← Nederland

ECLI:NL:RBONE:2013:3371

Rechtbank Oost-Nederland Team strafrecht Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08/900021-11 Datum vonnis: 22 januari 2013 Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Oost-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1954 in [geboorteplaats 1] , wonende in [adres 1] , nu verblijvende in het huis van bewaring te Almelo. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevr. mr. A.E.M. Doedens en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.M.A.G. Goris, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1, Feit 2 en Feit 3: als bestuurder van een rechtspersoon bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichtingen zoals die onder andere zijn gesteld in artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek. Voorts als het voorgaande niet bewezen kan worden dat hij als bestuurder van een rechtspersoon eenvoudige bankbreuk heeft gepleegd omdat aan hem te wijten is dat niet voldaan is aan in het Burgerlijk Wetboek opgenomen administratieve verplichtingen, zoals het bewaren en te voorschijn brengen van boeken en bescheiden; Feit 4 en Feit 7: als bestuurder van een rechtspersoon bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door lasten te verdichten, baten niet te verantwoorden en/of een goed aan de boedel te ontrekken; Feit 5: met een ander een besloten vennootschap en/of een aantal personen heeft opgelicht; Feit 6: een tweetal personen heeft opgelicht, dan wel geld heeft verduisterd. Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat: 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2009 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(

  1. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., welke besloten vennootschap op 21 oktober 2009 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(
  2. s)van die besloten vennootschap, niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hun, verdachte en/of zijn mededader, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(
  3. en)bedoeld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader geen administratie gevoerd en/of bewaard (artikel 2:10 lid 1 BW) en/of te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat het aan hem, verdachte, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. - terwijl voornoemde besloten vennootschap bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 21 oktober 2009 in staat van faillissement was verklaard - en/of aan (een) ander(
  4. en)te wijten was dat in of omstreeks de periode van 6 april 2009 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  5. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, aan de in artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting niet was voldaan en/of dat de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, waarmee volgens die artikelen administratie gevoerd was, en/of de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat werden tevoorschijn gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar geen, althans onvoldoende maatregelen genomen om de administratie van voornoemde rechtspersoon te voeren en/of te bewaren (art. 2:10 lid 1 BW) en/of op vordering(
  6. en)en/of verzoek(
  7. en)van de curator [curator 1] te voorschijn te brengen; art 342 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  8. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., welke besloten vennootschap op 7 april 2010 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(
  9. s)van die besloten vennootschap, niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hun, verdachte en/of zijn mededader, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(
  10. en)bedoeld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader geen administratie gevoerd en/of bewaard (artikel 2:10 lid 1 BW) en/of te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat het aan hem, verdachte, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. - terwijl voornoemde besloten vennootschap bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 7 april 2010 in staat van faillissement was verklaard - en/of aan (een) ander(
  11. en)te wijten was dat in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  12. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, aan de in artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting niet was voldaan en/of dat de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, waarmee volgens die artikelen administratie gevoerd was, en/of de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat werden tevoorschijn gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar geen, althans onvoldoende maatregelen genomen om de administratie van voornoemde rechtspersoon te voeren en/of te bewaren (art. 2:10 lid 1 BW) en/of op vordering(
  13. en)en/of verzoek(
  14. en)van de curator [curator 2] te voorschijn te brengen; art 342 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht 3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 mei 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  15. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V., welke besloten vennootschap op 26 oktober 2010 door de rechtbank te Zwolle-Lelystad in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(
  16. s)van die besloten vennootschap, niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hun, verdachte en/of zijn mededader, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(
  17. en)bedoeld, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader geen administratie gevoerd en/of bewaard (artikel 2:10 lid 1 BW) en/of te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat het aan hem, verdachte, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V. - terwijl voornoemde besloten vennootschap bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle-Lelystad van 26 oktober 2010 in staat van faillissement was verklaard - en/of aan (een) ander(
  18. en)te wijten was dat in of omstreeks de periode van 21 mei 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  19. n)Almelo en/of Hengelo en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, aan de in artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting niet was voldaan en/of dat de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, waarmee volgens die artikelen administratie gevoerd was, en/of de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat werden tevoorschijn gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar geen, althans onvoldoende maatregelen genomen om de administratie van voornoemde rechtspersoon te voeren en/of te bewaren (art. 2:10 lid 1 BW) en/of op vordering(
  20. en)en/of verzoek(
  21. en)van de curator [curator 3] te voorschijn te brengen; art 342 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht 4. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 mei 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  22. n)Almelo en/of Enschede en/of Hengelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V., welke besloten vennootschap op 26 oktober 2010 door de rechtbank te Zwolle-Lelystad in staat van faillissement was verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(
  23. s)van die besloten vennootschap lasten heeft/hebben verdicht en/of baten niet heeft/hebben verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft/hebben onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  24. s)toen aldaar (telkens) - een geldbedrag van 53.711,- euro, althans 24.000,- euro en/of - een geldbedrag van 25.000,- euro, althans 24.881,- euro, althans (telkens) geldbedrag(
  25. en)en/of - de voorra(a)d(
  26. en)aan de boedel onttrokken; (zie aangifte curator en informatie [bedrijf 4] B.V. en informatie van [notariskantoor] ) art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 5. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 20 maart 2011 in de gemeente 's-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  27. en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 5] B.V. te 's-Gravenhage en/of [aangever 2] en/of [getuige 7] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [aangever 3] en/of [naam 4] en/of [getuige 5] en/of één of meer (andere) medewerkers/werknemers van voornoemde B.V. heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen van in totaal 73.293,62 euro, althans (telkens) geldbedragen en/of één of meer bankpassen, in elk geval (telkens) van enig geld/goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  28. s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid medegedeeld en/of voorgesteld -dat [verdachte] bij een investeringsbedrijf zat en/of -dat die investeringsmaatschappij [investeringsmaatschappij] heette en/of -dat [verdachte] en [naam 17] investeerders van [investeringsmaatschappij] waren en/of -dat [verdachte] lid was van [investeringsmaatschappij] , die gevormd was door een aantal mannen die veel geld hadden en geld in kleine en grote projecten investeerden en/of -dat alles wat [verdachte] aanraakte een succes werd en/of -dat [naam 16] ook in die investeringsmaatschappij zou zitten en/of -dat [verdachte] nog een compensabel verlies had te besteden dat hij kon investeren in een andere zaak en/of -dat [verdachte] dit liever in de zaak van [aangever 2] wilde stoppen, want anders moest hij het aan de belastingdienst betalen en/of -dat [verdachte] gewend was met miljoenenbedrijven om te gaan en dat [aangever 2] maar een klein winkeltje was en/of -dat [verdachte] zelf het geld zal ophalen bij de winkels en/of -dat het geld bij afwezigheid van [verdachte] door [medeverdachte] zou worden opgehaald en/of -dat [verdachte] inzicht in het bankgebeuren wilde hebben en/of -dat [verdachte] en/of [medeverdachte] door het ophalen van het geld wilden controleren of de inkomsten wel klopten met de boekhouding en/of -dat het geld dan zou worden afgestort bij de bank en/of -dat [verdachte] toestemming had om het geld op te halen en/of -dat [verdachte] in Arnhem een restaurant en een scheepswerf uit de ellende had gered en/of -dat [verdachte] een soort investeringsmaatschappij had en/of -dat hij met een aantal vrienden genoeg geld bij elkaar kon brengen, -dat [verdachte] en [medeverdachte] dit (te weten: bedrijven en/of mensen die in financiële problemen verkeren helpen en/of bedrijven overnemen) al twintig jaar samen deden en dat het meestal goed ging en/of -dat [verdachte] en [medeverdachte] de eerste drie maanden (in het bedrijf) niets wilden veranderen en/of - [medeverdachte] en [verdachte] elkaar al twintig jaar kennen dat dat [medeverdachte] kosteloos [verdachte] hielp bij dit soort dingen en/of -dat [verdachte] erg goed was in dit soort dingen, waardoor [bedrijf 5] B.V. te 's-Gravenhage en/of [aangever 2] en/of [getuige 7] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [aangever 3] en/of [naam 4] en/of [getuige 5] en/of één of meer (andere) medewerkers/werknemers van voornoemde B.V. (telkens) werd(
  29. en)bewogen tot bovenomschreven afgifte; althans dat hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 20 maart 2011 in de gemeente 's-Gravenhage en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer geldbedragen van in totaal 73.293,62 euro, althans (telkens) geldbedragen, in elk geval (telkens) van enig geld/goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
  30. n)aan [bedrijf 5] B.V. en/of aan [aangever 2] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  31. s)en welk(
  32. e)geld/goed verdachte en/of zijn mededader(
  33. s)(telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn/hun beroep, te weten als degene(
  34. n)die de financiële problemen van voornoemde B.V. wilde(
  35. n)oplossen en/of als degene(
  36. n)die de bedrijfsvoering van voornoemde B.V. had(den) overgenomen, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend; art. 321/322 Wetboek van Strafrecht art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht 6. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks 1 december 2008 tot en met 22 juni 2009 in de gemeente Enschede en/of te Groenlo, gemeente Oost Gelre en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  37. en)wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] en/of [bedrijf 6] B.V. te Groenlo en/of [getuige 10] , heeft/hebben bewogen tot de afgifte van 66.000 euro, in elk geval van enig geld/goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  38. s)toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid medegedeeld en/of voorgesteld -aan die [benadeelde] dat hij, verdachte, de financiële problemen van haar B.V. kon oplossen en/of -aan die [benadeelde] dat hij, verdachte, ervaring had met het reorganiseren en/of saneren van B.V.'s en/of -aan die [benadeelde] dat zij moest doen wat hij, verdachte, zei en aan hem, verdachte, de boekhouding en de bankpassen moest overhandigen en/of -aan die [benadeelde] dat hij, verdachte, alles kon gladstrijken als [benadeelde] aan hem, verdachte, 20.000 euro betaalde en/of -aan die [benadeelde] om als voorschot voor zijn, verdachtes, salarisbetaling een auto van [benadeelde] op naam te laten zetten van [naam 11] en/of -de autopapieren aan [naam 11] af te geven en/of -aan die [benadeelde] dat hij, verdachte, in het verleden bedrijven had gesaneerd en weer gezond had gemaakt en/of -aan die [benadeelde] dat wanneer klanten betaalden, [benadeelde] dit geld in een envelop moest doen en vervolgens aan hem, verdachte, moest overhandigen, waardoor die [benadeelde] en/of voornoemde B.V. (telkens) werd(
  39. en)bewogen tot bovenomschreven afgifte; althans, dat hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 22 juni 2009 in de gemeente Enschede en/of te Groenlo, gemeente Oost Gelre en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk 66.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig geld/goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of aan [bedrijf 6] B.V. te Groenlo en/of [getuige 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  40. s)en welk(
  41. e)geld/goed verdachte en/of zijn mededader(
  42. s)(telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of zijn/hun beroep en/of tegen geldelijke vergoeding, te weten als degene(
  43. n)die de financiële problemen van voornoemde B.V. wilde(
  44. n)oplossen en/of als degene(
  45. n)die de bedrijfsvoering van voornoemde B.V. had(den) overgenomen en/of als degene(
  46. n)die aan wie de bankpas(sen) van voornoemde B.V. was/waren overhandigd, in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend; art 321/322 Wetboek van Strafrecht art 326 Wetboek van Strafrecht 7. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 april 2012 in de gemeente(
  47. n)Almelo en/of Enschede en/of Hengelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., welke besloten vennootschap op 7 april 2010 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(
  48. s)van die besloten vennootschap lasten heeft/hebben verdicht en/of baten niet heeft/hebben verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft/hebben onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  49. s)toen aldaar een geldbedrag van 35.000,- euro, althans 14.000,- euro, althans een geldbedrag, aan de boedel onttrokken; art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 3De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden en dat de civiele vordering die is ingediend door de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 49.640,64 wordt toegewezen met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk te verklaren. 4De voorvragen De raadsvrouwe heeft ten aanzien van de feiten sub 1, sub 2 en sub 3 gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard nu de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten zoals die zijn gesteld in artikel 261 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsvrouwe heeft daartoe aangevoerd dat bij de feitelijke omschrijving van het delict wordt volstaan met het aanhalen van delictsomschrijving zoals deze staat verwoord in het Wetboek van Strafrecht (Sr) en dat uit deze omschrijving op geen enkele manier duidelijk wordt op welke concrete feiten c.q. omstandigheden het openbaar ministerie doelt. Ook de onderliggende dossierstukken geven volgens de raadsvrouwe geen uitsluitsel. Door deze omstandigheden kan de verdediging zich niet op behoorlijke wijze verdedigen tegen de feiten sub 1, sub 2 en sub 3. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de dagvaarding voldoende feitelijk is en dat het verdachte in samenhang met het strafdossier voldoende duidelijk kon zijn wat hem wordt verweten. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog gehouden worden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk. Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedraging hem worden verweten. Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoording van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het dossier en het geheel van de tenlastegelegde strafbare feiten verdachte in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen. Naar het oordeel van rechtbank behelst de tenlastelegging een voldoende duidelijke opgave van de feiten en is de tekst van de tenlastelegging, mede gelet op de inhoud van het strafdossier, voldoende duidelijk en begrijpelijk, feitelijk en niet innerlijk tegenstrijdig. Daarmee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 261 Sv, te meer nu aan de verwijzing naar de wetsartikelen van het Burgerlijk Wetboek tevens een feitelijk betekenis moet worden toegekend. Het nietigheidsverweer wordt derhalve verworpen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 5De beoordeling van het bewijs Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. 5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie heeft op basis van het onderliggende strafdossier en de zich daarin bevindende stukken geconcludeerd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De raadsvrouwe heeft betoogd dat verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, waarbij zij per feit heeft aangegeven waarom zij denkt dat dit het geval is. 5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de in feit 4 genoemde voorraden van [bedrijf 3] BV aan de boedel van die BV heeft onttrokken, zodat zij hem van dit gedeelte van feit 4 zal vrijspreken. De rechtbank heeft voor dit verwijt onvoldoende bewijs in het dossier aangetroffen. De rechtbank acht verder ook niet bewezen wat aan de verdachte sub 6 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Met name is niet bewezen dat verdachte door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] en/of [bedrijf 6] B.V. te Groenlo en/of [getuige 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed. bewezenverklaring De rechtbank is van oordeel dat verdachte de feiten sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 heeft begaan, waarbij ze hieronder zal aangegeven waarop dat oordeel berust. Daarbij zal per feit worden ingegaan op de verweren die zijn opgeworpen door de verdediging. Feit 1 Ten aanzien van feit 1 primair overweegt de rechtbank dat verdachte blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel vanaf 6 april 2009 enig aandeelhouder en bestuurder (directeur) is geweest van [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). Uit het vonnis van de rechtbank Almelo van 21 oktober 2009 blijkt voorts dat [bedrijf 1] in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. ing. [curator 1] tot curator. Curator [curator 1] heeft aangifte gedaan van het feit dat verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften. Daardoor heeft de curator niet kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement waren en, meer in het algemeen, de rechten en verplichtingen van [bedrijf 1] niet kunnen vaststellen, zodat rechten van de schuldeisers kunnen zijn/worden verkort. Volgens de curator heeft verdachte de administratie en jaarstukken van [bedrijf 1] niet compleet aangeleverd, terwijl hier wel om is verzocht. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2012, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , blijkt dat de kasoverzichten niet overeenstemmen met het kasboek van [bedrijf 1] . Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen n.a.v. onderzoek in administratie van [bedrijf 1] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 2 mei 2012, dat uit de onderzochte administratie kan worden vastgesteld dat: - de verantwoorde dagomzet op de opbrengstformulieren van de winkels regelmatig niet klopt met de daadwerkelijke storting in het kasboek; - het kasboek regelmatig negatief loopt; - de inkomsten over de maand september 2009 in de boekhouding niet verantwoord zijn. Deze bevindingen komen in grote lijnen overeen met de bevindingen van de Belastingdienst, blijkens een opgemaakte controlerapport inzake [bedrijf 1] d.d. 2 november 2011, waarin wordt geconstateerd dat: - er op diverse data te weinig omzet is geboekt; - er op diverse data sprake is van een negatief kassaldo; - dat het saldo aan het einde van de dag niet klopt met het saldo van de volgende dag; - de werkelijke ontvangsten en geboekte ontvangsten regelmatig afwijken. Hierdoor kan de gevoerde kasadministratie volgens de Belastingdienst niet juist zijn en is de conclusie dat de ook de kasadministratie vanaf 9 april 2009 geen betrouwbare basis is voor een winstberekening. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus als bestuurder van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie en tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften. Feiten 2 en 7 Ten aanzien van feit 2 primair en feit 7 overweegt de rechtbank dat verdachte blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel vanaf 1 januari 2010 bestuurder is geweest van [bedrijf 2] BV (en vanaf 27 januari 2010 ook enig aandeelhouder). Uit het vonnis van de rechtbank Almelo gedateerd 7 april 2010 blijkt voorts dat [bedrijf 2] BV in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. [curator 2] tot curator. Curator [curator 2] heeft op 24 februari 2011 aangifte heeft gedaan van bedrieglijke bankbreuk, waarbij hij heeft aangegeven dat tot de datum van het faillissement een schuld van € 180.000,00 was opgebouwd. Volgens een inzage in de boekhouding van [bedrijf 2] BV werd er veel geld gepind en het kasgeld werd niet meer afgestort. Voor een bedrag van € 15.345,00 was geen onderbouwing. Er zou een bedrag van € 35.000,00 zijn onttrokken aan de boedel en er is van de failliet € 20.000,00 geleend, aldus curator [curator 2] in zijn aangifte. De raadsvrouwe heeft in haar pleitnotie gesteld dat voornoemde curator volledig op de hoogte was van de financiële situatie van [bedrijf 2] BV en dat hij op 5 november 2009 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met verdachte. Deze overeenkomst hield in dat finale kwijting zou worden verleend tegen betaling van een bedrag van € 14.000,--. Als verdachte die afspraak niet na zou komen dan zou de curator aangifte van bedrieglijke bankbreuk doen. De raadsvrouwe heeft daarnaast gesteld dat de curator bij zijn verhoor door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken zijn verbazing heeft geuit over het verwijt dat er stukken in de administratie zouden ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging wordt weerlegd door de bevindingen van belastingambtenaar [belastingambtenaar] tijdens diens boekenonderzoek bij [bedrijf 2] BV. Uit het controlerapport van [belastingambtenaar] d.d. 2 december 2010 blijkt dat de administratie vanaf 1 januari 2010 ontbreekt. Dat [belastingambtenaar] in een later stadium een deel van deze administratie (bankstukken, kasadministratie, grootboekoverzichten en kasstukken) van de curator ter inzage heeft gekregen, nadat de heer [verdachte] deze alsnog had verstrekt, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog steeds dat niet een administratie is gevoerd zoals in de wet omschreven. Bovendien ontbreken de voorraad- en loonadministratie over de periode 1 juli 2009 tot 7 april 2010. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van belastingambtenaar [belastingambtenaar] dat de door verdachte in ontvangst genomen kasgelden niet geheel met overgelegde stukken overeenkomen. Uit het onderzoek van [belastingambtenaar] komt naar voren dat in de periode na 1 juli 2009 [bedrijf 2] BV steeds één of meerdere schoenenwinkels heeft geëxploiteerd. Door het personeel werden kasstaten opgemaakt met daarop gespecificeerd het kasgeld aan het einde van elke dag. Deze kasstaten werden door het betreffende personeelslid ondertekend en het saldo van de kas, verminderd met ca. € 100,-- wisselgeld, gaf men in een enveloppe aan de directie. Dagelijks werd de kassa uitdraai, met daarop de verkoop per pin en per kas, bij de kasstaat gevoegd. Aangezien een voorraadadministratie ontbreekt, is het voor de Belastingdienst moeilijk om de volledigheid van de omzet te beoordelen. Men was bij de start van de winkel in [geboorteplaats 1] wel voornemens een goede voorraadadministratie bij te houden door het scannen van de schoenen na inkoop en verkoop, maar [belastingambtenaar] heeft geen stukken in de administratie aangetroffen waaruit blijkt dat deze voorraadadministratie inderdaad werd gevoerd. Op verzoek van verdachte heeft boekhouder [boekhouder 1] achteraf een kasboek opgemaakt aan de hand van de aanwezige stukken (kasstaten, facturen en bonnetjes). Uit deze kasadministratie blijkt een batig kassaldo op 1 februari 2010 van € 4.790,45 en per 3 april 2010 van € 10.297,89. Op 7 februari 2010 heeft verdachte € 5.000,-- per kas opgenomen. Volgens [belastingambtenaar] heeft verdachte in het zicht van het faillissement zoveel mogelijk geld aan de vennootschap onttrokken. De pinomzet werd via de bankrekening van [bedrijf 2] BV overgeboekt naar privérekeningen van verdachte (in totaal € 20.890,= in het eerste kwartaal van 2010) en heeft verdachte het kasgeld van de winkels van de maanden februari en maart (totaal ca. € 10.000) in zijn eigen zak gestoken. In deze maanden werd door [bedrijf 2] BV geen kasgeld afgestort en dus zou er op basis van de administratie begin april 2010 ruim € 10.000,-- in kas moeten zijn, maar dit is niet aangetroffen. Voorts heeft boekhouder [boekhouder 1] als getuige bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, verklaard dat hij wist dat verdachte in het begin geld in [bedrijf 2] BV heeft gestort en dat hij dat er vóór het faillissement weer uit heeft willen halen. De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij in de periode van januari 2009 tot half april 2010 werkzaam is geweest bij het bedrijf [bedrijf 2] BV. Nadat verdachte in de zaak was gestapt, werden de crediteuren niet meer betaald. De verkoopsters moesten het kasgeld persoonlijk aan verdachte afgeven en/of aan [naam 11] en ze kregen dan vooraf een belletje van [verdachte] dat [naam 11] eraan kwam. De getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij vanaf eind 2009 tot mei 2010 werkzaam was bij [bedrijf 2] te [geboorteplaats 1] . Toen verdachte de werkzaamheden overnam ging het snel bergafwaarts met het bedrijf. De contante winst werd in een envelop gedaan en de winst werd vervolgens vaak naar verdachte gebracht of werd opgehaald door [naam 11] . De getuige [getuige 3] bij de politie heeft verklaard dat zij in december 2009 is begonnen bij [bedrijf 2] BV. Er zat standaard € 300,-- in de kas. ‘s Avonds maakte zij de kas op. Dit bedrag moest zij door sms’en naar verdachte. Van de totale opbrengst werd weer € 300,-- afgehaald. De rest van de contanten ging in een enveloppe. Dat geld bracht zij naar de woning van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus als bestuurder van [bedrijf 2] BV niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie en tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften (feit 2). Daarnaast heeft verdachte in het zicht van het faillissement een geldbedrag aan de BV onttrokken (feit 7). Feiten 3 en 4 Ten aanzien van de feiten sub 3 en sub 4 heeft de raadsvrouwe bepleit dat verdachte niet als bestuurder van [bedrijf 3] BV (hierna: [bedrijf 3] BV) kan worden aangemerkt, maar dat de [stichting] vanaf 21 mei 2010 bestuurder van [bedrijf 3] BV is geweest. De rechtbank is met de raadsvrouwe van oordeel dat de [stichting] vanaf 21 mei 2010 formeel bestuurder van [bedrijf 3] BV is geweest. Dit blijkt ook uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De rechtbank stelt vast dat verdachte in de periode 21 mei 2010 tot en met 30 september 2010 formeel bestuurder was van de [stichting] en aldus in die periode middellijk bestuurder was van [bedrijf 3] en formeel zeggenschap binnen die vennootschap had. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte vanaf 21 mei 2010 tot aan het faillissement op 26 oktober 2010 (tevens) feitelijk als bestuurder moet worden aangemerkt. Immers, verdachte had de beschikking over de bankpassen van het bedrijf en de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 3] BV zijn feitelijk beëindigd op 17 augustus 2010 (de dag van de beslaglegging op de inventaris door de ING). De na 30 september 2010 benoemde “bestuurders” van de [stichting] hebben geen enkele feitelijke bestuurshandeling verricht. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1974 (NJ 1975, 229) kunnen als bestuurders van vennootschappen ook worden aangemerkt degenen die zich zodanig hebben gedragen dat zij feitelijk in de hoedanigheid van bestuurder zijn opgetreden. In casu verklaren werknemers van restaurant [restaurant 1] (de handelsnaam van [bedrijf 3] BV) ten aanzien van de voorraden en het ophalen van de kasgelden dat verdachte onder andere de contante ontvangsten ophaalde en dat verdachte de bestellingen deed en dat hij veel meer bestelde dan nodig was, met name fusten bier en vlees. De rechtbank verwijst hierbij naar de verklaringen van de werknemers [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] en [naam 15] . De voormalige eigenaar van het restaurant, getuige [getuige 4] , heeft verder verklaard dat hij de bankpasjes, pincodes en sleutels van het restaurant aan verdachte heeft gegeven. Voorts heeft de aangever [aangever 1] , vertegenwoordiger bij de firma [bedrijf 4] , verklaard dat hij benaderd is om verdachte te bellen. [aangever 1] verklaart dat hij verdachte heeft gebeld en een afspraak met hem heeft gemaakt om voor het [restaurant 1] te Heino een contract af te sluiten. Dat is ook gebeurd. Verdachte had volgens zijn zeggen een notaris die altijd alles voor hem geregelde. Bij deze notaris is de overeenkomst ook getekend door verdachte. Nadat de stukken waren overgelegd is door [bedrijf 4] goedkeuring gegeven voor een lening van € 25.000,-- aan [restaurant 1] voor een periode van 5 jaar. Aangever heeft met verdachte het contract doorgenomen. Verdachte tekende daarna dit contract. De rechtbank is van oordeel dat gelet op voornoemd handelen verdachte feitelijk als bestuurder van [bedrijf 3] kan worden aangemerkt en verstaat, in samenhang bezien met het dossier, dat, daar waar in de tenlastelegging het woord “bestuurder” is gebezigd, dit tevens een feitelijke betekenis heeft, in die zin dat daaronder tevens de middelijk en feitelijk bestuurder is begrepen. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen. De raadsvrouwe heeft ook bepleit dat het geldbedrag ad € 25.000,--, afkomstig van de firma [bedrijf 4] , rechtmatig is gestort op de rekening [stichting] nu deze als contracterende partij in de overeenkomst staat genoemd. Het geldbedrag is naar de mening van de raadsvrouw dan niet aan de boedel onttrokken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit artikel 1 van het contract blijkt dat [bedrijf 4] de contractpartner ( [bedrijf 3] BV/ [stichting] ) voor de horecagelegenheid [restaurant 1] , [adres 2] Heino een krediet ad € 25.000,00 ter beschikking stelt. Als gevolg van deze bepaling behoort de € 25.000,-- na uitbetaling tot de boedel van [bedrijf 3] BV. Uit het dossier blijkt dat de € 25.000,-- op verzoek van verdachte is overgemaakt op de bankrekening van [stichting] en vervolgens in een tijdsbestek van één week contant is opgenomen. De € 25.000,-is niet in de boedel van [bedrijf 3] BV terecht gekomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. De rechtbank stelt verder vast dat uit het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 26 oktober 2010 blijkt dat [bedrijf 3] BV in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. drs. [curator 3] tot curator. Curator [curator 3] heeft op 29 november 2011 aangifte heeft gedaan tegen verdachte. In de aangifte verklaart de curator dat verdachte via de bank heeft een bedrag van € 16.869,-- heeft ontvangen. Bovendien was er een kasverschil van € 36.842,--. Opgeteld gaat het dus om een bedrag van € 53.711,--. Bij de rechter-commissaris belast met de benadeling van strafzaken heeft de curator verklaard dat toen hij betrokken werd bij het faillissement van “ [bedrijf 3] BV” er geen echte administratie was. Hij is zelf aan de slag gegaan om een administratie aan te leggen. Op basis van de stukken die hij had, heeft hij kunnen vaststellen dat er 36.000 euro uit de kas was opgenomen door verdachte. Dat was een bedrag wat in de kas zou moeten zitten op basis van de kasbonnen, maar het ontbrak. De curator is uitgegaan van het saldo zoals de vorige boekhouder, [boekhouder 2] , dat half mei 2010 had becijferd. Op basis van alle bonnen zou er dan 36.000 euro meer in kas moeten zitten dan dat erin zat. De curator geeft voorts aan dat hij geen inzage in het voorraadbeheer heeft gehad. De raadsvrouw heeft gesteld dat het kasverschil van € 36.000,-- mede werd veroorzaakt door de nog aan verdachte toekomende managementfee. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt. Verdachte heeft geen overeenkomst kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij recht heeft op € 36.000,= aan loon. De curator heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken daarbij ook aangegeven dat de heer [boekhouder 3] , zijnde de boekhouder van verdachte, op grond van dezelfde stukken die de curator tot beschikking had tot de conclusie kwam dat er een kasverschil van € 36.000,-- was. De boekhouder heeft dit later opgevoerd als managementfee voor verdachte. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte recht had op voornoemd bedrag op grond van een overeenkomst en verdachte ook niet duidelijk heeft kunnen maken op welke andere grond hij recht had op voornoemd bedrag, is de rechtbank van oordeel dat hij dit bedrag heeft onttrokken aan de boedel. Met betrekking tot de onttrekking van de € 25.000,-- overweegt de rechtbank als volgt. Uit de aangifte van [aangever 1] blijkt dat de firma [bedrijf 4] € 25.000,-- heeft geleend aan [restaurant 1] . [aangever 1] kreeg te horen dat de ING beslag had gelegd op de volledige inventaris van [restaurant 1] . Hij had toen wel in de gaten dat zij waren belazerd. Daarover is een gesprek geweest met [medeverdachte] , als vertegenwoordiger van verdachte. Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte] verteld dat ze bezig waren om een nieuw restaurant in Zenderen op te starten en dat ze dezelfde formule zouden gaan toepassen als in Heino. Dit restaurant zou 1 oktober 2010 open gaan. Zij zouden dan met [bedrijf 4] een betalingsregeling treffen voor de € 25.000,--. [medeverdachte] zegde toe dat er op de 15e van elke maand een betaling zou plaatsvinden, te beginnen op 15 september 2010. Na de 15e september 2010 heeft [bedrijf 4] geen geld ontvangen en waren [medeverdachte] en verdachte niet meer bereikbaar, aldus [aangever 1] . Van het bedrag ad € 25.000,-- is op 13 augustus 2010 € 24.811,-- op de rekening van de [stichting] gestort (van welke rechtspersoon verdachte op dat moment enig bestuurder was). Dit bedrag is daarna verdwenen. Verdachte wist dat het bedrag aan [bedrijf 3] BV toebehoorde en hij heeft dit aldus aan de boedel onttrokken. Hij heeft hierover geen verantwoording afgelegd bij de curator. Mede hieruit leidt de rechtbank af dat deze onttrekking ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers is geschied. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus als feitelijk bestuurder van [bedrijf 3] BV niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie en tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften (feit 3). Daarnaast heeft verdachte in het zicht van het faillissement een geldbedragen van € 53.711,-- en € 24.811,-- aan de BV onttrokken (feit 4). Feit 5 [aangever 2] heeft op 20 maart 2011 aangifte gedaan van oplichting door verdachte en [aangever 2] is daarover door de politie nader gehoord op 30 en 31 mei 2011. Aangever heeft verklaard dat hij aangifte doet van oplichting namens [bedrijf 5] BV (eigenaar van een [bedrijf 5] en drie winkels). Hij was op zoek naar een onafhankelijk specialist om zijn bedrijf door te lichten, want vanaf 2010 ging het volgens [aangever 2] boekhoudkundig volledig mis. Het bedrijf is in contact gekomen met [bedrijf 7] en op 24 december 2010 heeft aangever samen met zijn ex-vrouw [getuige 8] een gesprek gehad met [boekhouder 3] . Daarbij is aan [boekhouder 3] inzicht gegeven in de financiële situatie van het bedrijf, waarna de mondelinge afspraak is gemaakt dat in afwachting van nadere plannen op “no cure no pay” basis onderzoek gedaan zou worden. [aangever 2] is op 16 februari 2011 via [boekhouder 3] in contact gekomen met verdachte en op 17 februari 2011 ook met de medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte vertelde tegen [aangever 2] dat hij bij een investeringsmaatschappij zat. Hij had nog een compensabel verlies te besteden. Dat betekende volgens verdachte dat je nog geld aan de belastingdienst moet betalen, maar dat je dat geld ook kan investeren in een andere zaak. Als het geld in een verliesgevende zaak zou worden geïnvesteerd en dan hoefde daarover volgens verdachte geen belasting te worden betaald. Verdachte zei dat hij het geld liever stopte in aangevers zaak dan dat hij het zou moeten afdragen aan de belasting. De investeringsmaatschappij zou volgens verdachte [investeringsmaatschappij] heten. Hij vertelde ook dat [naam 16] erin zat. Verdachte zou het bedrijf incluis alle schulden op zich nemen en [aangever 2] zou in loondienst komen. Verdachte, of medeverdachte [medeverdachte] , zou het kasgeld ophalen bij de winkels en hij en [medeverdachte] zouden het geld van chauffeurs ook incasseren. Vanaf 18 februari 2011 zijn verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] begonnen met het ophalen van het kasgeld. Aangever heeft ook de bankpas en pinpas codes van ABN- en ING-rekening afgegeven aan verdachte. Half maart 2011 is aangever argwanend geworden richting verdachte en heeft toen de samenwerking beëindigd. Volgens aangever hebben verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] in totaal circa € 70.000,-- meegenomen en niet afgestort. De partner van aangever [aangever 2] , getuige [getuige 5] , heeft tegen de politie verklaard dat er een gesprek is geweest met verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waarbij ook [getuige 6] aanwezig is geweest en dat [getuige 6] van dit gesprek een verslag heeft gemaakt. Verdachte deed voorkomen dat hij een hoop geld had en dit liever investeerde in dit soort dingen dan het geld aan de belastingdienst over te dragen. Verdachte wilde eerst inventariseren, dan reorganiseren en dan investeren. Alles natuurlijk in overleg met [getuige 5] en [aangever 2] . Verdachte vertelde dat hij lid was van [investeringsmaatschappij] . Hij zei dat deze bank gevormd was door een aantal mannen die veel geld hadden en geld in kleine of grote projecten investeerden. Hij vond dit leuk en deed dit als hobby. Hij vertelde dat hij normaal niet veel deed met kleine bedrijven, alleen maar grote bedrijven, maar omdat dit zo'n leuk bedrijfje was en hij [aangever 2] wel mocht vond hij het wel een goed doel om in te investeren. In de daarop volgende dagen kwamen verdachte en [medeverdachte] het verzamelde kasgeld ophalen. Na één week werd [aangever 2] gebeld door de bank dat er geen geld binnen kwam. Verdachte zei dat hij het allemaal zou regelen en later hoorde ze van [medeverdachte] dat alles weer was geregeld met de bank. Bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken heeft de getuige [getuige 5] verklaard dat [medeverdachte] vertelde dat [verdachte] goed was met dit soort zaken en dat hij alles zou doen om te helpen. Hij wekte vertrouwen. [medeverdachte] zou de marketing oppakken. Verdachte zei dat alles wat hij aanraakte in goud veranderde. [medeverdachte] bevestigde dat dan. Hij zei: “Het is zo. Ik ken hem al jaren. Hij heeft het beste met jullie voor”. [getuige 5] heeft ook verklaard dat als zij dacht dat er iets niet klopte met verdachte, [medeverdachte] haar vertrouwen weer wist te winnen. Als [medeverdachte] er niet geweest was had de getuige al na drie dagen op [verdachte] “gegoogeld” en was zij er veel eerder achter gekomen dat het niet goed zat. De getuige [getuige 6] heeft tegenover de politie verklaard dat zij van de eigenaar [aangever 2] had gehoord dat verdachte hem wilde helpen. [aangever 2] had verteld dat verdachte had gezegd dat hij vaker ondernemers hielp. Verdachte zou investeren en de financiële verplichtingen die het bedrijf had overnemen. Zoals zij het begreep zou verdachte het bedrijf kopen en er geld voor betalen. Zij verklaart dat zij op 23 februari bij een tweede gesprek is geweest alwaar ook verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aanwezig waren. Tijdens het gesprek heeft zij naar de beweegredenen van verdachte gevraagd om de heer [aangever 2] te helpen. Verdachte vertelde nu meer mogelijkheden te hebben en dat hij die graag gebruikte om anderen te helpen, omdat hij zelf ook tegenslag had gekend. Verdachte en [medeverdachte] vertelden dat ze dit al twintig jaar samen deden en dat het meestal goed ging. Verdachte zei in het gesprek dat hij de zaak zou overnemen en de eigenaar van de BV zou worden. Na anderhalf jaar zou de heer [aangever 2] zelf weer eigenaar worden als de boel goed op de rit stond. Getuige [getuige 6] ging er vanuit dat verdachte een vermogend man was, immers je gaat zo'n gesprek toch alleen maar aan als je geld hebt om te investeren, aldus de getuige. Uit het gesprekverslag dat getuige [getuige 6] van deze bespreking heeft opgemaakt blijkt dat verdachte heeft verteld dat hij bij de meeste van dit soort gevallen anderhalf jaar nodig had om de boel weer op de rit te krijgen en dat hij daarna weer vertrok. In die periode zou hij zijn investering eruit krijgen, plus een percentage. De getuige, daarnaar gevraagd, meent zich te herinneren dat de verdachte het percentage van 30% noemde, dus zijn investering + 30% daarvan zou hij van de heer [aangever 2] ontvangen wanneer hij het weer terugkocht. De getuige heeft gevraagd of deze afspraken ook in de overeenkomst zouden worden opgenomen. Dit beaamde verdachte. Getuige [aangever 3] , werkzaam op het kantoor van de [bedrijf 5] , heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte zich voorstelde als de nieuwe eigenaar. Verdachte zou op zoek gaan naar nieuwe winkels om meer brood te kunnen verkopen. Hij ging de hele zaak gezond maken. Verdachte vertelde dat hij in Arnhem meer van dat soort zaken had gedaan. Iets met een restaurant en een scheepswerf had hij uit de ellende gered. Hij zou de zaak op de rails zetten en dan met winst doorverkopen. Hij had een soort investeringsmaatschappij, met een aantal vrienden konden ze zo genoeg geld bij elkaar brengen. Over die investeringsmaatschappij vertelde verdachte dat het een groepje vrienden betrof, waarvan steeds een ander het geld beschikbaar stelde. Nu zou iemand anders het geld erin pompen en hij zou het op de rails zetten. Verdachte nam iedere dag de opbrengst mee, althans [medeverdachte] deed dat voornamelijk. [aangever 3] kwam er later achter dat met de contante opbrengsten geen betalingen meer werden gedaan. Leveranciers werden niet meer betaald en de incasso’s waren stopgezet. Getuige [getuige 7] , eveneens werkzaam op het kantoor van de [bedrijf 5] , heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte vanaf het begin de dagopbrengsten meenam van de winkels en hetgeen contant door klanten bij aflevering werd betaald. [aangever 2] had geregeld dat de bank werd stopgezet, want alles werd overgenomen. Maar toen kwamen er aanmaningen, leveranciers belden op dat er niet betaald werd. [getuige 7] hoorde dan verdachte met hen praten. Hij hoorde dat verdachte vertelde dat hij de nieuwe eigenaar was en het had overgenomen en dat het even duurde voordat de bank alles in orde had.Van de leveranciers die daadwerkelijk dreigden niks meer te zullen leveren als er niet betaald zou worden, werd de rekening wél betaald. Er werd daarvoor cash geld achtergehouden in een bureaula. [medeverdachte] zei dan dat het geregeld was en dat het geld in de la lag. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, verklaard dat vanaf het moment dat de [bedrijf 5] werd overgenomen het geld dagelijks werd opgehaald, alleen nu door verdachte en niet door [aangever 3] . Dat hij zelf ook wel eens geld ophaalde en dan de sealbags inleverde bij verdachte op het kantoor in [adres 3] in Den Haag. Het klopt dat hij [verdachte] al 20 jaar kent. De getuige [boekhouder 3] heeft bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, verklaard dat hij verdachte vanaf de zomer van 2010 kent. Verdachte zou bij het bedrijf van zijn vrouw, [bedrijf 8] , in dienst komen. Daar is ook een contract van opgemaakt. In het eerste gesprek met [aangever 2] heeft verdachte zich voorgedaan als investeerder. Hij zei dat hij nog wel wat verliezen te verrekenen had. Op de vraag hoe zich dat verhoudt tot het feit dat verdachte persoonlijk failliet was geeft de getuige aan dat het kon niet kloppen dat de verdachte het verlies kon verrekenen omdat hij failliet was. De getuige geeft aan zijn mond daar daarover te hebben gehouden. Bij dit gesprek waren verdachte, [aangever 2] en de getuige [boekhouder 3] aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus, tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] , de [bedrijf 5] BV, [aangever 2] en [getuige 5] door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot het afgeven van geldbedragen en bankpassen. Feit 6 Ten aanzien van feit 6 subsidiair overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op grote schaal contante geldbedragen van de bank zijn opgenomen in de periode dat verdachte als enige de beschikking had over de bankpassen en dat verdachte aldus bedragen onder zich heeft gekregen die toebehoorden aan [bedrijf 6] B.V. Uit de rekeningoverzichten, opgenomen in het dossier, blijkt dat bij de SNS-bank in totaal € 30.060,- en bij de ING-bank in totaal € 48.820,- is opgenomen. Voorts maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen op dat verdachte als heer en meester over geldbedragen van die vennootschap heeft beschikt. Vervolgens is door verdachte met betrekking tot de besteding van die bedragen geen gedegen verantwoording afgelegd en ook achteraf is op basis van beschikbare gegevens vastgesteld dat niet het gehele bedrag is aangewend ten behoeve van de vennootschap. Een deel van de opgenomen bedragen is dus onverklaarbaar verdwenen. De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat verdachte een deel van het door hem opgenomen geld zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers Ten aanzien van de feiten sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4 en sub 7 merkt de rechtbank op dat de in art. 343 Sr gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste vereist is dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (vgl. HR 11 mei 2010, LJN BL7662). Daarnaast is iedere ondernemer wettelijk verplicht de administratie van zijn onderneming zeven jaren te bewaren. Het gaat dan in ieder geval om basisgegevens als: - het grootboek; - de debiteuren- en crediteurenadministratie; - de voorraadadministratie; - de in- en verkoopadministratie en - de loonadministratie (bij personeel). Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte geldbedragen, afkomstig van de in de tenlastelegging genoemde ondernemingen zoals vermeld in de feiten sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4 en sub 7, nadat deze al dan niet via tussenrekeningen in de privésfeer van verdachte waren gebracht, contant heeft opgenomen bij de bank of rechtstreeks uit de kas van die betreffende ondernemingen heeft genomen. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen een telkens terugkerend patroon, waarbij verdachte alle kasopbrengsten van de betreffende vennootschappen tot zich neemt en alle girale baten van die vennootschappen omzet in liquide middelen en vervolgens als heer en meester over die bedragen, die niet aan hem, maar aan die vennootschappen toebehoorden, gaat beschikken. De besteding van die bedragen zijn door verdachte niet met kwitanties of facturen in de respectievelijke administraties verantwoord. Mede gelet op de omstandigheid dat van alle uit het zicht van bedoelde vennootschappen geraakte bedragen geen enkel bedrag (terug) in de boedel is gebracht, acht de rechtbank onaannemelijk dat verdachte zulks alsnog van plan was te doen. Door deze handelswijze heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers doen ontstaan. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de BV’s, geldbedragen heeft ontrokken aan de boedel van die BV’s. 5.3 De conclusie De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 6 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij in de periode van 6 april 2009 tot en met 25 april 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., welke besloten vennootschap op 21 oktober 2009 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap, niet heeft voldaan aan de op hem, verdachte, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte geen administratie gevoerd en te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; 2. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 april 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., welke besloten vennootschap op 7 april 2010 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap, niet heeft voldaan aan de op hem, verdachte, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte geen administratie gevoerd en te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; 3. hij in de periode van 16 mei 2010 tot en met 25 april 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V., welke besloten vennootschap op 26 oktober 2010 door de rechtbank te Zwolle-Lelystad in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap, niet heeft voldaan aan de op hem, verdachte, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte geen administratie gevoerd en te voorschijn gebracht op zodanige wijze dat hieruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; 4. hij in de periode van 16 mei 2010 tot en met 25 april 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V., welke besloten vennootschap op 26 oktober 2010 door de rechtbank te Zwolle-Lelystad in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft verdachte toen aldaar - een geldbedrag van 53.711,- euro, en - een geldbedrag van 24.811,-- euro, aan de boedel onttrokken; 5. hij in de periode van 1 februari 2011 tot en met 20 maart 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 5] B.V. te 's-Gravenhage en [aangever 2] en [getuige 5] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen en bankpassen, hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid medegedeeld en/of voorgesteld: -dat [verdachte] bij een investeringsbedrijf zat en -dat die investeringsmaatschappij [investeringsmaatschappij] heette en -dat [verdachte] en [naam 17] investeerders van [investeringsmaatschappij] waren en -dat [verdachte] lid was van [investeringsmaatschappij] , die gevormd was door een aantal mannen die veel geld hadden en geld in kleine en grote projecten investeerden en -dat alles wat [verdachte] aanraakte een succes werd en -dat [naam 16] ook in die investeringsmaatschappij zou zitten en -dat [verdachte] nog een compensabel verlies had te besteden dat hij kon investeren in een andere zaak en -dat [verdachte] dit liever in de zaak van [aangever 2] wilde stoppen, want anders moest hij het aan de belastingdienst betalen en -dat [verdachte] gewend was met miljoenenbedrijven om te gaan en dat [aangever 2] maar een klein winkeltje was en -dat [verdachte] zelf het geld zal ophalen bij de winkels en -dat het geld bij afwezigheid van [verdachte] door [medeverdachte] zou worden opgehaald en -dat [verdachte] en/of [medeverdachte] door het ophalen van het geld wilden controleren of de inkomsten wel klopten met de boekhouding en -dat het geld dan zou worden afgestort bij de bank en -dat [verdachte] toestemming had om het geld op te halen en - [medeverdachte] en [verdachte] elkaar al twintig jaar kennen dat dat [medeverdachte] kosteloos [verdachte] hielp bij dit soort dingen en -dat [verdachte] erg goed was in dit soort dingen, waardoor [bedrijf 5] B.V. te 's-Gravenhage en [aangever 2] en [getuige 5] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte; 6. dat hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 22 juni 2009 in Nederland, opzettelijk enig geld, toebehorende aan [bedrijf 6] B.V. te Groenlo, welk geld verdachte als degene die de financiële problemen van voornoemde B.V. wilde oplossen en als degene die de bedrijfsvoering van voornoemde B.V. had overgenomen en als degene aan wie de bankpassen van voornoemde B.V. was/waren overhandigd, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 7. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 april 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., welke besloten vennootschap op 7 april 2010 door de rechtbank te Almelo in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft verdachte toen aldaar een geldbedrag aan de boedel onttrokken. De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 primiar, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 321, 326, 343 ahf sub 1 en 343 ahf sub 4 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair telkens het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, meermalen gepleegd; feit 4 en feit 7 het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd; feit 5 primair het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; feit 6 subsidiair het misdrijf: verduistering. 7De strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 8De op te leggen straf of maatregel 8.1 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking. Verdachte heeft ter zitting geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen. De rechtbank leidt echter uit het dossier af dat hij heeft geprobeerd de status die hij genoot bij zijn klanten, familie en verdere relaties met alle middelen, inclusief het plegen van stafbare feiten, in stand te houden. Hij heeft er daarbij een luxe en kostbare levensstijl op na gehouden. Door zijn handelwijze heeft verdachte er voor gezorgd dat een groot aantal bedrijven en personen in de financiële problemen zijn gekomen en de gevolgen daarvan nog lange tijd zullen blijven ondervinden. Op geen enkele wijze komt naar voren dat verdachte zich ook maar enigszins bekommerde om de belangen van de betrokken firma’s en het gevoel en de belangen van de personeelsleden die hij betrok in zijn handelen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Daarnaast is verdachte in het verleden meerdere malen terzake van gelijksoortige delicten als de onderhavige met justitie in aanraking geweest. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de maatschappelijke positie van verdachte die sterk is aangetast en op zijn huidige en toekomstige vermogen zal een enorme schuld worden verhaald. Gelet op de grote ernst van de feiten, de omvang van het nadeel, [aangever 3] periode waarin de feiten zijn gepleegd en de recidive van verdachte, zal de rechtbank niet meegaan in het advies van de reclassering, gedaan in haar rapport d.d. 13 november 2012 en herhaald door de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting, om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met: - de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; - de professionele opzet van het bewezenverklaarde; - de grove wijze waarop het noodzakelijk vertrouwen in het handelsverkeer in het algemeen door verdachte is geschaad; - het stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten; - het feit dat aan verdachte tweemaal voor soortgelijke feiten een straf is opgelegd. Met betrekking tot de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is op 22 december 2010 in staat van faillissement verklaard. Gesteld noch gebleken is dat het faillissement is beëindigd. Gedurende de looptijd van het faillissement staat het verdachte in regel niet vrij om ten laste van de boedel uitgaven te doen die de bijstandsnorm voor levensonderhoud te boven gaan. Derhalve heeft verdachte het vanwege zijn faillissement in beginsel niet zelf in de hand, om zolang het faillissement niet geëindigd is, enige in het kader van deze strafzaak opgelegde betalingsverplichting na te komen. Het is naar het oordeel van de rechtbank thans dan ook niet opportuun dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte wordt opgelegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het niet nakomen van de betalingsverplichting uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel bedreigd wordt met hechtenis (Hof Den Bosch 24 december 2008; LJN BG9498). 9De schade van benadeelden 9.1 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , wonende te [geboorteplaats 1] aan de Boekelosestraat 415, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 66.000,--. Verdachte was op het moment dat de benadeelde partij haar vordering in de onderhavige strafprocedure aanhangig heeft gemaakt reeds persoonlijk failliet. Benadeelde heeft haar vordering gebaseerd op een door verdachte gepleegde onrechtmatige daad. De feiten waarop de benadeelde haar vordering heeft gebaseerd, hebben plaatsgevonden vóór de datum waarop verdachte in staat van faillissement is verklaard. De verbintenis tot vergoeding van de schade die benadeelde ten gevolge van de door verdachte gepleegde onrechtmatige daad heeft geleden, is derhalve vóór de faillissementsdatum ontstaan, zodat die verbintenis deel van de faillissementsboedel uitmaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 26 Faillissementswet kan een vordering die de voldoening van een verbintenis uit de faillissementsboedel tot doel heeft, gedurende het faillissement uitsluitend door aanmelding ter verificatie worden ingesteld. De benadeelde partij dient zich met haar vordering tot de curator te wenden. Gelet op het vorenstaande moet de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard. 10De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 57 Sr. 11De beslissing De rechtbank: vrijspraak/bewezenverklaring verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 6 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; verklaart niet bewezen wat aan verdachte het sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair telkens het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, meermalen gepleegd; feit 4 en feit 7 het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd; feit 5 primair het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; feit 6 subsidiair het misdrijf: verduistering; - verklaart verdachte strafbaar voor het onder het sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4, sub 5 primair, sub 6 subsidiair en sub 7 bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden; bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; schadevergoeding - verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Bovenregionale recherche Noord- en Oost Nederland met nummer 04 BRF11009 (Berkel). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Feit 1 1. Een geschrift (AH017-001, pag. 30626), te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 08-09-2010, m.b.t. [bedrijf 1] BV, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: enig aandeelhouder naam [verdachte] geboortedatum- en plaats [geboortedatum 1] -1954, [geboorteplaats 1] enig aandeelhouder sedert 06-04-2009 bestuurder naam [verdachte] geboortedatum- en plaats [geboortedatum 1] -1954, [geboorteplaats 1] datum in functie 06-04-2009 titel directeur bevoegdheid alleen/zelfstandig bevoegd 2. Een geschrift (Aangiften A01 t/m A07, pag. 0100001 t/m 0100005), te weten een aangifte faillissementsfraude van [curator 1], curator in het faillissement van [bedrijf 1] BV, gericht tegen [verdachte] , d.d. 18 maart 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Deze aangifte richt zich tegen de (feitelijke) bestuurder(
  50. s)van [bedrijf 1] BV: naam : [verdachte] geboortedatum : [geboortedatum 1] 1954 Hierbij doe ik aangifte terzake van vermoedelijke overtreding van: artikel 342 Wetboek van Strafrecht eenvoudige bankbreuk door de bestuurder of commissaris van een gefailleerde rechtspersoon artikel 343 Wetboek van Strafrecht bedrieglijke bankbreuk door evengenoemde personen. Ik ben van oordeel dat de (feitelijke) bestuurders zich hebben schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk omdat zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van de coöperatie niet heb kunnen vaststellen, zodat rechten van de schuldeisers kunnen zijn/worden verkort. 3. Een proces-verbaal van verhoor van aangever [curator 1] d.d. 13 maart 2012, (Aangiften A01 t/m A07, pag. 0100032 en 0100033) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De administratie en jaarstukken zijn niet compleet aangeleverd door [verdachte] , terwijl hier wel om is verzocht. Een aantal stukken is ook niet in origineel aangeleverd, maar in kopie. 4. Een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 1º Sv, te weten een afschrift van een vonnis van de rechtbank Almelo gedateerd 21 oktober 2009 (pag. 1000026 en 1000027), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat [bedrijf 1] BV in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. ing. [curator 1] tot curator. 5. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 20 maart 2012, (AH023, pag. 30883 t/m 30886) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 15 februari 2012 is er een aanvullende aangifte opgenomen van curator [curator 1] in verband met aangifte faillissementsfraude. De curator in deze overhandigde verbalisanten de administratie welke de curator had ontvangen in verband met het faillissement van [bedrijf 1] B.V. Diverse stukken uit de administratie zijn voorzien van een coderingen. De curator overhandigde ons diverse mappen. De mappen zijn als volgt omschreven en gecodeerd: A01.02.01 Map met opschrift "Kas [bedrijf 1] BV 2009" A01.02.02 Map met opschift "Personeel diversen [bedrijf 1] BV 2009" A01.02.03 Map met opschrift " [bedrijf 1] Crediteuren 2009" A01.02.04 Ingebonden stuk met boekenonderzoek belastingdienst en stukken crediteuren A01.02.05 Ingebonden stuk met tabblad "Correspondentie". 6. Een proces-verbaal van bevindingen n.a.v. onderzoek in administratie [bedrijf 1] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 2 mei 2012 (AH049, pag. 31900 t/m 31910), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit de onderzochte administratie kan worden vastgesteld dat: - De verantwoorde dagomzet op de opbrengstformulieren van de winkels regelmatig niet klopt met de daadwerkelijke storting in het kasboek. - Het kasboek regelmatig negatief loopt. - De inkomsten over de maand september 2009 in de boekhouding niet verantwoord zijn. Feit 2 en Feit 7 7. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 19-10-2011, (AH017-009, pag. 2000024) m.b.t. [bedrijf 2] BV, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: enig aandeelhouder naam : [verdachte] geboortedatum- en plaats : [geboortedatum 1] -1954, [geboorteplaats 1] enig aandeelhouder sedert : 27-01-2010 bestuurder naam : [verdachte] geboortedatum- en plaats : [geboortedatum 1] -1954, [geboorteplaats 1] datum in functie : 01-01-2010 titel : directeur bevoegdheid : alleen/zelfstandig bevoegd 8. Een geschrift, te weten een aangifte faillissementsfraude van [curator 2], curator in het faillissement van [bedrijf 2] BV, gericht tegen [verdachte] , d.d. 18 maart 2010 (pag. A02.01, pag. 2000021 t/m 2000023), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Bij het vonnis van 7 april 2010 van de rechtbank te Almelo ben ik aangesteld tot curator in het faillissement van [bedrijf 2] BV, gevestigd [adres 4] te Enschede. Hierbij doe ik aangifte terzake van: artikel 343 Wetboek van Strafrecht: bedrieglijke bankbreuk: - hetzij lasten verdicht heeft, hetzij baten niet verantwoord heeft of onttrekt; - niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen genoemd. Verdachte 1: naam : [verdachte] voornaam : [verdachte] geboortedatum : [geboortedatum 1] 1954 Toelichting: Sinds 15 april 2009 was [dochter] , voornoemd bestuurder van de failliete onderneming [bedrijf 2] . Op 18 augustus 2009 werd zij tevens aandeelhoudster. Failliet had als bedrijfsomschrijving groot- en detailhandel in schoenen, kleding en modeaccessoires, alsmede aanverwante producten. Sinds januari 2010, het moment dat duidelijk werd dat de failliete onderneming [bedrijf 2] een hoge schuldenlast had, werd [verdachte] voornoemd, bestuurder en aandeelhouder van failliet. Er werd geen huur meer betaald. [verdachte] is de vader van [dochter] en wilde zijn dochter verlossen van de hoge schuld. Tot de datum van het faillissement, 7 april 2010, werd er een schuld van € 180.000,00 opgebouwd. Volgens een inzage in de boekhouding van failliet werd er veel geld gepind en het kasgeld werd niet meer afgestort. Voor een bedrag van € 15.345,00 was geen onderbouwing. Er zou een bedrag van € 35.000,00 zijn onttrokken aan de boedel en er is van failliet € 20.000,00 geleend. 9. Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, voor zover inhoudende de verklaring van de aangever [curator 2] d.d. 15 november 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb in de administratie geen onderbouwing aangetroffen van waar het kasgeld is gebleven. Ik heb [verdachte] daar naar gevraagd, maar hij wist niet meer precies wat hij eruit had gehaald en wat ermee gebeurd zou zijn, volgens zijn zeggen. Er waren geen jaarstukken beschikbaar, die heb ik ook later niet meer ontvangen. Een volledig overzicht van de bankafschriften ontbrak ook, maar ik heb die zelf opgevraagd bij de bank. [verdachte] deed ook aan internetbankieren. Omdat bij een faillissement alles wordt geblokkeerd had hij dat ook niet meer kunnen uitdraaien voor mij. Er is door de boekhouder een overzicht van de kasstromen opgesteld. Dat gebeurde op mijn verzoek aan [verdachte] . Daarvoor was er dus geen kasboek aanwezig. Met behulp van de Belastingdienst hebben wij uiteindelijk kunnen vaststellen wat er aan kasgelden niet was afgestort op de rekening en dus verdwenen was. Dit bleek dus niet zozeer uit de administratie, maar uit het speurwerk van de Belastingdienst. In het rapport zie ik het bedrag staan van 10.297,89 euro. Er werd geen kasboek bijgehouden. Op basis van de administratie was dus niet te zien hoeveel geld opgenomen was, maar de Belastingdienst kon op basis van deze gegevens wel uitzoeken hoeveel geld er was verdwenen. 10. Een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 1º Sv, te weten een afschrift van een vonnis van de rechtbank Almelo gedateerd 7 april 2010, (aangiften A01 t/m A07, pag. 0100057 en 0100058) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat [bedrijf 2] BV in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. [curator 2] tot curator. 11. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 27 maart 2012, (AH030, pag. 31090 t/m 31094) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik, verbalisant, werkzaam bij de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost Nederland van de Politieregio IJsselland verklaar het volgende. Op 14 februari 2012 overhandigde curator [curator 2] de administratie welke hij had ontvangen in verband met het faillissement van [bedrijf 2] BV. De curator overhandigde ons verschillende mappen. Onjuistheden in het kasboek In de verschillende mappen zitten overzichten van kasboeken per maand met daarachter de betreffende gegevens voor het opstellen van het kasboek van die maand. De kasboeken zijn vergeleken met de daarachter zittende administratie. Er komen verschillen voor in het verantwoorden van de bedragen van de contante omzet in het kasboek. Soms zijn dit minimale verschillen van een paar euro. Deze zijn te verwaarlozen en ook niet nader uitgezocht. Opmerkelijk is dat niet consequent het zelfde bedrag wordt ingevoerd in het kasboek. Dit blijkt uit het feit dat er verschillende varianten voorkomen van het verantwoorden van de bedragen in het kasboek: soms wordt de netto omzet verantwoord van de kassabon of het geld in de lade. Een andere keer wordt het bedrag van het handgeschreven briefje of het kassaoverzicht vermeld in het kasboek. En in een aantal gevallen wordt het wisselgeld vermeld in het kasboek als omzet. Er wordt soms alleen de omzet Debet vermeld en andere keren wordt de pinbetaling credit vermeld. Ook de kassaoverzichten zijn niet duidelijk en worden verschillend ingevuld. Uit de kassaoverzichten is niet duidelijk op te maken wat die dag aan bedrag wordt afgestort of af gestort zou moeten worden. Normaal gesproken zou vermeld moeten worden wat die betreffende dag de kasomzet is, wat het wisselgeld is van het begin van de dag en het eind van de dag. De volgende dag begin je dan met het wisselgeld waar je de vorige dag mee geëindigd bent. Uit de aangeleverde administratie is dit niet gebleken en wordt het ook niet zo vermeld. Er wordt de volgende dag begonnen met een ander bedrag aan wisselgeld dan wat vermeld staat op het kassaoverzicht van de vorige dag. Tevens blijkt dat er meerdere facturen/ kwitanties en dergelijke niet juist verantwoord worden in de kasboeken. 12. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 9 december 2011 (G02.01, pag. 0200060 t/m 020062), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In de periode van januari 2009 tot half april 2010 ben ik werkzaam geweest bij het bedrijf [bedrijf 2] BV gevestigd aan de [adres 4] te [geboorteplaats 1] . Ik was daar werkzaam als schoenenverkoopster en deed een stukje van de inkoop. In oktober/november 2009 ging het steeds moeilijker met het bedrijf. Op een bepaald moment raakte [dochter] zwanger en stapte uit de zaak. [verdachte] is toen in de zaak gestapt en toen begon het van kwaad tot erger. De crediteuren werden niet meer betaald. Wij, als verkoopsters moesten het kasgeld persoonlijk aan [verdachte] afgeven. Soms kwam [naam 11] de kasgelden ophalen en kregen we vooraf een belletje van [verdachte] dat [naam 11] eraan kwam. 13. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 7 maart 2012 (G08.01, pag. 0200119 t/m 0200123), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik ben ongeveer 2 jaar geleden begonnen bij [bedrijf 2] . Ik werkte in [geboorteplaats 1] in de [adres 4] . Ik ben eind 2009 begonnen met werken. Ik denk dat ik tot ongeveer mei bij [bedrijf 2] heb gewerkt. Ik denk dat [verdachte] na de werkzaamheden van [dochter] overnam toen ze ongeveer 2 maanden zwanger was. Het ging toen heel snel bergafwaarts met het bedrijf. Ik was verkoopmedewerkster in de winkel. 14. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 1 maart 2012 (G09.01, pag. 0200125 t/m 0200129), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In december 2009 ben ik begonnen bij [bedrijf 2] BV, eerst bij [bedrijf 9] in Almelo, later bij [bedrijf 10] in Enschede. Ik verkocht schoenen met aanverwante artikelen. Bij [bedrijf 9] ging het als volgt. ‘s Morgens de kas opmaken. Standaard zat er € 300,-- contant in de kas. Dit bleef altijd achter in de winkel. ‘s Avonds maakte ik de kas op. Het bedrag moest ik door sms’en naar [verdachte] . Van de totale opbrengst werd weer € 300,-- afgehaald. De rest van de contanten ging in een enveloppe. Ik bracht dit geld naar de woning van de [verdachte] . Ik moest dit in de buitenbrievenbus doen. Ik heb daar zelfs wel om gebeld omdat de bus al vol zat. Toen ik bij [bedrijf 10] werkte bleef het geld achter de winkel in een kast. Volgens mij kwam [naam 11] dit geld meestal elke dag ophalen. 15. Een rapport betreffende het ingestelde boekenonderzoek bij [bedrijf 2] BV, [adres 4] te [geboorteplaats 1] , opgemaakt door [belastingambtenaar] , controlemedewerker van de Belastingdienst Oost/kantoor Almelo d.d. 2 december 2010 (AH002.009, pag. 030169 t/m 3030174), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Tijdens het boekenonderzoek heb ik eerst vastgesteld dat de administratie vanaf 1 januari 2010 ontbreekt. Later heb ik van deze administratie een deel (bankstukken, kasadministratie. grootboekoverzichten en kasstukken) van de curator ter inzage gekregen, nadat de heer [verdachte] deze alsnog had verstrekt. Van de periode 1 juli 2009 tot 7 april 2010 ontbreken de voorraad- en loonadministratie. Kasadministratie/Omzetverantwoording In de periode na 1 juli 2009 exploiteerde [bedrijf 2] BV. steeds één of meerdere schoenenwinkels. Door het personeel werden kasstaten opgemaakt met daarop gespecificeerd het kasgeld aan het einde van elke dag. Deze kasstaten werden door het betreffende personeelslid ondertekend en het saldo van de kas, verminderd met ca. € 100 wisselgeld, gaf men in een enveloppe aan de directie. Dagelijks werd de kassa uitdraai, met daarop de verkoop per pin en per kas, bij de kasstaat gevoegd. Aangezien een voorraadadministratie ontbreekt is het moeilijk om de volledigheid van de omzet te beoordelen. [dochter] was bij de start van de winkel in Enschede wel voornemens een goede voorraadadministratie bij te houden door het scannen van de schoenen na inkoop en verkoop, maar ik heb geen stukken in de administratie aangetroffen waaruit blijkt dat deze voorraadadministratie inderdaad werd gevoerd. Gemachtigde heeft aan de hand van de aanwezige stukken (kasstaten, facturen en bonnetjes) achteraf een kasboek opgemaakt. Uit deze kasadministratie blijkt een batig kassaldo op 1 februari 2010 van € 4.790,45 en per 3 april 2010 van € 10.297,89. Op 7 februari 2010 heeft de heer [verdachte] € 5.000 per kas opgenomen en op 7 en 30 maart 2010 resp. € 50 en € 60. Tijdens het boekenonderzoek heb ik de kasadministratie gecontroleerd en daarbij zijn slechts marginale verschillen geconstateerd. Begin 2010 had de heer [verdachte] volgens een overzicht van gemachtigde via rekening courant € 22.771,78 te vorderen op [bedrijf 2] BV. en op 26 januari 2010 heeft hij nog € 3.000 bijgeleend. Duidelijk is wel dat de heer [verdachte] in het zicht van het faillissement zoveel mogelijk geld uit de vennootschap heeft onttrokken. De pinomzet werd via de bankrekening van [bedrijf 2] overgeboekt naar privérekeningen van [verdachte] (totaal € 20.890 in het le kwartaal 2010) en klaarblijkelijk heeft de heer [verdachte] het kasgeld van de winkels van de maanden februari en maart (totaal ca. € 10.000) in zijn eigen zak gestoken. In deze maanden werd door [bedrijf 2] geen kasgeld afgestort en dus zou er op basis van de administratie begin april 2010 ruim € 10.000 in kas moeten zijn, maar de curator heeft dit niet aangetroffen. Tijdens het onderzoek heb ik het volgende geconstateerd: - [bedrijf 2] BV. heeft de huurkosten van een auto (Volvo V70, kenteken [kenteken] ) voor de heer [verdachte] betaald. Voor het 4 kwartaal 2009 werd ultimo 2009 hiervoor aan de heer [verdachte] een factuur ad € 4.819,50 uitgereikt. Dit factuurbedrag werd echter nooit door de heer [verdachte] betaald. - Uit de kasadministratie van [bedrijf 2] blijkt een batig kassaldo van € 10.297,89. Dit kasgeld is niet aangetroffen en het is aannemelijk dat dit geld door de directie aan de vennootschap is onttrokken. 16. Een relaas proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] d.d. 5 juni 2012 (AH047-011), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In onderstaande tabel zijn de betalingen weergegeven van de bankrekening van [bedrijf 2] BV tussen [bedrijf 2] BV en [verdachte] . [tabel] In totaal wordt vanaf januari 2010 tot 1 april 2010 € 20.890,-- van [bedrijf 2] BV. overgemaakt naar de rekeningen van [verdachte] . 17. Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [boekhouder 1] van 15 november 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik weet dat [verdachte] in het begin geld in [bedrijf 2] heeft gestort en dat hij er dat weer uit heeft willen halen voor het faillissement. Daar heb ik het met [belastingambtenaar] ook wel eens over gehad. Feit 3 en Feit 4 18. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel per 24-10-2010, m.b.t. [bedrijf 3] BV (Aangiften A01 t/m 07, pag. 0100276 en 0100277), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: enig aandeelhouder naam : [stichting] inschrijving handelsregister onder dossiernummer : 50027077 enig aandeelhouder sedert : 21-05-2010 bestuurder(
  51. s)naam : [stichting] inschrijving handelsregister onder dossiernummer : 50027077 infunctietreding : 21-05-2010 titel : algemeen directeur bevoegdheid : alleen/zelfstandig bevoegd 19. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel per 26-10-2010, m.b.t. [stichting] (aangiften 01 t/m 07, pag. 0100275), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: dossiernummer: 50027077 rechtspersoon rechtsvorm : Stichting statutaire naam : [stichting] akte van oprichting : 21-05-2010 activiteit : Beheer van aandelen in kapitaalvennootschappen bestuurder(
  52. s)naam : [naam 5] geboortedatum- en plaats : [geboortedatum 2] -1952, [geboorteplaats 2] infunctietreding : 18-10-2010 titel : voorzitter bevoegdheid : alleen/zelfstandig bevoegd 20. Een geschrift, te weten een uitdraai van de Handelsregisterhistorie van de [stichting] d.d. 31-1-2012, (AH017-017, pag. 3000051) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: 08 50027077 [stichting] Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers. bestuurder(
  53. s)naam : [verdachte] geboortedatum- en plaats : [geboortedatum 1] -1954, [geboorteplaats 1] infunctietreding : 21-05-2010 titel : voorzitter/secretaris/penningmeester bevoegdheid : alleen/zelfstandig bevoegd uit functie : 01-10-2010 21. Een proces-verbaal van aangifte met bijlage van [curator 3], curator in het faillissement van [bedrijf 3] BV, d.d. 29 november 2011 (aangiften A01 t/m A07, pag. 0100070 t/m 0100072), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Deze aangifte richt zich tegen: naam : [verdachte] voornaam : [verdachte] geboortedatum : [geboortedatum 1] 1954 Op 26 oktober 2010 is de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V. in staat van faillissement verklaard en ben ik tot curator aangesteld. In mei 2010 heeft nog een aandelenoverdracht plaatsgevonden, waardoor [stichting] de aandelen in handen heeft gekregen. Voorzitter van deze stichting was de heer [verdachte] . De heer [verdachte] was vervolgens 13 weken (vanaf 16 mei 2010) met dit horecabedrijf actief. In deze periode is er een omzet van € 108.670,-- gerealiseerd. Een totaalbedrag van € 62.569,- is aan personeel, leveranciers en overige bedrijfskosten (exclusief belasting en huur) uitgegeven. Via de bank heeft de heer [verdachte] per saldo een bedrag van € 16.869,-- ontvangen. Bovendien was er een kasverschil van € 36.842,--. Opgeteld gaat het dus om een bedrag van € 53.711,-- dat richting de heer [verdachte] is gegaan. Vervolgens ben ik met de heer [verdachte] een regeling (inhoudende een door de heer [verdachte] aan de boedel te betalen bedrag van € 24.000,--) aangegaan. Omdat de heer [verdachte] niet is nagekomen, heb ik de regeling ontbonden en de heer [verdachte] o.g.v. 2:248 BW aansprakelijk gesteld voor het tekort. De firma [bedrijf 4] heeft overigens een bedrag van € 25.000,-- aan de failliete vennootschap en de eerdergenoemde stichting geleend. Dit bedrag is niet op de rekening van de failliete vennootschap ontvangen. Deze faillissementsfraudemelding heeft betrekking op enerzijds de bedragen die de heer [verdachte] aan de onderneming heeft onttrokken en anderzijds op de schulden die hij in de betreffende periode (bewust) heeft laten ontstaan. Uit het onderzoek welke door mij in het kader van dit faillissement is ingesteld is mij gebleken dat zich in het faillissement handelingen hebben voorgedaan waarbij de boedel van [bedrijf 3] BV vermoedelijk is benadeeld. Redenen waarom ik goedkeuring aan de rechter-commissaris heb verzocht en verkregen voor het doen van aangifte van een strafbaar feit tegen [verdachte] als bestuurder. Hierbij doe ik aangifte terzake van vermoedelijke overtreding van: artikel 342 Wetboek van Strafrecht: eenvoudige bankbreuk door de bestuurder of commissaris van een gefailleerde rechtspersoon artikel 343 Wetboek van Strafrecht: bedrieglijke bankbreuk door evengenoemde personen. 22. Een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 1º Sv, te weten een afschrift van een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad gedateerd 26 oktober 2010, (aangiften 01 t/m 07, pag. 0100074 en 0100075).voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat [bedrijf 3] BV (tevens handelend onder de naam [restaurant 1] ) in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. drs. [curator 3] tot curator 23. Een proces-verbaal van verhoor van aangever [curator 3] d.d. 23 februari 2012 (Aangiften A01 t/m A07, pag. 0100283 en 0100286), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De heer [verdachte] is meerdere keren voor dat faillissement bij mij op het kantoor geweest. Er was ook een afspraak gemaakt over terugbetaling. Hij zou dit in vier termijnen van € 6.000,-- doen. Hij heeft een keer € 1.600,-- betaald. Op een bepaald moment heeft [verdachte] bij mij zelfs vier ordners met boekhouding laten zien die was opgemaakt door de firma [boekhouder 3] uit Varsseveld. Ik heb deze mogen inzien. Er zat ook een compleet kas overzicht bij. Dit kwam vrijwel overeen met de in mijn bezit zijnde dagstaten. Vanuit deze dagstaten heb ik mijn overzicht gemaakt. Het enige verschil was dat hij een management vergoeding opvoerde van ongeveer € 30.000,-- en ik dit als kasverschil had geconstateerd. [verdachte] kon mij geen management fee overeenkomst tonen. In mijn aangifte staat dat er in de 13 weken dat [verdachte] met het horecabedrijf actief was een omzet is gegenereerd van € 108.670,--. Dit heb ik kunnen berekenen naar aanleiding van dag- en kasstaten in combinatie met de bankafschriften. Er zijn geen voorraadoverzichten van het bedrijf. Degene die heeft verklaard dat bedrag van € 34.500, als management fee gezien moest worden voor [verdachte] is hij zelf geweest. Dit was pas na mijn constatering dat er geld uit de kas weg was. Er is geen overeenkomst van. Het is gewoon het kasverschil dat [verdachte] uit het bedrijf heeft weggehaald. Hij kwam ook nog met een verhaal dat hij er crediteuren van heeft betaald. Hij kon dit niet goed aantonen. Door de firma [bedrijf 4] is in juli 2010 een lening verstrekt van € 25.000,-- aan [bedrijf 3] BV in casu aan [stichting] . Het is niet op de rekening van [bedrijf 3] terecht gekomen. 24. Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [curator 3] van 15 november 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Toen ik betrokken werd bij het faillissement van “ [bedrijf 3] BV” was er geen echte administratie. [verdachte] kwam met een aantal tassen met ordners. Er waren bonnen en facturen, maar die waren niet verwerkt tot een administratie. Ik ben daar toen mee aan de slag gegaan. Ik heb de bankafschriften bij de bank opgevraagd. Op basis van de stukken die ik had, heb ik kunnen vaststellen dat er 36.000 euro uit de kas was opgenomen door [verdachte] . Dat was een bedrag wat in de kas zou moeten zitten op basis van de kasbonnen, maar het ontbrak. De boekhouder [boekhouder 3] heeft dat later opgevoerd als managementfee. Op basis van alle bonnen zou er dan 36.000 euro meer in kas moeten zitten dan dat erin zat. Ik heb geen enkel inzicht gehad in de voorraad. Er is dus in totaal 33.000 euro van de bankrekening van de failliete vennootschap overgemaakt naar de rekening van [verdachte] . Daarnaast is er 36.000 uit de kas gehaald. [verdachte] heeft 8.000 uit eigen zak ten behoeve van de onderneming uitgegeven en daarna nog 8.000 euro teruggestort in de kas. Per saldo is er dus 53.000 euro door [verdachte] weggenomen. Er was geen managementfeeovereenkomst. Hij kon mij ook niet vertellen welke financiële afspraken hij zelf met de onderneming had gemaakt. [verdachte] heeft ook nog 25.000 euro losgekregen bij de firma [bedrijf 4] . Dat betrof een conflict tussen enerzijds [bedrijf 4] en anderzijds de failliete vennootschap [bedrijf 3] BV en [stichting] . Dat bedrag is niet gegaan naar de failliete vennootschap. Ik weet niet waar dat bedrag is gebleven. 25. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 3 april 2012,(AH07.01 pg 3000039 t/m 3000041) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik wens aangifte te doen van oplichting (artikel 326 Sr). Ik ben door de firma [bedrijf 4] BV, gevestigd te [adres 5] , bevoegd en gerechtigd om aangifte te doen. Ik ben als manager werkzaam bij [bedrijf 4] Nederland en verantwoordelijk voor de horeca in Nederland. In mei 2010 werd ik benaderd om [verdachte] te bellen. Ik heb deze [verdachte] gebeld en we maakten een afspraak voor begin 2010. Ik wist toen al dat het om een [restaurant 1] ging genaamd [restaurant 1] te Heino. Begin juni ben ik naar dit restaurant gegaan in Heino. Toen ik binnen kwam, was er een persoon aanwezig. Hij stelde zich voor als [medeverdachte] . Hij vertelde mij dat hij de zaakwaarnemer was voor [verdachte] . [verdachte] kwam later wel in het restaurant. Wij hebben met z’n drieën gesproken. Zij vertelde dat door mismanagement dit restaurant niet goed liep. Ik heb nog gevraagd of zij een boekhoudkundig onderzoek hadden laten doen bij de overname. Zij zeiden dat dit was gebeurd. Zij gaven wel aan ervaring te hebben in dit soort overnames. Zij lieten mij wel het huurcontract zien en in mijn beleving ook het koopcontract van de exploitatie van het [restaurant 1] . Er is een inventaris lijst met daarop de boekwaarde van alles. Dit was nodig om als zekerheid stelling voor de overeenkomst. [bedrijf 4] wil altijd een onderpand en een borgstelling. Zo ook bij dit restaurant. [verdachte] heeft mij nog iets laten zien van ING. Daarin stond dat ING mee deed in de financiering van dit restaurant. Dit hele verhaal kwam mij zeer aannemelijk over. Ook omdat [verdachte] hoofdelijk mee zou tekenen in de overeenkomst. Ik heb een voorstel gemaakt en deze gemaild naar [medeverdachte] . Dit was ter attentie van [mailadres] . Ik heb tevens dit voorstel voorgelegd aan de directie van [bedrijf 4] . Onder voorbehoud van aanleveren van stukken door [verdachte] is toen alles in gang gezet. Ik heb een credit aanvraag gemaakt voor [bedrijf 4] . Daarin staat ook, waarom uit commercieel oogpunt dit moet worden gedaan. Degene die het credit krijgt moet de volgende stukken overleggen aan [bedrijf 4] : Huurcontract, koopcontract, lijst inventaris en zekerheden. Zekerheden kunnen hoofdelijk aansprakelijkheid, huurintreding, pandrecht inventaris borgstelling derden, borgstelling groothandel of hypothecaire inschrijving etc. Bij [restaurant 1] was de borgstelling de [bedrijf 11] uit Twello voor 50% , het 1e pandrecht inventaris en hoofdelijk aansprakelijkheid van [verdachte] . Dit laatste is niet in de overeenkomst opgenomen. Later bleek dat de tekst niet goed was opgenomen in de akte. [verdachte] had volgens zijn zeggen een eigen notaris die altijd alles voor hem geregelde. Bij deze notaris is de overeenkomst ook getekend door [verdachte] . Nadat de stukken waren overlegd is door [bedrijf 4] goedkeuring gegeven voor een lening van € 25.000,-- aan [restaurant 1] voor een periode van 5 jaar. Ik heb met [verdachte] het contract doorgenomen. [verdachte] tekende daarna dit contract. Het is het contract wat U mij nu toont (A03.01.007). Ik heb [verdachte] er toen op gewezen dat hij contact op moest nemen met [eigenaar bedrijf 11] in verband de borgstelling. Ik gaf ook aan dat als hij dit niet regelde er niet zou worden uitbetaald door [bedrijf 4] . Dit duurde wat langer voordat [verdachte] dit had geregeld met [eigenaar bedrijf 11] . Ik weet nog wel dat [medeverdachte] dit op een bepaald moment geregeld heeft met [eigenaar bedrijf 11] . [bedrijf 4] heeft daar toen bericht van gekregen. Hierna is de notariële schuldbekentenis met verpanding opgemaakt bij een notaris in [geboorteplaats 1] . Ik weet nog dat [eigenaar bedrijf 11] mij op een bepaald moment belde omdat hij niet werd betaald door [verdachte] . Via, via kreeg ik midden augustus 2010 te horen dat ING beslag had gelegd op de volledige inventaris van het restaurant: [restaurant 1] . ik heb toen geprobeerd [verdachte] te bellen. Hij nam niet meer op. Daarop heb ik [medeverdachte] gebeld. Ik vroeg hem hoe het mogelijk was dat de ING beslag kon leggen op de inventaris terwijl [verdachte] het aan ons had verpand. [medeverdachte] had geen goed antwoord op. [medeverdachte] draaide om mijn vraag heen en zei iets in de trend van dan hebben wij misschien geen goed onderzoek gedaan. Ik had toen wel in de gaten dat er stront aan de knikker was en wij door [verdachte] en [medeverdachte] belazerd waren. Naar aanleiding van de inbeslagnamen door ING is er toen een gesprek geweest met [medeverdachte] en [naam 6] , directeur [bedrijf 4] . Dit gesprek heeft plaats gevonden op het hoofd kantoor van [bedrijf 4] in Tiel. [eigenaar bedrijf 11] zou daar ook bij aanwezig zijn maar was op het laatste moment verhinderd. Ik weet niet meer wanneer dit gesprek precies is geweest. Het is ieder geval tussen de inbeslagname en 8 september 2010 plaats gevonden. [verdachte] was ook afwezig in verband met problemen met zijn dochter. Ik heb toen aan [medeverdachte] aangegeven, dat ik met [verdachte] wilde praten omdat hij de degene was met wie [bedrijf 4] een contract had afgesloten. [medeverdachte] vertelde ons dat zij bezig waren met een nieuw restaurant in Zenderen. Dit was een restaurant dat niet meer open was. Zij wilde dit restaurant opnieuw opstarten en dezelfde formule gaan toepassen als in Heino. Dit restaurant zou 1 oktober 2010 opengaan. Zij zouden dan met [bedrijf 4] een betalingsregeling treffen voor de € 25.000,--, [medeverdachte] zegde toe dat er op de 15e van elke maand een betaling zou plaats vinden te beginnen op 15 september 2010. Na de 15e september 2010 heeft [bedrijf 4] geen geld van hun ontvangen en waren [medeverdachte] en [verdachte] niet meer bereikbaar. 26. Een geschrift, te weten een overeenkomst tussen [bedrijf 4] BV en [bedrijf 3] BV / [stichting] , d.d. 23 juli 2010, (A03.01.007, pag. 0100105 t/m 0100110), waarbij [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] BV / [stichting] voor de horecagelegenheid [restaurant 1] een krediet van € 25.000,-- ter beschikking stelt. 27. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 2 april 2012, (AH-36, pag. 031358) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Naar aanleiding van de aangifte die door curator Bruning is gedaan inzake het faillissement van het [bedrijf 3] Heino, is contact gezocht met [bedrijf 4] Nederland. Alhier werd geïnformeerd op welke bankrekening [bedrijf 4] het geldbedrag van € 25.000 had overgemaakt. Mevrouw [naam 7] van [bedrijf 4] mailde op 20 maart 2012 het volgende. Naar aanleiding van ons telefonisch contact van zojuist mailen wij u hierbij de door u gevraagde in formatie. Wij hebben destijds 25.000,- euro overgemaakt op de kwaliteitsrekening van [notariskantoor] o.v.v. zaaknummer [nummer] . Bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] (Rabobank). 28. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 11 april 2012 (AH044, pag. 031658 en 031659), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op woensdag 11 april 2012 is onderstaande informatie ontvangen van het [notariskantoor] : Hierbij deel ik u mee dat op 12 augustus 2010 er een zekerheidshypotheek verstrekt is ten behoeve van [bedrijf 4] B.V. voor de schulden van [bedrijf 3] B.V. en [stichting] , zowel tesamen als ieder afzonderlijk. Op 13 augustus 2010 is een netto bedrag ad € 24.881,00 overgemaakt op rekening [rekeningnummer 2] ten name van bovengenoemde stichting. Dit is op verzoek van dhr. [verdachte] . 29. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van de zakelijke ING-rekening met nummer [rekeningnummer 2] op naam van [stichting] , gedateerd 06-09-2010, (AH047-009, pag. 031803) waarop staat vermeld dat: - op 13 augustus een bedrag van € 24.881,00 is bijgeschreven ten laste van [notariskantoor] met als omschrijving afrekening dossier [nummer] ; - op 13 augustus bedragen van € 1.000,00 en € 10.000,00 contant opgenomen worden; - op 16 augustus een bedrag van € 1.000,00 contant wordt opgenomen; - op 17 augustus bedragen van € 1.000,00 en € 10.000,00 contant worden opgenomen; - op19 augustus een bedrag van € 1.000,00 contant wordt opgenomen; - op 23 augustus een bedrag van € 800,00 contant wordt opgenomen. 30. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4] d.d. 14 mei 2012, (G19.01, pag. 3000117 en 3000123) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op maandag 17 mei 2010 heeft [verdachte] de bankpasjes, pincodes en sleutels van het restaurant van mij gekregen. Feit 5 31. Een proces-verbaal van aangifte, van 20 maart 2011 (A05.02 pag. 0100475 t/m 0100478), voor zover inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2], zakelijk weergegeven: Ik ben eigenaar van [bedrijf 5] B.V. Ik doe aangifte van diefstal en oplichting. Vanaf augustus 2010 heb ik gezocht naar onafhankelijke specialist die mijn bedrijf zou doorlichten. Eind december 2010 heb ik contact gezocht met [bedrijf 7] om concreet iets op papier te laten zetten wat er beter zou kunnen gaan met het bedrijf. Op 16 februari 2011 kwamen [boekhouder 3] en ene Dhr. [verdachte] naar mijn woning. Wij zijn toen alle bedrijven van [bedrijf 5] B.V langsgegaan. Dhr. [verdachte] stelde mij toen voor om alles anders te gaan doen en dat ik bij hem in loondienst zou komen. Tevens zou hij het bedrijf en daarmee alle schulden op zich nemen. Op 17 februari 2011 kwam dhr. [verdachte] samen met ene [medeverdachte] en ene [naam 8] bij mij in het bedrijf. Dhr. [boekhouder 3] zou de boekhouding gaan doen en zijn vrouw [naam 8] die zou de personeelszaken gaan regelen en Dhr. [medeverdachte] zou de Marketing gaan doen en Dhr. [verdachte] zou financieel directeur gaan worden. Ik zou op de loonlijst komen als werknemer. Op een gegeven moment werd ik door de bank gebeld en werd en mij verteld dat ik over mijn kredietlimiet zat. Ik mag gaan tot 19.000 euro en het stond nu op ongeveer 40.000 euro. Hierop ben ik bij [verdachte] vragen gaan stellen omdat ik het niet helemaal vertrouwde. [verdachte] verzekerde dat alles goed zou komen en dat ik mij nergens zorgen om hoefde te maken. Op 10 maart 2011 werd ik door een kennis op de hoogte gesteld over een verhaal omtrent [verdachte] dat hij een oplichter zou zijn. Ik heb hier in eerste instantie geen gehoor aan gegeven. Diezelfde avond kwam mijn vrouw 's avonds ook met een verhaal dat [verdachte] een oplichter zou zijn. Zij liet mij toen een stuk lezen, en de werkwijze die ik daar las zo is het precies bij mijn bedrijf gegaan. Vervolgens heeft een vriend van mij, naar de handelswijze gekeken en er bleek inderdaad het een en ander niet te kloppen. Vervolgens heb ik alles stop kunnen zetten en heb ik [boekhouder 3] gebeld om aan hem te vragen wat voor oplichters hij naar mij toe had gestuurd. Hierop heb ik contact opgenomen met [verdachte] en [medeverdachte] om met hun af te spreken dat het geld wat er inmiddels allemaal was weggenomen terug te vorderen en dat alles wat bij de kamer van koophandel geregistreerd staat weer terug te draaien. Het totale bedrag wat ongeveer weggenomen is bedraagt 70.000 euro waarbij circa 30.000 euro voor 1 maart is weggenomen en voor 40.000 euro na 1 maart te zijn opgelicht. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 32. Een proces-verbaal van verhoor, van 30 mei 2011 (A05.02, pag 0100503 t/m 0100509), voor zover inhoudende de aanvullende verklaring van [aangever 2], zakelijk weergegeven: In augustus 2010 kom ik via mijn ex-vrouw [getuige 8] in contact met [bedrijf 7] . Geheel vrijblijvend hebben we een tweede afspraak gemaakt op 24 december 2010. Van te voren was al afgesproken dat het was op no cure-no pay basis en dat als ze het zouden gaan doen dan zouden zij de administratie gaan voeren. De boekhouding is misschien een beter woord. Op zondag 6 februari 2011 was een derde afspraak met meneer [boekhouder 3] , [naam 8] en mijn ex-vrouw [getuige 8] . Daar werd afgesproken dat in week 8 een locatiebezoek zou plaats vinden met een kennismaking met de winkels. Dit was allemaal nog steeds oriënterend en vrijblijvend. Er waren nog steeds geen echte stappen gezet. Het locatiebezoek was op woensdag 16 februari 2011 met meneer [boekhouder 3] . Meneer [boekhouder 3] had een andere man meegenomen. Dit was meneer [verdachte] . Dit was een verrassing, want ik wist van tevoren niet dat meneer [verdachte] mee zou komen. Ik wist ook niet wie hij was. Meneer [verdachte] vertelde dat hij uit interesse was meegekomen. Hij stelde zich ook voor als investeerder. Hij vertelde dat hij bij een investeringsmaatschappij zat. Hij had nog een compensabel verlies te besteden. Dat betekend dat je nog geld aan de belastingdienst moet betalen, maar dat je dat geld ook kan investeren in een andere zaak. Als het geld in een verliesgevende zaak wordt geïnvesteerd en dan hoef je daar geen belasting over te betalen. Hij stopte het liever in mijn zaak dan dat hij het zou moeten afdragen aan de belasting. Ik wist daar niks van, ik had daar nooit van gehoord, maar weet nu dus dat zoiets kan. Meneer [verdachte] vertelde dat de investeringsmaatschappij [investeringsmaatschappij] heette. Hij vertelde ook dat [naam 16] erin zat. Hij had nu even niets te doen en dit leek hem wel een uitdaging. Hij was gewend om te gaan met miljoenenbedrijven en ik was eigenlijk maar een klein winkeltje, zo vertelde hij me. Ik dacht op dat moment "Dat is de redder in nood". Voor het eerst had ik het gevoel dat er iemand vertrouwen in mij had, in met waar ik nee bezig was. We spraken af dat ze de volgende dag terug zouden komen om de lopende administratie te bekijken en door te nemen en [verdachte] zou nog iemand meenemen. Alles ging nog steeds op no cure-no pay basis. Er zou eerst 3 maanden een oriëntatie plaats vinden waarna men met een plan van aanpak zouden komen. Na een halfjaar zou er dan geïnvesteerd worden. Er zou dus niks betaa1d worden. Dat was het risico, maar dat was allemaal geen enkel probleem, ze zouden er een wereldzaak van maken. De onkosten konden dan betaald worden als de zaak zou draaien. Ze wisten immers van mijn problemen af en dat ik geen geld had. Dit kwam allemaal goed. [verdachte] deed het allemaal voorkomen of hij het geld niet nodig had. [verdachte] zei tegen mij dat hij zijn geld wel kon gaan beleggen, maar dat het op zo'n manier als dit veel leuker was. Voor het geld hadden ze mij niet nodig, dat hadden ze kennelijk wel. Op 17 februari 2011 kwam [verdachte] terug met [medeverdachte] en meneer en [naam 8] . Ze gingen naar het kantoor om daar te beginnen met de administratie op orde te krijgen. In 1 dag hadden ze hele administratie onder handen genomen en was het hele kantoor opgeruimd, zeg maar. Ze gaven me echt de indruk dat ze alles direct onder controle hadden. Er zijn twee bankrekeningen verbonden aan de [bedrijf 5] . Een van de ING en een van de ABN-AMRO. Er wordt veel gedaan via internet bankieren. De opbrengst van de winkels werd normaal gesproken dagelijks door [getuige 7] of [aangever 3] opgehaald en afgestort. Omdat [verdachte] wilde kijken of de inkomsten wel klopten van de winkels met de boekhouding stelde hij voor om zelf het geld op te halen en in zijn afwezigheid [medeverdachte] . De afspraak was dat zij het geld zouden ophalen in de sealbags en het geld zouden storten op de ABN-AMR0 rekening van de [bedrijf 5] . Op deze rekening lopen namelijk ook de incasso's van leveranciers. Ik had geen enkele reden om daar aan te twijfelen en had het volste vertrouwen erin. De afspraak dat het geld op de rekening zou worden gestort heb ik persoonlijk mondeling met [verdachte] gemaakt. Ik heb hem de sealbags gegeven die op het kantoor lagen. [verdachte] zou het geld storten op de rekening. Of ze haalden de sealbags op na sluitingstijd, maar het kwam ook wel voor dat ze wat eerder in de winkel kwamen en dan haalden ze zelf het geld uit de kassa, telden het en deden dit dan in de sealbags. Ik had [verdachte] toestemming gegeven om het geld uit de winkels op te halen, maar wel met de duidelijke mededeling dit geld te storten op de rekening van de [bedrijf 5] . [verdachte] was daar natuurlijk mee akkoord gegaan. Hij zei ook dat het wel belangrijk was dat de zaak gewoon bleef draaien en dat daar verder niemand last van had. De volgende dag vrijdag 18 februari 2011 zijn ze dan ook begonnen met het geld uit de winkels op te halen. Dat werd allemaal keurig opgehaald in sealbags, alleen werd dat nooit neer afgestort, zoals was afgesproken. Ook heb ik [verdachte] toen de bankpas van ABN-AMRObank gegeven, weer met de reden dat hij inzicht in het bankgebeuren wilde hebben. Ik heb ook de pincode van de ABN-AMR0 bank gegeven, die heb je immers ook nodig om te kunnen internetbankieren. Daarmee moet je namelijk inloggen. En omdat zij de financiële situatie wilden inzien vond ik dit een heel logisch gevolg. Op 1 maart 2011 is de Stichting overgeheveld naar ene meneer [naam 17] . Deze meneer kende ik niet. [verdachte] verte1de mij dat het goed was als iemand van [investeringsmaatschappij] alvast inzage had en betrokken was bij de zaak. Omdat [verdachte] altijd met meerdere mensen samenwerkt vanuit de [investeringsmaatschappij] introduceerde hij meneer [naam 17] die daar dus ook werkzaam zou zijn. [verdachte] deed al jaren lang zaken met [naam 17] , zo vertelde hij, en [naam 17] was eveneens een investeerder die mee zou doen. [naam 17] vertelde mij zelf ook dat hij werkzaam was bij de [investeringsmaatschappij] . Hij zou verder een bedrijf in lijkkisten hebben. Wij zouden verder niet zoveel contact Het was goed voor als er straks een extra BV bij zou komen er ook al iemand van de Investeerdersmaatschappij bij betrokken zou zijn. Zoals gezegd bezit de [bedrijf 5] twee bankrekeningen. [verdachte] wilde ook toegang tot het internet bankieren. [aangever 3] was op vakantie en had alle betalingen op voorhand ingeboekt. De bankpassen had hij opgeborgen. Ikzelf had geen bankpas van de ING en de bankpas van de ABN-AMR0 had ik al aan [verdachte] gegeven. Dit bleek een oude pas te zijn waarmee je niet kon internetbankieren. Samen met [medeverdachte] ben ik

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.