RECHTBANK OOST-NEDERLAND Team belastingrecht Zittingsplaats Arnhem, meervoudige kamer registratienummers: AWB 11/5504 en 11/5505 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 21 februari 2013 inzake [X], wonende te [Z], eiser, tegen de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.
(2004). Anders dan verweerder heeft gesteld, is pas bij een boetebedrag van niet meer dan € 200 aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden. 4.6 Wat betreft de vergoeding van immateriële schade volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (nr. 09/02639, LJN: BO5046, BNB 2011/232), dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie (vergelijk EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi tegen Italië, JB 2006/134), wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aldus de Hoge Raad. Uit het arrest volgt voorts dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (nr. 37.984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 4.7 Volgens eiser dient de vergoeding per procedure en per afzonderlijke aanslag of beschikking heffingsrente te worden berekend. De rechtbank volgt dit echter niet. In dit geval is sprake van een bijzondere samenhang van de procedures nu de procedures en dus ook de ingediende bezwaarschriften betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, te weten dezelfde niet opgegeven buitenlandse bankrekening. Daarnaast zijn navorderingsaanslagen op één en hetzelfde moment opgelegd en ook overigens zijn de procedures temporeel en inhoudelijk als één geheel gevoerd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser meer spanning en frustratie heeft ondervonden, doordat de ingediende bezwaarschriften betrekking hadden op meerdere belastingaanslagen en beschikkingen. De spanning en frustratie waarop de immateriële schadevergoeding betrekking heeft, is ook niet ontstaan door het ontvangen van de belastingaanslagen, maar door de lengte van de procedure over die belastingaanslagen die pas aanvangt door het indienen van de bezwaarschriften. 4.8 Voor de onderhavige procedures zijn de bezwaarschriften ontvangen op 30 januari
- Zoals hiervoor al is overwogen, bestaat aanleiding om de redelijke termijn in de onderhavige zaken te verlengen. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim een half jaar is overschreden en dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van twee keer €
- Ter zitting heeft verweerder gesteld dat in het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de redelijke termijn is overschreden, de overschrijding geheel aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet hierop, verweerder veroordelen in het vergoeden van de door eiser geleden schade van € 1.
- Proceskosten De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van de bezwaren en beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.179 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, met een wegingsfactor 1 omdat niet de onderhavige zaken bewerkelijk zijn, maar de daarmee samenhangende zaken).
- Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het betreft de boetebeschikkingen; - verlaagt de boetebeschikking bij IB/PVV 2003 tot € 618; - verlaagt de boetebeschikking bij IB/PVV 2004 tot € 553; - veroordeelt verweerder tot het vergoeden van door eiser geleden schade ten bedrage van € 1.000; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.179; - gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr.dr. N. Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier. De griffier is verhinderd De voorzitter, de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op: 21 februari 2013 Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.