← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2026:361

RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van de gemeente Valkenswaard, de heffingsambtenaar (H.J.M. Venner). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht het namens eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.
  2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van eisers woning met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar
  3. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt. 1.
  4. Met de uitspraak op bezwaar van 9 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.
  5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. 1.
  6. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank
  7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het namens eiser gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor dit oordeel is het volgende van belang. 2.
  8. De gemachtigde van eiser heeft namens eiser op 5 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de (in overweging 1.
  9. genoemde) beschikking. Daarbij heeft de gemachtigde een machtigingsformulier overgelegd. 2.
  10. Het machtigingsformulier is elektronisch ingevuld. In het machtigingsformulier staat dat de machtiging is afgegeven door “ [naam] ”. In de rubriek adres staat de straat, het huisnummer, de postcode en de plaats van de woning. Als datum waarop de machtiging is afgegeven is vermeld 3 maart 2025 met het tijdstip 20:54:58 uur. Het machtigingsformulier is van de volgende digitale handtekening voorzien: 2.
  11. De heffingsambtenaar heeft aan de gemachtigde van eiser op 18 maart 2025 een e-mailbericht gestuurd waarin – voor zover van belang – het volgende staat: U heeft namens [naam] een bezwaarschrift ingediend tegen de WOZ/OZB van [adres] te [woonplaats] . Helaas voldoet de machtiging niet aan onze vereisten. Ik verzoek u binnen vier weken na dagtekening van deze mail een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat u namens belanghebbende optreedt, anders kan het bezwaarschrift niet in behandeling worden genomen. Indien ik binnen de gestelde termijn geen reactie van u heb ontvangen bestaat de mogelijkheid dat uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. 2.
  12. De heffingsambtenaar heeft aan de gemachtigde van eiser op 28 april 2025 een e-mailbericht gestuurd waarin – voor zover van belang – het volgende staat: U heeft namens [naam] een bezwaarschrift ingediend tegen de WOZ/OZB van [adres] te [woonplaats] . In de eerder verzonden mail hebben wij u verzocht om een juiste machtiging aan te leveren. Uit de machtiging moet duidelijk blijken dat het bezwaar namens de belanghebbende is ingediend. Dit blijkt niet uit de meegestuurde machtiging. Uit de handtekening kunnen we niet opmaken dat het bezwaar door de belanghebbende is ingediend. Graag herinneren wij u eraan dat u nog niet alle gegevens heeft aangeleverd. Machtiging, motivatie, handtekening Heeft u nog geen machtiging, motivatie of handtekening aangeleverd, dan voldoet het bezwaarschrift niet aan de wettelijke eisen. Het bezwaarschrift kan dan niet-ontvankelijk worden verklaard. Ik verzoek u alsnog de juiste machtiging aan te leveren. Ik verzoek u om de juiste machtiging vóór 6 mei 2025 aan te leveren. Het ontbreken van deze stukken heeft tot gevolg dat uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. 2.
  13. Door of namens eiser is niet op de e-mailberichten van de heffingsambtenaar van 18 maart 2025 en 28 april 2025 gereageerd. De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 9 mei 2025 (met de in overweging 1.
  14. genoemde uitspraak op bezwaar) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 2.
  15. Op 18 mei 2025 heeft de gemachtigde van eiser een nieuwe machtiging overgelegd. Het machtigingsformulier is met pen ingevuld. In het machtigingsformulier staat dat de machtiging is afgegeven door “ [naam] ”. In de rubriek adres staat de straat, het huisnummer en de plaats van de woning. Als datum waarop de machtiging is afgegeven is vermeld 2 mei 2025 met het tijdstip 12:47 uur. Het machtigingsformulier is van de volgende handtekening met pen voorzien: 2.
  16. Eiser is het niet eens met de uitspraak op bezwaar. Volgens eiser valt niet in te zien dat eerste (in overweging 2.
  17. omschreven) machtiging niet voldoet aan de wettelijke vereisten. De machtiging is immers door eiser ondertekend met duidelijk de naam en het adres van eiser daarbij vermeld. Volgens eiser is inzichtelijk wie namens hem is gemachtigd, alsook dat de gemachtigde bevoegd is namens hem in rechte op te treden en dat dit geldt voor de WOZ-beschikking van
  18. Dat uit de machtiging (althans, de handtekening daarop) niet kan worden opgemaakt dat het bezwaar is ingediend door eiser, kan dan ook niet worden gevolgd. Dit laatste wordt verder ondersteund door de volledigheidshalve nagestuurde (en in overweging 2.
  19. omschreven) machtiging. De handtekeningen die door eiser zijn gezet komen qua uiterlijke kenmerken nagenoeg overeen, aldus eiser. 2.
  20. De rechtbank overweegt als volgt. 2.8.
  21. Per 1 januari 2024 is artikel 30a, vierde lid , van de Wet WOZ ingevoerd, waarin is bepaald dat uitbetalingen van geldbedragen waartoe een belanghebbende ingevolge een uitspraak op bezwaar of een uitspraak in een (hoger) beroepsprocedure is gerechtigd, uitsluitend kan plaatsvinden op een bankrekening op naam van de belanghebbende. De achtergrond van die bepaling is er onder andere in gelegen dat in de (rechts)praktijk is gebleken van situaties waarin belanghebbenden niet wisten dat er in hun naam procedures werden gevoerd of daarvoor geen toestemming hadden gegeven. Dit wordt door de wetgever als een zorgelijke ontwikkeling gezien. De rechtbank deelt – in navolging van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch – die zorgen. De rechtbank acht het, gezien het belang van een rechtsgeldige vertegenwoordigingsbevoegdheid en het voorkomen van misbruik, belangrijk dat erop wordt toegezien dat slechts rechtsmiddelen worden aangewend door gemachtigden die beschikken over een toereikende en rechtsgeldige machtiging. Hier is niet alleen een taak voor de rechter, maar ook voor de heffingsambtenaar weggelegd. 2.8.
  22. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar zich in algemene zin terecht kritisch opstelt ten aanzien van machtigingen die in procedures op grond van de Wet WOZ worden overgelegd. Wederom indachtig wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de eerste (in overweging 2.
  23. omschreven) machtiging terecht als niet toereikend heeft beoordeeld. Dat op het formulier de naam en het adres van de woning van eiser staan zegt op zichzelf niets, omdat dit door eenieder kan worden ingevuld. De op het formulier geplaatste handtekening is op geen enkele manier naar (de naam van) eiser te herleiden. 2.8.
  24. De heffingsambtenaar heeft (met zijn in overweging 2.
  25. omschreven e-mailbericht) aanvankelijk verzuimd om concreet aan te geven waarom de eerste (in overweging 2.
  26. omschreven) machtiging niet voldeed. De heffingsambtenaar heeft dit alsnog wel gedaan (met zijn in overweging 2.
  27. omschreven e-mailbericht) en eiser een voldoende ruime termijn gesteld om dit gebrek te herstellen. Dat die termijn ook in dit geval voldoende was, blijkt uit het feit dat eiser op 2 mei 2025 – en dus ruim voor het verstrijken van de door de heffingsambtenaar gestelde termijn – een nieuwe machtiging kon afgeven. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van eiser ook in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven wat de consequentie zou zijn van het niet (tijdig) aanleveren van een toereikende machtiging. Eiser zegt overigens ook niet dat de gestelde termijn te kort was of dat de consequentie op het niet (tijdig) aanleveren van een toereikende machtiging onvoldoende duidelijk was. 2.8.
  28. Eiser wijst er nog op dat uit de tweede (in overweging 2.
  29. omschreven) machtiging voldoende blijkt dat de eerste (in overweging 2.
  30. omschreven) machtiging door hem is afgegeven. Eisers gemachtigde heeft die machtiging echter pas (ruim) na het doen van de uitspraak op bezwaar aan de heffingsambtenaar toegezonden. De heffingsambtenaar kon deze machtiging daarom niet betrekken bij het doen van uitspraak op bezwaar.
  31. Eiser vindt verder dat de heffingsambtenaar hem in de gelegenheid had moeten stellen om te worden gehoord voordat hij op het bezwaar besliste. Eiser wijst erop dat het dictum van de uitspraak op bezwaar is dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder de toevoeging ‘kennelijk’. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. In de uitspraak op bezwaar staat – voor zover van belang – het volgende: “In uw bezwaarschrift heeft u aangegeven dat u gehoord wenst te worden als niet geheel aan uw bezwaar tegemoet zou worden gekomen. Uw bezwaarschrift voldoet niet aan de wettelijk gestelde eisen. Op grond van artikel 7:3 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Aangezien u niet-ontvankelijk bent verklaard in uw bezwaar, heeft er geen hoorzitting plaatsgevonden.” Uit de aangehaalde passage volgt voldoende duidelijk dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen heeft afgezien. Dat in het dictum het woord ‘kennelijk’ niet terugkomt is daarvoor niet van belang. Conclusie en gevolgen
  32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 januari
  33. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien partijen niet digitaal procederen, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch. Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Kamerstukken II 2023-24, 36427, nr. 3, p.
  34. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:937, overweging 4.3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.