor [adres 1] 150 per maand huur betaalt en 1.000 gas, water, licht’. Op dit adres is sinds 26 maart 2018 ook de eenmanszaak van [partner van verdachte] ‘ [bedrijf 1] ’ gevestigd. Uit luchtfoto’s blijkt dat de huidige woning is gebouwd tussen 2010 en 2011 en dat er door de jaren heen steeds verbouwingen hebben plaatsgevonden. Zo zijn er vanaf 2019 en 2020 aanpassingen aan het exterieur te zien. Uit diverse tap- en OVC-gesprekken blijkt dat de woning in 2021 en 2022 voor minimaal € 65.000,- is verbouwd, waaronder een serre van € 25.000,- en een badkamer van € 40.000,-. Zo zegt [verdachte] in een OVC-gesprek op 5 april 2022 met onder andere zijn zoon [zoon 2 van verdachte] en [medeverdachte 1] . : ‘we hadden nog wel ergens een ton, 4 en een halve ton, en daar 6 en een half of 7 en een halve ton liggen. Dus ja wat maakt het voor ons uit. We hadden geld zat. (…) We verdienden 100 ruggen in de week, dus wat maakt het uit. We maakten 30 ruggen op. (…) Het maakte niet uit. En ik bedoel, ik bouwde een nieuw huis (…)’. In een OVC-gesprek op 21 februari 2022 zegt [verdachte] dat hij de badkamer bij [bedrijf 11] heeft gekocht, dat hij een tegelzetter heeft en dat de loodgieter een rooitje vroeg. In een OVC-gesprek op 12 maart 2022 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] . wat het kost om de badkamer te verbouwen: ‘alleen badkamer was 16.
- Die jongen vraagt 7 rooie voor tegels zetten, hij heeft voor 2 rooie spullen gehaald en daar komt nog wat bij, zeg maar 3 rooie.’ In een OVC-gesprek op 11 juli 2022 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 4] : ‘ik heb een paar jaar geleden nog een nieuwe serre laten zetten van 25 ruggen (..) Ik heb er nou een badkamer van 40 ruggen inbouwen weer. Ik heb de kamers allemaal laten doen voor de kinderen’. [betrokkene 4] antwoordt: ‘Heb je daar ook iets van, via de bank? Nee, dat is wel kut in deze situatie nou dan he?’ [verdachte] : ‘Ja’. De woning is op 17 oktober 2022 getaxeerd door [bedrijf 12] , waarbij de conclusie is dat de aankoop- en verbouwingskosten € 741.500,- zijn als deze zijn uitgevoerd door een aannemer en € 631.000,- als dit gedaan is in eigen beheer. Daarbij is het bijgebouw waarin het bedrijf van [partner van verdachte] is gerealiseerd, getaxeerd op € 85.000,- als dit door een aannemer is gebouwd en € 72.500,- als dit in eigen beheer is gedaan. Op de (creditcard)rekeningen van [verdachte] en [partner van verdachte] zijn geen betalingen terug te vinden die te relateren zijn aan de aankoop van de woning en genoemde verbouwingen. Dit betekent dat voor een bedrag van minimaal € 631.000,- uitgaven zijn gedaan, terwijl niet zichtbaar is hoe deze uitgaven konden worden voldaan. Door de verdediging is aangevoerd dat een groot deel van de verbouwingen heeft plaatsgevonden voor de tenlastegelegde periode, maar erkent wel dat de woning in de tenlastegelegde periode voor tenminste enkele tienduizenden euro’s in verbouwd. Ook deze uitgaven zijn niet herleidbaar tot girale betalingen en [verdachte] noch [partner van verdachte] hebben uitgelegd uit welke (legale) middelen dat is gefinancierd, zodat het er in combinatie met de tap- en OVC-gesprekken voor moet worden gehouden dat zij de aankoop en verbouwing van hun woning hebben betaald met gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Hiermee zijn deze gelden witgewassen door contant geld om te zetten in een verbouwing van de woning van [verdachte] en zijn partner. 6.12.6 Conclusie Met betrekking tot alle voorgaande posten komt de rechtbank tot de conclusie dat deze toebehoorden aan [verdachte] en dat hij niet beschikte over legaal vermogen waarmee hij de aanschaf hiervan heeft kunnen bekostigen. Sterker nog, over de jaren 2017 tot en met 2021 is € 3.456.745 meer uitgegeven dan is binnengekomen. [verdachte] heeft daarvoor geen verklaring gegeven, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat voornoemde posten betaald zijn met inkomsten uit enig misdrijf en dat hiermee sprake is van witwassen. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] gedurende een langere tijd, ten aanzien van meerdere voorwerpen en met betrekking tot grote bedragen heeft witgewassen, is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van gewoontewitwassen. 6.13 Deelname aan criminele organisatie gericht op witwassen ( feit 2, 01.019683.21). 6.13.1 Juridisch kader van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het binnen de organisatie bestaan van gemeenschappelijke regels, van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen, het voeren van overleg en bijvoorbeeld een gezamenlijke besluitvorming en een taakverdeling kunnen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband. Dit zijn echter geen noodzakelijke vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Voor de vaststelling dat sprake is van een dergelijke organisatie is niet vereist dat de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, daadwerkelijk zijn gepleegd dan wel dat pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Voor de beoordeling van de deelneming aan een dergelijke organisatie is niet bepalend of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Evenmin hoeft vast komen te staan dat een deelnemer heeft samengewerkt of bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Voorts is niet vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de concrete, door de organisatie beoogde misdrijven, dan wel wetenschap heeft gehad van enig vanuit de organisatie begaan concreet misdrijf. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (voorwaardelijk) opzettelijke deelneming aan die organisatie. Daartoe dient vast komen te staan dat hij binnen de organisatie gedurende zekere tijd heeft samengewerkt met ten minste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat hij in zijn algemeenheid weet dat de organisatie een misdadig oogmerk heeft. Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijke doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. De strafbaarstelling van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht kent als overkoepelend beschermd belang de bescherming van de samenleving en rechtsorde tegen het gevaar dat uitgaat van een organisatie die zich het plegen van misdrijven ten doel heeft gesteld. Daarmee is het gevaarzettende karakter van een dergelijke organisatie reeds gegeven. De aard van de beoogde misdrijven doet daaraan niets af. De andersluidende visie van de verdediging wordt door de rechtbank verworpen vanwege een te beperkte, maar vooral onjuiste, uitleg van de strafbaarstelling van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. 6.13.2 Witwasactiviteiten [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en zijn eigen [bedrijf 1 van verdachte] . een criminele organisatie heeft gevormd met als doel het witwassen van crimineel geld. Om dit te kunnen bewijzen moet de rechtbank eerst vaststellen of sprake is geweest van witwasactiviteiten. Dat wordt hierna beoordeeld aan de hand van meerdere opvallende punten en bewijsmiddelen uit het dossier. Onder 6.13.3 wordt, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is geweest van witwasactiviteiten, beoordeeld of dat in een criminele organisatie heeft plaatsgevonden. Vermogen [verdachte] uit misdrijf afkomstig Zoals hierna aan de orde zal komen, blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] grote sommen geld in [bedrijf 2 van verdachte] heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat dit vermogen van [verdachte] geen legale herkomst had en het van enig misdrijf afkomstig moet zijn geweest. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij hierover heeft overwogen in 6.
- Toetreding [verdachte] als vennoot in [bedrijf 2 van verdachte] [verdachte] is per 1 januari 2019 vennoot geworden van [bedrijf 2 van verdachte] . Uit de jaarrekening van de [bedrijf 2 van verdachte] van 2019 (en daarna) blijkt niet dat hij op dat moment (of daarna) kapitaal heeft ingebracht in de onderneming. Ook uit de bankrekeningen van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt niet van enige (financiële) inbreng van [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] . Evenmin blijkt uit het dossier dat een vennootschapscontract is opgesteld bij de toetreding van [verdac