← Nederland

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ3858

RECHTBANK OOST-NEDERLAND Team bestuursrecht Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: Awb 13/358 uitspraak van de voorzieningenrechter in het geding tussen het bestuur van de Vereniging Van Eigenaars Broederschap, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder. Lidl Nederland GmbH, belanghebbende. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2013 heeft verweerder aan belanghebbende op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van een supermarkt naar standaard inclusief het aanleggen van een bake-off-ruimte, op het perceel van der Capellenstraat 45-47 te Zwolle-Zuid. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 10 februari 2013 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat genoemd besluit wordt geschorst. Het verzoek is ter zitting van 5 maart 2013 behandeld. Verzoekster is verschenen bij haar voorzitter R. Ottens en A.E. Kappen als secretaris. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen door mw H. van Dop en W.H. Mensink. Belanghebbende heeft zich laten ver-tegenwoordigen door mr. B. de Haan, P. Pipers en O.Postma. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
  2. Op 9 november 2012 heeft belanghebbende een aanvraag omgevingsvergunning inge-diend voor de activiteit bouwen ten behoeve van het omzetten van een (voormalige Plus) supermarkt naar de huisstijl van Lidl, inclusief het aanleggen van een bake-off ruimte op genoemd perceel. Op 9 januari 2013 heeft verweerder de milieumelding ontvangen. Op 28 januari 2013 heeft de welstandscommissie positief over het bouwplan geadviseerd Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals beschreven in de vorige rubriek.
  3. Vast staat dat zowel de uitwendige bouwkundige werkzaamheden als de inwendige bouwwerkzaamheden inmiddels volledig zijn afgerond. Voor wat betreft de uitwendige bouwkundige werkzaamheden – en dan met name de wijziging van de laad – en lossituatie door het aanbrengen van een laad- en losdeur aan de zijde van de Broederschap – was dit reeds op 21 februari 2013 het geval. Nu overigens de omgevingsvergunning volledig is geëffectueerd, bestaat voor verzoekster derhalve geen spoedeisend belang meer bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening nu een eventuele schorsing van het besluit geen enkel effect meer zou resulteren. Niet valt in te zien waarom verzoekster, onder deze omstandigheden, de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift niet kan afwachten. Daarbij komt dat de omgevingsvergunning, kort samengevat, moet worden getoetst aan het geldend planlogisch kader (het bestemmingsplan), het bouwbesluit, de bouwverordening en eisen van welstand, zoals bepaald in artikel 2.10, lid 1 van de Wabo. Door verzoekster is niet gesteld noch is de voorzieningenrechter gebleken dat de omgevingsvergunning in strijd met één van deze toetsingsgronden is verleend. Zoals ter zitting ook is besproken, betreft het hier een limitatief imperatief toetsingskader, hetgeen in houdt dat de omgevingsweigering door verweerder dan ook niet mocht worden geweigerd, maar imperatief diende te worden verleend. De door verzoekster aangevoerde bezwaren, zoals afspraken uit het verleden, verkeersveilig-heid en geluids- en stankoverlast van vrachtwagen, vallen buiten het toetsingskader van artikel 2.10, lid 1 van de Wabo en kunnen derhalve bij de beoordeling van de omgevings-vergunning dan ook geen rol spelen en niet leiden tot weigering van de omgevingvergun-ning. Ter zitting hebben de gemachtigden van verzoekster bevestigd dat zij geen inhoudelijke gronden wensen aan te voeren tegen de verleende omgevingsvergunning maar dat zij verbolgen zijn over de gang van zaken en de gevolgde procedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervoor het volgen van een klachtenprocedure is aangewezen.
  4. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, en door hem en C. Kuiper als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.