vonnis RECHTBANK OOST-NEDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer / rolnummer: C/07/205863 / HA ZA 13-7 Vonnis van 4 september 2013 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. M. Huisman te Amersfoort, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. C.H. Tjabringa te Zwolle. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 maart 2013 de als akte overlegging producties aangemerkte uitlating van 22 mei 2013 van [gedaagde] de als akte overlegging producties aangemerkte uitlating van 30 mei 2013 van [eiser] de als akte overlegging productie aangemerkte uitlating van 31 mei 2013 van [eiser] het proces-verbaal van comparitie van 7 juni 2013 met pleitaantekeningen van partijen en met overlegging van drie overzichten van de Ohra-beleggingsverzekering de akte vermeerdering van eis van [eiser] de antwoordakte van [gedaagde]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten en het geschil 2.1. Partijen hebben in een convenant d.d. 5 juni 2009 de gevolgen van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap (van 2001 tot 2009) vastgelegd, nadat zij per 1 juni 2009 (aldus [eiser]) danwel per augustus 2008 (volgens [gedaagde]) feitelijk gescheiden waren gaan leven, namelijk toen [eiser] het partijen in gemeenschappelijk eigendom, ieder voor de onverdeelde helft, toebehorende appartement verliet. Partijen kwamen in genoemd convenant overeen dat [gedaagde] alle energiekosten van het door hem sedertdien alleen bewoonde, door partijen per mei 2008 ter onderhandse verkoop aangeboden appartement zou dragen en dat partijen bij helfte de kosten voor de hypotheek ad EUR 350.000,= en de (daaraan gekoppelde) polissen, verzekeringen, belastingen en de VVE zouden dragen. 2.2. Partijen hebben nadien, zonder resultaat, schriftelijk onderhandeld over (al dan niet per datum levering van de woning met terugwerkende kracht geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken) wijzigingen in voornoemde financiële bijdrageplicht van [eiser]. 2.3. [eiser] vordert thans met toepassing van artikel 6:258 BW wijziging respectievelijk gehele/gedeeltelijke ontbinding van het convenant, primair met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009, wegens navolgende onvoorziene omstandigheden: [gedaagde] woont sinds januari 2009 met een nieuwe partner in het appartement zonder dit te melden aan respectievelijk de door hem ontvangen huurinkomsten te delen met [eiser], ten tijde van het sluiten van het convenant was niet te voorzien dat verkoop van het tot op heden onverkochte appartement zo lang zou duren. 2.4. [eiser] vordert (sterk verkort weergegeven) dat [gedaagde] met ingang van 1 december 2009 (of later) primair alle althans meer financiële lasten voor de woning draagt en subsidiair hem een gebruiksvergoeding van EUR 1.000,= p/m betaalt. Tevens vordert hij - voor zover thans nog van belang - afgifte van stukken aangaande de beleggingsrekening van partijen onder nummer [xxxx] bij het ‘Noordnederlands Effektenkantoor’. 2.5. Na de zitting heeft [eiser] zijn vordering bij akte vermeerderd in die zin dat hij vergoeding bij helfte vordert van door [gedaagde] genoten huurinkomsten sedert januari 2009. 2.6. [gedaagde] voert het volgende verweer: - partijen wisten (via de makelaar en de notaris) dat verkoop van het appartement traag zou gaan en toch tekende [eiser] het convenant medio 2009 in de wetenschap dat verkoop al een jaar traag verliep, - [eiser] weet sinds 2009 dat er bij tijd en wijle een derde die financieel onvermogend is in de woning van partijen verblijft, - [eiser] betaalde tot 1 januari 2012 zijn bijdragen en genoot tot die datum fiscaal voordeel. Sedertdien betaalt [eiser] zijn helft van de hypotheekrente rechtstreeks aan de bank, - rechterlijke toetsing ex artikel 6:258 BW geschiedt terughoudend, kan niet met terugwerkende kracht omdat [gedaagde] daarmee geen rekening kon houden, [eiser] feitelijk betaalde, en [gedaagde] - zonder spaargeld - als AOW-er met een aanvullend pensioen niet in staat is de volledige hypotheekrente zelf te dragen, - de gevorderde gebruiksvergoeding (met terugwerkende kracht) is in strijd met tekst en inhoud van het convenant en is niet conform vaste rechtspraak berekend, - [gedaagde] beschikt over niet meer polisbescheiden dan door hem bij conclusie van antwoord overgelegd, - de vordering vermeerdering eis moet om uiteenlopende redenen worden afgewezen. 2.7. Op de vorderingen, de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3. De beoordeling 3.1. Partijen zijn er na de zitting niet in geslaagd een (allesomvattende) oplossing in der minne te bereiken over een eventueel gewijzigde bijdrageplicht van [eiser], het al dan niet met terugwerkende kracht verrekenen van (huur)inkomsten van [gedaagde], de vraagprijsbepaling van de woning en een liquidatie/splitsing van de twee effectenportefeuilles: Ohra en Noordnederlands Effektenkantoor. 3.2. Artikel 2 van het convenant beëindiging partnerschap luidt als volgt: (…) de opbrengst van de woning zal (…) gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld. Tot aan het moment van juridische/feitelijke levering heeft (rechtbank: [eiser]) het gebruiksrecht van de woning en zal hij de kosten van gas, water en licht voor zijn rekening komen (nemen). Alle andere gebruikerslasten, zoals hypotheeklasten, verzekeringen, onroerende zaakbelastingen, waterschapslasten en bijdrage aan de VVE komen voor rekening van beide partijen, ieder voor een gelijk deel. De aan de hypotheek gekoppelde polis zal gezamenlijk worden betaald (…). 3.3. Artikel 6:258 BW geeft de rechter de mogelijkheid om op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst te wijzigen of deze geheel (of gedeeltelijk) te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt dat een wijziging of ontbinding niet wordt uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. Dit betekent dat niet snel aangenomen dient te worden dat sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW. Het gaat hierbij om omstandigheden, die zijn ingetreden ná het sluiten van de overeenkomst en die partijen niet uitdrukkelijk of stilzwijgend in hun overeenkomst hebben verdisconteerd en waarin partijen niet hebben voorzien. Redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden. Op grond van artikel 6:260 lid 1 BW kan de rechter aan een wijziging of ontbinding als bedoeld in artikel 6:258 BW voorwaarden verbinden, zoals het betalen van een schadeloosstelling of vermindering van een tegenprestatie. 3.4. Door uitleg van de overeenkomst moet worden bepaald of een omstandigheid in de overeenkomst is verdisconteerd c.q. voorzien. Dat een omstandigheid voorzienbaar was, zoals - naar [gedaagde] stelt - het te verwachten en aan partijen meegedeelde lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.