Rechtbank Oost-Brabant – ECLI:NL:RBOBR:2026:704
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer :
NL:TZ:0000448165:M001 dossiernummer :
MB16320 datum :
23 januari 2026 [initialen] beschikking op een verzoek tot opheffing van het bewind op verzoek van: [naam] , vennoot van [naam] ,[adres] ,Kamer van Koophandel-nummer [nummer] , hierna te noemen: verzoeker, met betrekking tot: [naam] ,geboren te [plaatsnaam] op [datum] ,wonende te [adres] ,hierna te noemen: betrokkene. procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van:- het verzoek, ontvangen op 17 november 2025;
De zaak is behandeld ter zitting van 13 januari 2026. Van hetgeen is besproken op de zitting zijn aantekeningen gemaakt. Ter zitting zijn betrokkene, [de partner van betrokkene] , [de dochter van betrokkene] en de mentor de heer M.G.A. Spanjaards en collega de heer [naam] van [naam] verschenen. beoordeling 1. De mentor verzoekt opheffing van het mentorschap, dan wel ontslag als mentor. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij niet in staat is de mentorschapstaak op een verantwoorde en onafhankelijke wijze uit te voeren. De belangen en de opvattingen van de direct betrokkenen, in het bijzonder tussen [de zorgverlener] , de dochters van betrokkene en [de partner van betrokkene] , lopen dermate uiteen dat een constructieve samenwerking niet haalbaar is gebleken. Daarnaast is de mentor van mening dat de huidige werkwijze van de betrokken partijen onvoldoende aansluit bij het belang en welzijn van betrokkene. Daardoor is de mentor van mening dat hij zijn taak niet in overeenstemming met zijn wettelijke verantwoordelijkheid en morele taakopvatting kan uitoefenen. De mentor acht het van groot belang dat betrokkene een mentor krijgt die deze taak in een stabielere context kan vervullen en die in staat is de belangen van betrokkene volledig centraal te stellen.
4.1 Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter gebleken dat er sprake is van een onwerkbare situatie voor de mentor. Hoewel de kantonrechter niet betwijfelt dat alle betrokkenen het beste voor hebben met betrokkene, is duidelijk dat de opvattingen over wat dat beste precies is verschillen. Daarnaast staat buiten kijf dat de verhouding tussen de partner van betrokkene en de kinderen van betrokkene ernstig verstoord zijn.
4.2 Niet in geschil is dat de noodzaak tot de maatregel voortduurt en dat dat ook zo zal blijven. Van opheffing van het mentorschap kan dan ook geen sprake zijn. De professioneel mentor heeft zich aanvankelijk bereid verklaard en de kantonrechter verlangt dan ook dat de mentor de nodige inspanningen levert om het mentorschap tot een succes te maken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij dat ook gedaan en daarna kan ook van een professioneel mentor niet verlangd worden dat hij het mentorschap voortzet tegen zijn wil. Gegeven de situatie zoals die in het verzoek is geschetst en ook ter zitting tot uitdrukking is gekomen, zal de kantonrechter de mentor daarom het gevraagde ontslag verlenen.
5.1 De kantonrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de partner van betrokkene de rol van mentor naar behoren kan vervullen, ondanks de goede intenties die de kantonrechter aanneemt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat de kantonrechter er niet van overtuigd is dat de partner in staat is in alle opzichten een juiste inschatting te maken van de benodigde zorg en dat hij daarbij voldoende vertrouwen zal stellen in de deskundigheid van de zorgverleners. Tevens is tijdens de zitting en uit de stukken gebleken dat de communicatiestijl van de partner het organiseren van adequate en effectieve zorg bemoeilijkt.
5.2 De dochter van betrokkene heeft op de zitting, aan het eind van de behandeling, aangegeven bereid te zijn de taak van mentor op zich te nemen. Deze bereidheid lijkt echter met name ingegeven door de vrees dat de partner van betrokkene tot mentor zal worden benoemd. Deze bereidheid komt echter vooral voort uit de vrees dat de partner van betrokkene benoemd wordt. De kantonrechter beschouwt deze verklaring daarom niet als een bereidverklaring voor het opnemen van de taak van het mentorschap, maar eigenlijk als een verklaring tégen benoeming van de partner. Bovendien blijft het naar alle waarschijnlijkheid onwerkbaar als de dochter als mentor zou optreden, terwijl betrokkene samenleeft met haar partner, met wie de dochter zo’n moeizame verhouding heeft.
5.3 Alles overziend concludeert de kantonrechter dat de huidige mentor geen werkbare situatie ziet, mede gezien de tijd die dit dossier in beslag neemt en de beperkte omvang van het kantoor. De naaste familie van betrokkene acht de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden niet geschikt voor benoeming tot opvolgend mentor.
5.4 De rechtbank zal daarom ambtshalve een nieuwe professionele mentor benoemen. De kantonrechter heeft Almass Bewindvoering B.V. (Kvkno. 55819125, Postbus 173, 5430 AD te Cuijk) bereid gevonden om benoemd te worden tot opvolgend mentor. De kantonrechter zal ambtshalve de nieuwe mentor benoemen met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking.
5.5 De mentor kan na aanvang van zijn werkzaamheden een (gemotiveerd) verzoek tot instelling van bewind of, in het uiterste geval, curatele in te dienen, indien hij daartoe aanleiding ziet. De kantonrechter zal dat verzoek dan in overweging nemen.
6.1 De kantonrechter zal de jaarbeloning vaststellen overeenkomstig artikel 4 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Deze beloning is inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing. beslissing De kantonrechter:
77943678, [adres];
Deze beschikking is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. ! [handtekeningen] [handtekeningen] [handtekeningen] Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.