RECHTBANK OOST-NEDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer : 607736 CV 12-2848 datum : 8 januari 2013 Vonnis in de zaak van: 1. [EISER 1], wonende te [woonplaats], 2. [EISER 2], wonende te [woonplaats], 3. [EISER 3], wonende te [woonplaats], eisende partij, gemachtigde mw. mr. M.A. van Zeist, verbonden aan CNV Vakmensen te Utrecht, tegen de besloten vennootschap [GEDAAGDE], gevestigd te [plaats], gedaagde partij, gemachtigde mr. K. Tunç, advocaat te Hengelo. Eisers zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘[eisers]’ dan wel individueel als ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’ respectievelijk ‘[eiser 3]’. Gedaagde zal worden aangeduid als ‘[gedaagde]’. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - de dagvaarding d.d. 2 mei 2012 - het antwoord van [gedaagde] - de repliek van eisers - de dupliek van [gedaagde]. Het geschil De vordering van [eisers] strekt ertoe dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van achterstallig salaris, toeslagen, wettelijke verhoging, wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tot verstrekking van een bruto-netto-specificatie, onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. [Gedaagde] heeft primair de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit en subsidiair aangevoerd dat de vordering van [eiser 1] tot een bedrag van € 623,12 bruto zal worden toegewezen onder afwijzing van het overige gevorderde, een en ander met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure. De beoordeling 1. In deze zaak hebben [eisers] ieder voor zich een vordering gericht tot hun voormalige werkgever [gedaagde]. Die vorderingen zijn gegrond op iedere eigen arbeidsovereenkomst met [gedaagde] en de daarop telkens van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst Beroepsgoederen-vervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen. Het gaat daardoor om individuele vorderingen die in deze procedure subjectief zijn gecumuleerd. 2.1 Er is geen wettelijk voorschrift die zo’n cumulatie verbiedt doch ingevolge de jurisprudentie (vgl. o.m. HR 27 oktober 1978, NJ 1980, 102) is het de rechter toegestaan een aldus aanhangig gemaakte procedure - op verlangen van een partij of ambtshalve - te splitsen op de grond dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Daarbij dient in de regel er vanuit te worden gegaan dat een goede procesorde - uit oogpunt van procesrechtelijke economie, overzichtelijkheid en fair play - afzonderlijke berechting eist. 2.2 Bij het voorgaande dient voorts in acht te worden genomen dat de omstandigheid dat meer personen gezamenlijk vorderen in één procedure hen nog niet tot één partij maakt (vgl. HR 21 november 2008, NJ 2009, 477). Ieders vordering behoudt haar zelfstandigheid zodat ook iedere proceshandeling slechts relatieve - de betrokken partij betreffende - werking hebben. Conclusies en akten die worden gewisseld in de ene zaak gelden daardoor niet van rechtswege als genomen in de andere zaak. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat voor de rechter en partijen in elke zaak geen onduidelijkheid dient te bestaan omtrent de vraag welke stukken behoren tot de gedingstukken in de betreffende zaak. 2.3 In dit geval is telkens sprake van één processtuk van eisers en één processtuk van gedaagde doch het voorgaande laat onverlet dat een stelling of bewijsmiddel dat door één eiser of één gedaagde wordt gebezigd, niet geacht kan worden te zijn ingenomen of overgelegd ten behoeve van de andere eiser(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.